De laatste en de grootste denker uit de rij Bacon--Hume werd den
26sten April 1711 bij Edinburgh geboren. In zijn jeugd toonde hij geen
bijzonderen aanleg. Handel en rechtsstudie liet hij varen. In 1734 ging
hij zich in Frankrijk aan zijn geliefkoosde studie wijden. Resultaat
was zijn in 1739-40 verschenen hoofdwerk: "Verhandeling over de
menschelijke natuur" (Treatise on human nature). Het handelde in drie
deelen over de kennis, de aandoeningen en de moraal. Opgang maakte het
absoluut niet. Dit schrikte Hume niet af. Hij schreef een geschiedenis
van Engeland (1754-'68), waarin hij ook acht sloeg op kunst, wetenschap
en sociale verhoudingen. Verder zond hij een groot aantal "Essays"
in 't licht. In sommige grootere behandelde hij de onderwerpen van
zijn hoofdwerk op een wijze, die ze nader tot het publiek bracht. In
't bijzonder is te noemen zijn: "Onderzoek omtrent het menschelijk
verstand" (Inquiry concerning human understanding). "De "Treatise"
en de "Inquiry" hebben beiden hun geheel eigenaardige verdiensten;
eerst gezamenlijk kunnen zij een denkbeeld geven van de grootheid
van dezen man, voor wiens blik geen feit te onbeduidend, maar ook
geen hypothese te stout of te veelomvattend is geweest." (Heymans).
Zijn Essays verwierven Hume een grooten roem, en toen hij in 1763 als
gezantschapssecretaris Parijs bezocht, viel hem een warme ontvangst
ten deel, ondanks, of misschien juist door zijn eenvoudig, eenigszins
verlegen optreden. In Frankrijk maakte hij met Rousseau kennis, wien
hij in Engeland een toevluchtsoord aanbood. De tot waanzin stijgende
achterdocht van Jean-Jacques maakte aan de verhouding een einde.
Nadat Hume een korten tijd lid van het ministerie geweest was, leefde
hij ambteloos, als geacht en welgesteld burger in Edinburgh. Hij
stierf 1766.
Hume was een ietwat nuchtere natuur, die, trots de fijn- en
scherpheid van zijn denken, trots den moed, om gedachten tot de
laatste consequenties te vervolgen, nooit de practijk geheel uit 't oog
verloor. Ongetrouwd, als vele wijsgeeren, zocht hij in studie en omgang
met eenige vertrouwde vrienden zijn genot. Een dier vrienden, Adam
Smith, zegt dat Hume, voorzoover dat voor menschen mogelijk is, voor
hem vrij wel het ideaal van den wijze naderde. Staat hij "als mensch"
hoog, als denker wordt hij tot de allergrootsten gerekend. Velen
hebben hem bestreden, bijna niemand is zonder zijn invloed gebleven.
Zijn grootste verdienste ligt in de ontdekking van het
causaliteitsprobleem.
Kennisleer.
Hume sluit in zijn kennisleer aan bij Locke en Berkeley, maar trekt
conclusies, die de eersten hadden kúnnen of móeten trekken als gevolg
hunner stellingen en hij ziet een probleem, waar zìj dat niet zagen.
Onze geheele bewustzijnsinhoud bestaat uit impressies en
ideeën. Onder de eerste begrijpt Hume de meer levendige, de
heldere voorstellingen, onder de laatste verstaat hij de flauwere,
de minder levendige. Alle ideeën zijn afkomstig van impressies,
flauwe nabeelden daarvan en verwerkingen. Het verschil tusschen
waarnemings- en herinneringsvoorstellingen ligt voor Hume dus alleen
in den verschillenden graad van levendigheid. Met Berkeley verwerpt
hij het bestaan van algemeene voorstellingen en begrippen en het
stoffelijk substantiebegrip. Loochent Hume eveneens het bestaan eener
buitenwereld? Hij erkent, dat, waar ons eigenlijk niets gegeven zijn
dan onze impressies en de daaruit ontstane ideeën, we geen recht
hebben tot het bestaan eener buitenwereld te besluiten op logische
gronden. Maar... voor onze gedragingen, voor de levenspractijk is
dit noodig en de filosoof, die als zoodanig twijfelt, is de eerste
om zich zelven uit te lachen, als hij tot het practische leven keert
uit zijn theoretische beschouwingen.
