DE ENGELSCHE AUFKLÄRUNG.

§ 46. Joh. Locke.

Leven.

In 1632, zes jaren na Bacon's dood in hetzelfde jaar als Spinoza werd

Locke geboren. Zijn vader gaf hem een goede opvoeding (in vele dingen

later een voorbeeld voor zijn opvoedkundige beschouwingen). Eerst

ging hij naar de Westminsterschool, waar hij te veel met spraakleer

werd geplaagd. Daarna kwam hij op de universiteit te Oxford en

studeerde daar geneeskunde en godgeleerdheid. Het onderricht, nog in

scholastieken geest gegeven, bevredigde hem niet. Het lezen der werken

van Descartes boezemde hem voor de wijsbegeerte groote belangstelling

in en werkte als een openbaring. Nadat hij gezantschapssecretaris was

geweest te Cleef (1664) kwam hij als arts, opvoeder, secretaris, weldra

als vertrouwd vriend in het huis van den lateren graaf Shaftesbury,

die, eerst minister onder Karel II, later valt en in het parlement

hoofd der oppositiepartij werd (Nov. 1673). Met diens val verloor ook

Locke een ambt. Van 1675 tot 1679 reist deze voor zijn gezondheid in

Frankrijk, leert daar zeer vele geleerden kennen, maar schijnt er,

merkwaardig maar niet onbegrijpelijk, niet in aanraking te zijn gekomen

met de bekende Fransche Cartesianen en "de heeren van Port Royal." De

armoede der Fransche plattelandsbewoners maakte een diepen indruk op

den reiziger. Na zijn terugkeer bleef hij niet lang in Engeland. Zijn

meester moest, wegens deelneming aan een complot tegen den Koning,

vluchten (1681). Locke, die waarschijnlijk niet in de samenzwering

betrokken is geweest, gevoelde zich niet veilig en ontweek in 1683

naar ons land. Hij leefde te Amsterdam, Utrecht en Rotterdam, vond hier

een gastvrij onthaal en telde hier vele vrienden, onder wie vooral te

noemen is Limborch, professor aan het Remonstrantsch Atheneum. In 1689

stak Locke weer naar Engeland over met hetzelfde schip, dat ook Maria,

Willems gemalin, naar het vaderland bracht. Bij de nieuwe regeering

stond hij ook in staathuishoudkundige zaken (muntkwestie, kolonisatie,

armenzorg, handel) en als bedreven geneesheer in groot aanzien en

hoewel ze hem een ambt toevertrouwde, dat 1000 pond per jaar gaf,

had Locke tot hooger waardigheden kunnen klimmen, als zijn zwakke

gezondheid hem de Londensche lucht niet ondragelijk had gemaakt, en

hij meer geldgierig en eerzuchtig geweest was. De laatste levensjaren

bracht Locke, die nimmer getrouwd was, te Oates bij Londen door in het

huis van een zekeren Mr. Masham die gehuwd was met een dochter van

den filosoof Cudworth. Hier vond hij een zeer vriendelijk thuis. In

1704 overleed hij.

Locke, een man van zwakke gezondheid, (hij leed aan asthma) wordt ons

geschilderd als een eenigszins bange, vreesachtige persoonlijkheid

van groote liefde voor waarheid en vrijheid, degelijke kennis. Een

scherp en een nuchter denker, met een levendige belangstelling

in godsdienstige vraagstukken. Overtuigd van de beperktheid van

het menschelijk weten en kunnen, raadpleegde hij gaarne vrienden

en verbeterde zijn werk of vulde aan, als hij dit noodig vond. In

den omgang was hij vriendelijk, een man die veel gezien had. Aan

zijn vrienden hing hij met innige gehechtheid. Van kinderen hield

hij veel. Soms tot toorn geneigd, was hij niet haatdragend, maar

vergevensgezind.

Werken.

Van Locke's vrij talrijke werken noemen wij:

a. Onderzoek over het menschelijk verstand, gewoonlijk het Essay

genoemd (Engelsche titel: An Essay concerning human understanding),

Locke's hoofdwerk, dat in de opeenvolgende drukken nog al uitgebreid

werd en door zekere wijdloopigheid en sommige herhalingen zijn

ontstaanswijze verraadt. Een voor een lateren druk bestemd toevoegsel

kwam na den dood van den auteur uit als afzonderlijk werk: "Over

de leiding van het verstand" en bevat vele practische aanwijzingen

over studie-methode.

b. Theologische werken, waaronder De redelijkheid van 't Christendom.

c. Staatkundige werken, waaronder een paar verhandelingen over de

regeering om de revolutie van 1688 te verdedigen en brieven over

de verdraagzaamheid.

d. Opvoedkundige werken. Het bekendst zijn: Gedachten over opvoeding

(1693).

