MANDEVILLE.

Het duidelijkst kwam dit uit in de werken van Mandeville (†

1733), wiens "Zoemende bijenkorf of rechtvaardiging der ondeugd"

oorspronkelijk in de Londensche koffiehuizen te koop werd aangeboden

als een straatliedje, maar die later in zijn "De bijenfabel" een meer

ernstige behandeling der leer gaf. Mandeville's hoofdgedachte is deze,

dat door de menschelijke neigingen als hebzucht, gierigheid, een staat

kan bestaan, omdat zij de grondslagen zijn van de zucht naar bezit.

Een bijenmaatschappij verkeert in een toestand van hoogste bloei en

macht. Alle dieren arbeiden voor de bevrediging der gemeenschappelijke

behoeften. Ongedurigheid, ijdelheid, wellust, bedrog heerschen--maar

bevorderen het algemeene welzijn. Het geheel is een paradijs, juist

door de boosheid der enkelingen. De armen zelfs leven zeer vergenoegd.

Toen kwamen er eenigen, die riepen: "Weg met de ondeugd!" De

grootste bedriegers stemden 't hardst met deze beweging in. De

goden vervulden dezen wensch. De huichelarij verdween. De weelde

eindigde. Veroveringsoorlogen kwamen niet meer voor. De gemeenschap

zorgde voor de armen. Men stelde zich tevreden met inlandsche

voortbrengselen en had geen behoefte meer aan kostbare ingevoerde

waren. Daardoor eindigde de handel. De bevolking nam af. Ten laatste

trok de geheele zwerm zich in een hollen boom terug. Tevredenheid

was er, maar macht, aanzien en heerlijkheid waren verdwenen.

Later heeft Mandeville zich zonder beeldspraak geuit en het onderscheid

tusschen zijn en Shaftesbury's moraal aangewezen. Tegenover

deze loochent hij een den mensch ingeboren gemeenschapszin en

de mogelijkheid eener schoon-goede harmonie. De staat ontstaat

doordat de mensch behoefte heeft aan eten en drinken; doordat hij

eerzuchtig en jaloersch is, doordat hij tot arbeid gedreven wordt,

door de behoefte ontstaat de beschaving. Men moet dus, wil men een

bloeiende gemeenschap hebben, de individueele ondeugden voor lief

nemen, zooals men het slijk in de straten van Londen niet zou willen

zien verdwijnen met den handel der wereldstad. Armoede is ook noodig in

een staat. Philantropie is gevaarlijk. Met de oprichting van scholen

voor armen moet men voorzichtig zijn: wie zullen het slechtste en

minst aantrekkelijke werk doen, als de armen meer verlicht zijn,

dan hun positie eischt? [75]

§ 49. Berkeley.

Uit de ontwikkelingsgeschiedenis van het Menschelijk Denken, Deel 1 van 2 · 第 75 / 105 题