LEER.

Berkeley jaagt theologische doeleinden na. Hij wil trachten een eind

te maken aan de twisten over den godsdienst, om het vele misverstand

en de christelijke religie te verdedigen tegenover de in de voorgaande

paragraaf genoemde stroomingen.

Berkeley sluit bij Locke aan. De hoofdbeteekenis van zijn leer ligt

in de wijziging van diens opvattingen op de volgende punten;

Het ontkennen van het bestaan van abstracte voorstellingen. Het

verwerpen van het onderscheid tusschen primaire en secundaire

eigenschappen. Het ontkennen van een substraat, dat als drager der

eigenschappen van de dingen fungeert. En ten slotte het ontkennen

van het bestaan eener stoffelijke buitenwereld.

Locke had van algemeene voorstellingen en begrippen gesproken, gevormd

door het abstraheerend verstand en onder één naam ondergebracht.

Berkeley gaat tot het uiterste nominalisme over: er zijn geen

begrippen. Werkelijk zijn alleen de particuliere dingen. Kunnen wij

dan in ons bewustzijn een driehoek hebben, die niet tegelijkertijd

scherp-, recht- of stomphoekig is, terwijl dat niet tot het begrip

driehoek behoort? Er bestaat alleen de naam driehoek. Zoo een bewijs,

gegeven voor één driehoek, kracht bezit voor alle, (bijv. dat de

som der hoeken 180° is) dan komt het, omdat wij geen gebruik maken

van de specifieke eigenschappen der driehoeken (recht- of stomp-

of scherphoekig). Dusdanig bewijs geldt voor de driehoeken. Elke

begripsnaam geldt voor alle afzonderlijke dingen, maar een begrip is

er niet.

De scheiding van primaire en secundaire kwaliteiten dient

verworpen. Grootte van een lichaam nemen wij bijv. verschillend waar,

al naarmate van den afstand. De soliditeit waarin Locke het wezen der

lichamen ziet, is een gewaarwording van den tastzin, het gevoel van

tegenstand. Even goed dus een opvattingswijze als een kleur of toon.

Van een ding zijn ons niets gegeven dan een bundel gewaarwordingen. Om

deze op een iets, wat weten we niet, buiten ons te betrekken,

heeft geen zin. De door Locke veronderstelde drager der kwaliteiten

bestaat niet.

Wat zullen wij trouwens een buitenwereld aannemen. Ons zijn niets

gegeven dan onze gewaarwordingen. Deze bestaan. Zijn is waargenomen

worden. (Esse est percipi).

Berkeley komt dus tot de ontkenning van het bestaan eener stoffelijke

wereld, het empirisch systeem van Locke wordt veranderd tot een

absoluut idealisme en de empiricus Berkeley en de rationalist Leibniz

komen tot eenzelfde resultaat ongeveer. Voor Berkeley bestonden

alleen de zielen met hun voorstellingen, de geestelijke substanties;

voor Leibniz de monaden, geestelijke krachten, met in kiem in zich

de kennis der geheele buitenwereld.

Berkeley moet intusschen erkennen, dat sommige onzer voorstellingen,

die, welke wij gewoon zijn toe te schrijven aan een buitenwereld,

ons als 't ware opgedrongen worden en een eenigszins ander karakter

vertoonen dan onze herinneringsvoorstellingen. Vanwaar komen zij? De

Godheid roept elke idee in ons te voorschijn. Berkeley vertoont hier

veel overeenkomst met het occasionalisme (bl. 255) en speciaal met

Malebranche--die leerde dat wij de dingen in God zagen. Het onderscheid

is dat occasionalisten wel een stoffelijke wereld aannemen en dus

dualisten waren. Berkeley stelt één existentie "geesten."

Zeer opmerkelijk is het, dat Berkeley meende dat zijn leer, die zoozeer

tegen alle gewone inzichten indruischte, volmaakt in overeenstemming

was te brengen met het gezonde menschenverstand. Dat zijn leer

werkelijk niet behoeft te leiden tot dwaasheden, werd reeds aangetoond

bij de behandeling der Grieksche wijsbegeerte (bladz. 37, 38).

Vele historici houden Berkeley voor een fijn en groot denker. Onze

landgenoot Bellaar Spruyt betwijfelt dat. "Hij wordt, dikwijls niet

alleen als een uitstekend mensch, maar ook als een groot wijsgeer

geprezen. Ten onrechte m. i. want die leer stond aan Berkeley

zoo nevelachtig voor den geest, dat men haar nooit in zijn werken

gevonden heeft, voordat Fichte, Hegel en Schelling haar duidelijker

hadden uitgesproken."

§ 50. David Hume.

Uit de ontwikkelingsgeschiedenis van het Menschelijk Denken, Deel 1 van 2 · 第 77 / 105 题