Evengoed als het lichamelijke verwerpt Hume het geestelijke
substantiebegrip en gaat daarmee dus een schrede verder dan
Berkeley. Als wij ons zelven beschouwen--of juister, als Hume
zich zelven beschouwt (want hij wil van te voren niet ontkennen
dat zich bij een ander andere toestanden kunnen voordoen) merkt
hij niets dan een of andere geestestoestand, een impressie, een
idee, een emotie. Telkens is die toestand weer anders. Maar van
zichzelven kan hij niets anders vatten. In den slaap zijn ze er
niet, die verschillende bewustzijnsinhouden, maar dan is er ook in
't geheel geen bewustzijn, bestaat hij niet voor zich. Maar achter
al die verschijnselen, achter dien stroom van impressies en ideeën,
bemerkt hij geen substraat, geen geestelijken drager dier functies
geen ik. Onze geest is niet anders dan een bundel impressies en ideeën.
Toch erkennen we in het dagelijksche leven het bestaan eener
geestelijke persoonlijkheid, de identiteit. We nemen aan en moéten dit
voor de practijk (rechtsspraak, handel, afspraak) dat A van voor een
maand een jaar, ook nú nog A is, zij 't met anderen bewustzijnsinhoud.
Eenerzijds geeft de ervaring Hume dus niets anders dan afwisselende,
komende en gaande impressies en ideeën.
Anderzijds wijst de practijk van het leven op identiteit, op een
ikheid.
Hume verklaart zich niet bij machte, om de tegenstrijdigheid, die
hier bestaat, door een bevredigende verklaring op te lossen.
Causaliteitsleer.
Hume voelt dus het groote en moeielijke probleem, dat in de
individualiteit ligt, maar ziet geen kans voor een oplossing. Anders
is het met het causaliteitsprobleem. Hij ontdekt het en geeft een
oplossing, die een menigte feiten kan verklaren en op een uiterst
nauwkeurig, wetenschappelijk onderzoek is gebouwd. Over dit onderzoek
oordeelt Heymans:
"De theorie van Hume is niet slechts wat vele philosophische theorieën
zijn, het werk van een genie, maar ook, wat slechts van weinigen
kan gezegd worden, het werk van een vorscher. Wij hebben hier niet
te doen met een van die zeepbellen van het vernuft, die schoon zijn
om aan te zien, maar uiteenspatten, zoodra zij in aanraking komen
met de harde werkelijkheid: niet met een gelukkigen inval, op den
weefstoel der deductie uitgewerkt tot een schitterende fantasie:--wij
hebben hier te doen met een onderzoek in den besten zin des woords,
met een bewust, geordend, wetenschappelijk onderzoek, steunende op
een breeden grondslag van feiten, en telkens bereid, zijne resultaten
aan nieuwe feiten te toetsen."
De allervoornaamste punten uit Hume's causaliteitsleer volgen hier.
Wanneer spreken wij van twee verschijnselen, A en B als oorzaak
en werking? Ten eerste moeten ze elkaar aanraken in den tijd
en in de ruimte: er moet contiguïteit zijn. Nu schijnt het wel,
dat er soms een afstand is, 't zij naar tijd of plaats. Maar dan
nemen we een middenstof aan, die de werking van A op B overbrengt
of een reeks gebeurtenissen. Als door A B optreedt, dan ligt er,
als ze gescheiden zijn, een keten tusschenbeide, die ze verbindt,
zoodat ze toch contigu zijn.
Verder moet A aan B voorafgaan. (De bewering, dat oorzaak en gevolg
gelijktijdig kunnen bestaan weerlegt Hume. Overigens acht hij dit
voor zijn onderzoek van geen beteekenis).
Naast de contiguïteit komt dus de prioriteit.
Vervolgens is noodig een regelmatig samengaan. Als A er is, moet B
er ook stééds op volgen. Wanneer A optreedt en B soms niet, verhouden
ze zich niet als oorzaak en werking.
De ervaring leert ons dus dit:
We zeggen, dat A en B oorzaak en gevolg zijn, wanneer:
ze contigu zijn,
A aan B voorafgaat,
ze regelmatig samengaan.
Maar--in de causale betrekking zit nog IETS, dat niet in de
ervaring is gegeven. Wanneer we zeggen, dat A oorzaak is van B,
beteekent dit niet, dat B telkens optreedt, als A is opgetreden,
maar dat dit geschieden MOET. Dit element van noodwendigheid, dat
niet in de ervaring is gegeven, en toch in ons bewustzijn bestaat,
moet verklaard worden. Dit is het causaliteitsprobleem.