Kennisleer.

Locke's leer heeft twee leidende gedachten, een negatieve: er zijn

geen aangeboren begrippen, een positieve: al onze voorstellingen

stammen uit de ervaring.

Geen aangeboren begrippen.

In onze ziel zijn geen aangeboren begrippen. Dit geldt allereerst voor

de theoretische axioma's, voor de grondwetten van ons denken. Immers

waren ze aangeboren dan zouden ze een ieder bekend moeten zijn en

't eerst verworven geestesbezit. Evenmin zijn ons de grondbeginselen

der moraal ingeboren. Vanwaar anders het enorme onderscheid in

zedelijk oordeel tusschen verschillende menschen, tijden, volkeren en

religie's? En met sommige speciale voorstellingen, bijv. identiteit,

God, substantie is het ook niet 't geval. De weerlegging, dat deze

ingeboren voorstellingen wel ons oorspronkelijk bezit zijn, maar

verdonkerd, geldt voor Locke niet; voor hem is het een ongerijmdheid

van onbewuste voorstellingen te spreken, wat wij ons niet bewust zijn,

bezitten wij niet.

Leibniz' bestrijding.

We zagen, dat Leibniz een bestrijding leverde van Locke's theorie. Voor

den eersten zijn eigenlijk alle voorstellingen ingeboren. De monade

heeft geen vensters. Al haar kennis ontstaat door uitgroeiing van

wat in kiem in haar aanwezig is (bladz. 282).

Maar in 't bijzonder richt Leibniz zich tegen Locke's ontkenning

van wat wij nu noemen de onbewuste voorstellingen. Het is de groote

verdienste van den eerste voor de zielkunde, dat hij dit begrip heeft

ingevoerd. Hij onderscheidt perceptie en apperceptie. De laatste

is het zich bewust worden, de eerste het waarnemen zonder dit. (Dit

woord apperceptie soms in 't Hollandsch toeëigening genaamd, heeft

een veelbewogen leven gehad en er is menige strijd gevoerd over het

begrip apperceptie zoowel op ziel- als opvoedkundig gebied. We zullen

het later weer bij Herbart aantreffen). Er zijn nu mogelijk "petites

perceptions," kleine waarnemingen. We hooren niet het geluid van een

enkel golfje wel het geruisch van de zee. (Vergel. bladz. 32).

Tweeërlei ervaring.

Er is dus voor Locke geen twijfel aan, of al onze aanstellingen stammen

uit de ervaring. Deze is tweeërlei: uitwendig (sensatie) en inwendig

(reflectie). Door de reflectie leeren we bijv. onzen wil, ons geheugen,

en andere psychische verschijnselen kennen. Al onze bewustzijnsinhouden

nu zijn of door rechtstreeksche waarneming ontstaan of ze zijn daaruit

opgebouwd, zooals de taal uit woorden en letters. Locke durft het dan

ook aan, te verklaren, dat de voorstelling, die wij ons, zoo goed wij

kunnen van het Opperste Wezen vormen, ook uit de ervaring komt: "Want

het is de idee van oneindigheid, dewelke gevoegd bij onze ideeën van

bestaan, macht, wetenschap enz., die samengestelde idee vormt, waardoor

wij ons zelven zoo goed wij kunnen, het Opperwezen voorstellen."

Overzicht onzer ideeën.

Alle voorwerpen van ons denken, noemt Locke ideeën. Hij verdeelt ze

naar het volgende schema:

Ideeën:

|

/----------------+-------------------\

Enkelvoudige. Samengestelde.

| |

/----------------+------------------\ /----------+-------------\

Door Sensatie. Door Door Sensatie Modi. Substanties. Relaties.

| Reflectie. en | /--+------\

| Reflectie beide. | Lich. Geestel.

/-----+-------\ |

Door Door /------+-------\

één zin. meer Enkelv. Gemengd.

zinnen.

Onze enkelvoudige ideeën kunnen ons door één zin gegeven worden: kleur,

smaak, tonen, reuk. Andere, waaronder Locke het ruimtebegrip rekent,

stammen uit de waarneming met meer zinnen. De ruimte bijv. nemen we

waar met ons gezicht en onzen tastzin. Door reflectie alleen krijgen

we de ideeën van onze geestelijke vermogens, b.v. waarnemingsvermogen,

geheugen, wil. Door samenwerking van reflectie en sensatie ontstaan

bijv. onze ideeën van kracht, lust, onlust, eenheid, opeenvolging.

Secundaire en primaire eigenschappen.