Hume's oplossing van het probleem (oplossing, die na Kant de meeste
auteurs niet meer bevredigt) sluit aan bij zijn psychologie,
die het verschil tusschen waarnemings-, herinnerings- en
fantasie-voorstellingen in een levendigheidsverschil ziet.
Het is iets heel anders, een voorstelling te hebben dan overtuigd te
zijn, dat iets bestaat, waarvan die voorstelling de vertegenwoordiger
is. Een overtuiging is iets anders dan een voorstelling. De inhoud is
niet verschillend. In 't begrip centaur zijn niet meer kenmerken,
als ik overtuigd was dát 't bestond, dan er nu in zijn. Wat
is dan het onderscheid? Alleen de levendigheid. Een bijzonder
levendige voorstelling is een overtuiging. Vandaar, dat onze
waarnemingsvoorstellingen (die 't helderst zijn) ons overtuiging
geven. Aan 't bestaan van wat gezien en getast wordt, twijfelt
niemand. Minder levendig zijn onze herinneringsvoorstellingen. We
zijn van de existentie van de op hen betrekking hebbende dingen,
minder overtuigd en, als onze herinnering zeer flauw is, kunnen we
niet meer onderscheiden of 't herinnering dan wel fantasie is. Het
minst levendig zijn onze fantasievoorstellingen en hier blijft de
overtuiging uit. Worden echter, door bijzondere omstandigheden,
de fantasievoorstellingen zeer levendig, dan kunnen ze 't
overtuigingsgevoel doen ontstaan: sommige leugenaars gelooven ten
slotte zelf, wat ze zeggen.
Levendigheid van voorstelling bewerkt dus de overtuiging van het
bestaan van iets, waarvan die voorstelling de vertegenwoordiger is.
Dit nu brengt Hume in verband met zijn associatietheorie. Wanneer twee
voorstellingen geassocieerd zijn, dan zal, als de eene waargenomen
wordt, de andere weer zeer levendig in 't bewustzijn treden. Wij
zullen bijv. aan een vroegeren vriend levendig herinnerd worden,
wanneer wij met zijn zoon praten. A en B hebben wij gedurig samen
waargenomen. Zoo spoedig A nu optreedt, wordt de voorstelling van B
zéér levendig, en deze levendigheid is het, die ons de overtuiging
geeft, dat B optreden zal.
Dat wij dus in onzen geest A en B, oorzaak en gevolg, als noodwendig
met elkaar verbinden, ligt in de verwachting dat B zal optreden,
tengevolge van de associatie tusschen beiden, die ontstaat uit de
gewoonte, om beiden te zamen te zien.
Met behulp dezer Causaliteitstheorie weet Hume ook een verrassend licht
te werpen op de gevallen, waarin wij een waarschijnlijkheidsoordeel
uitspreken.
Stellen wij ons een kubusje, een dobbelsteen, voor. Op vier zijden
plaatsen wij een kruisje, op twee een stipje. Wij gooien de kubus op.
Wij weten nu niet wat zal bovenkomen: kruis of stip. Maar de
waarschijnlijkheid, dat kruis boven zal komen, is tweemaal zoo groot
als die, dat stip boven komt.
Hoe is dat te verklaren?
Er is geen vaste associatie tusschen het vallen van den dobbelsteen
en het bovenkomen van een bepaalde zijde.
De levendigheid, waarmee we ons dus het bovenkomen van één zijde
voorstellen, is gering. Maar de vier kruiszijden versterken elkaar
evenals de twee stipzijden dat doen.
De voorstelling, dat er kruis of stip boven zal komen, is dus
levendiger, dan die van één bepaalde zijde. En dat een kruis 't zal
zijn, is weer een voorstelling met grooter kracht dan een stip.
Op deze wijze weet Hume ook een aantal niet logische, maar bijna
algemeen voorkomende redeneeringen te verklaren.
Wij hechten, bij het vormen van een oordeel, meer waarde aan wat wij
zelf beleefd hebben, dan aan wat ons--zij 't ook door nog zoo een
betrouwbaar persoon--is medegedeeld, omdat een impressie altijd veel
levendiger is dan een idee.
Door de opvoeding kunnen bepaalde denkbeelden zoo vast in de ziel
worden gehamerd, dat wij van hun waarheid overtuigd zijn, zonder er
ons ooit op te bezinnen. De telkens terugkeerende herhaling geeft een
groote mate van levendigheid aan deze voorstellingen en doet dus de
overtuiging ontstaan, dat ze een werkelijkheid afbeelden.
Practische filosofie.
Ook voor de moraal, de staathuishoudkunde en de wijsbegeerte van den
godsdienst, bevatten Hume's werken zeer belangrijke aanduidingen of
uiteenzettingen. Wij bepalen ons hier tot korte aanstippingen, den
lezer, die meer over Hume begeert, naar 't helder geschreven werk
van Dr. J. C. Wijnandts Francken verwijzend [76].
Als grondslag der moraal erkent Hume het gevoel. Het medegevoel voor
anderen drijft tot handelingen, die niet rechtstreeksch ons welzijn
beoogen, maar den lust van een ander bevorderen.
Ten opzichte van den godsdienst ontkent Hume dat deze door de rede te
vinden zou zijn, daarmee een der geliefde stellingen van 't deïsme
afbrekend. Belangrijk is, dat hij tracht te geven een geschiedenis
van de ontwikkeling der godsdiensten uit psychologisch oogpunt. Hij
ontkent, dat de afzonderlijke religies ontaardingen zijn van den
eenen natuurgodsdienst, waarover de deïsten zooveel spraken. Hij
ziet in 't polytheïsme veeleer een begin, meent dat een god, van
een bepaalden stam bijv., zich omhoog gewerkt heeft, en dat zoo
't monotheïsme is ontstaan.
Wel hebben de menschen dat strenge monotheïsme later niet kunnen
volhouden en 't op sommige punten weer verzwakt. Niet het inzicht
in den doelmatigen bouw en den samenhang der schepping behoeft de
oorsprong te zijn van het godsbegrip, maar ook de vrees kan gewerkt
hebben.
Hume bestrijdt dus eigenlijk de grondslagen der theorie, opgesteld
door de deïsten. Wat zijn eigen standpunt betreft, hierover is men
niet in 't zekere.
De groote verdienste van Hume is geweest, dat hij het empirisme van
Locke tot consequentie gebracht heeft en met zeer groote scherp-
en klaarheid problemen opgesteld. Maar in zijn leer lag ook een
kiem voor de toekomst; zijn critische richting was noodig, om bij de
rationalistische te komen, teneinde Kant zijn systeem te doen opbouwen.
In Schotland zelf kwam echter na de groote inspanning van Hume
een verslapping. Men beriep zich op het gezond verstand (common
sense), dat ons toch duidelijk leerde, dat ons ik bestond, dat er
een buitenwereld was, enz. Hoofdvertegenwoordiger van deze groep is
Reid (1710-1796). Hij stelde een aantal axioma's op, waaraan niet
te twijfelen was. Maar in die axioma's zaten juist de moeilijkste
problemen verscholen (bijv. de dingen zijn zoo als wij ze waarnemen).
Geheel zonder beteekenis is de periode na Hume niet. In haar vallen
de eerste pogingen om een schoonheidsleer op zielkundigen grondslag te
vestigen. Burke (1728-1797) heeft zich hiervoor vooral verdienstelijk
gemaakt. Energieke pogingen in die richting zullen wij later bij
Gustaaf Theodoor Fechner ontmoeten (Tweede deel). Afzonderlijk
vermelden wij Adam Smith, den grondlegger der staathuishoudkundige
wetenschap.
§ 51. Adam Smith.
Adam Smith, de groote vriend van Hume, werd 1723 te Kirkoldy in
Schotland geboren, studeerde te Glasgow, Oxford, (hier verbood men
hem in Hume's "Verhandeling" te lezen!) was hoogleeraar te Glasgow,
reisde in de zestiger jaren in Frankrijk, waar hij Turgot en Necker,
de groote Fransche financiers leerde kennen, was op 't laatst van zijn
leven in betrekking bij de belastingen te Edinburgh en stierf in 1790.
Smith heeft 'n zeer belangrijk werk geschreven over de zedeleer,
wier grondslag voor hem de sympathie is. Zijn grooten naam dankt hij
echter aan zijn in 1776 verschenen werk, een onderzoek over den aard
en de oorzaken van den rijkdom der volkeren (Inquiry into Nature and
Causes of the Wealth of Nations).
Door dit werk wordt Smith de vader van de moderne staathuishoudkunde,
de stichter van een geheel nieuwen tak van wetenschap.
Tot dusver had men het leven beschouwd uit zedelijk of godsdienstig
oogpunt, of ook wel uit staatkundig. Smith is de eerste, die op het
geheele leven blikt van het standpunt af van goederenvoortbrenging en
verdeeling. Hij is een echt kind van de aufklärung: de bevrijding en
volle ontwikkeling van het individu; het losmaken van oude knellende
banden eischt hij ook op het gebied der staathuishoudkunde.
De mensch begint met den arbeid te verdeelen. Dit komt niet zoozeer
voort uit het juiste inzicht der menschen als wel uit hun zucht
naar ruilen. Is de arbeidsverdeeling eenmaal begonnen, dan gaat zij
steeds door en wordt hoe langer hoe fijner doorgezet. Dientengevolge
leert iedereen zijn werk goed verrichten, doet het vlugger en
produceert meer. Zoo wordt de totale productie grooter en het is de
arbeidsverdeeling in de eerste plaats, die van den natuurtoestand
tot dien der beschaving voert.
Deze verdeeling nu bindt de menschen nauwer aan elkaar; om te bestaan
heeft de een den ander noodig, en ieder enkeling kan omgekeerd
slechts blijven bestaan, als hij iets weet te verrichten dat waarde
heeft voor anderen. Dit is voor hem een prikkel, al zijn krachten in
te spannen, op de meest doelmatige wijze. Wat is voor een bepaald
persoon doelmatig? Dat kan hij, wiens belangen op het spel staan,
wiens bestaan er dikwijls mee gemoeid is, het best zelf beoordeelen,
beter dan een ander.
Ieder individu moet dus vrijheid hebben, maar ook het verkeer der
individuen onderling moet niet gehinderd of belemmerd worden. Vraag en
aanbod regelen de markt wel. De staat behoeft den handel niet na te
gaan. De klanten zijn de beste controleurs van den koopman. Van alle
bemoeiing moet de Staat zich in normale omstandigheden onthouden:
staatsbemoeiing leidt de krachten van hare natuurlijke banen af,
verlangzaamt en belemmert het natuurlijke productieproces. Geen
monopolies dus; voor bepaalde personen of families geen privilegies
[77].
Vrijheid dus. Ieder mag zijn eigen belang op zijn eigen wijze zoeken
(pursue his own interest his own way).
Terwijl nu het individu voor zichzelf waakt en voor zijn eigen belangen
werkzaam is, dient hij dikwijls (door dit woord weg te laten, heeft
men Smith soms onrecht aangedaan) het algemeen welzijn beter, dan
wanneer hij dit opzettelijk had nagejaagd. Smith is er ten innigste
van overtuigd, dat het voordeel, dat de een behaalt, ten slotte ook wel
weer een ander ten goede komt. De vooruitgang der industrie in Engeland
heeft ook het lot der arbeidende klasse aanmerkelijk verbeterd.
Maar er moet niet alleen vrijheid in één staat bestaan: ook
tusschen de staten onderling moet deze gevonden worden. Bij volledige
handelsvrijheid is het voordeel aan beide zijden: kooper en verkooper
trekken beide hun profijt, bijv. bij de verruiling van grondstoffen en
fabrikaten: ieder zet af, wat hij kwijt wil zijn, verkrijgt, waaraan
hij behoefte heeft. Daardoor wordt ook de welvaart van den buurman
ons voordeel, niet ons nadeel. Tusschen de staten onderling komt een
zelfde gunstige verstandhouding als tusschen de groepen in een staat.
Dit beginsel draagt Smith ook over op het gebied der geestelijke
productie. Ook op dit terrein is de concurrentie noodig. Godsdienst,
wetenschap en onderwijs behoeven dien prikkel. In hun aanvangsstadia
zijn de godsdiensten gewoonlijk het best. Particuliere scholen
spannen zich beter in dan openbare. Ook in het geestelijk leven zijn
de levensbelangen der individuen de drijfkrachten van den vooruitgang.
Smith's geheel systeem valt en staat met zijn grondslag dat ieder
individu weet, wat zijn eigen belang is, en daardoor handelt of ook
de macht heeft, om dat te doen.
De leer van de staatsonthouding is in het laatst der 19de eeuw
theoretisch bestreden en practisch in de meeste beschaafde landen
verlaten.
Dit neemt niet weg, dat er in Smith's werk groote gedachten zijn en
bij de beoordeeling moet men zijn tijd niet vergeten: de burgerij
verkeerde onder grooten druk.
Smith is de woordvoerder der spaarzame, nijvere burgerij tegen
verkwistende, hebzuchtige en kortzichtige regeeringen.
Al waren in zijn tijd de eerste stappen gezet op het gebied der moderne
fabrikatie, (1769 de stoommachine door Watt uitgevonden) Smith voorzag
nog niet de moderne groot-industrie. Zoo zag hij geenerlei gevaar
in den invoer van buitenlandsch koren en het zou wegens de hooge
transportkosten een uitzondering blijven!