Door de zinnen nemen wij dus de eigenschappen van de dingen waar. Maar

die eigenschappen zijn tweeërlei: primair en secundair. Grootte,

dichtheid of ondoordringbaarheid (soliditeit), rust of beweging, vorm,

aantal, zijn primaire eigenschappen. Zij komen de dingen werkelijk

toe. Kleur, geur, smaak, tonen b.v. komen de dingen niet toe. Het

zijn slechts de wijzen waarop wij de indrukken, die de beweging der

kleinste deeltjes van een lichaam op onze zintuigen maken, opvatten.

Aan ons idee van rood beantwoordt dus niet in de buitenwereld iets,

dat rood is, maar een beweging, maar aan ons idee van soliditeit

beantwoordt wel een dicht, ondoordringbaar iets in de buitenwereld.

Deze onderscheiding, die Democritus voor den opbouw van zijn

atomistisch systeem van Protagoras overnam (vgl. bladz. 45) en door

Gassendi en Galileï in de nieuwere wijsbegeerte weer werd ingevoerd,

werd door Locke met volle scherpte en klaarheid gegeven. Voor de

physiologie en de psychologie had deze onderscheiding groote waarde.

Zij wees op dit belangrijk probleem. Hoe moeten onze zintuigen gebouwd

zijn om de specifieke gewaarwordingen die wij krijgen, mogelijk te

maken, en welke werkelijkheid, buiten het bewustzijn, komt nu overeen

met onze gewaarwordingen van kleur, smart, geur, tonen, hitte,

koude, gladheid enz.? Voor den physioloog en den psycholoog is de

beantwoording der eerste, voor den natuurkundige die der tweede vraag.

Voor de kennisleer werd deze onderscheiding van minder beteekenis

sedert Kant (vergel. deel II).

Het wezen der lichamen ziet Locke niet, zooals Descartes, in de

uitgebreidheid, maar in de soliditeit. Men kan zich zeer goed ruimte,

dus uitgebreidheid denken, zonder een lichaam, niet omgekeerd.

De complexe ideeën.

Bij het opnemen der enkelvoudige ideeën verhoudt de ziel zich passief,

zij worden haar opgedrongen, zooals beelden aan een spiegel. De ziel

heeft echter ook een actief element; zij kan algemeene voorstellingen

en begrippen vormen, waardoor het mogelijk wordt onder één woord een

groot aantal dingen onder te brengen. Zij kan de elementen afscheiden

en verbinden, en zoo nieuwe voorstellingen vormen.

De samengestelde of complexe ideeën zijn modi, wanneer ze niet

op zichzelf bestaan, maar aan andere dingen worden waargenomen,

zooals bijv. driehoek, dankbaarheid, moord. Zijn ze veranderingen

of combinaties van hetzelfde enkelvoudige idee, dan zijn ze "simple

modes", enkelvoudige modi, zooals dozijn, gros, die niets anders

zijn dan te zamen gevoegde ideeën, van verschillende, afzonderlijke

eenheden. Wanneer ideeën van verschillende soort te zamen worden

gevoegd, dan ontstaan gemengde modi. Schoonheid bijv. is de

samenvoeging van kleur en vorm, in den toeschouwer zeker genot

opwekkend.

De tweede groep der samengestelde ideeën zijn de substanties. Bij

Locke wordt het substantie-begrip tot het substantie-probleem. Wat

de ervaring ons geeft, is niets dan een bundel kenmerken, een aantal

secundaire en primaire eigenschappen. Maar deze eigenschappen schrijven

wij toe aan iets, aan een drager, aan een er aan ten gronde liggend

substraat. Dat onbekende, die X. is de substantie. We weten dus

niet wat het is. Er zit dus iets in het substantiebegrip, waarvan

wij niet weten wat het is, en daardoor wordt het een probleem. Naast

de lichamelijke substanties zijn er geestelijke (onze ziel, hoogere

geestelijke substanties, God). Evenals Locke met Descartes verschilt

ten opzichte van het wezenskenmerk der lichamen, doet hij dit ook met

betrekking tot dat der ziel. Denken geldt hem niet als zoodanig, de

ziel zou dan steeds moeten denken, wat zij niet doet (slaap). Hoewel

hij er persoonlijk toe neigt, dit aan te nemen, mag men niet met

zekerheid zeggen, dat de ziel onstoffelijk is. Het zou kunnen zijn,

dat de Schepper een denkende stof had willen scheppen.

Bij de relaties vragen we niet of zij met de dingen overeenstemmen,

maar of deze dit met hen doen. Bij de relatie oorzaak b.v. vragen wij,

of twee dingen, zich zoo voordoen, dat we ze oorzaak en gevolg kunnen

noemen, of zij dus overeenkomen met een bepaalden verhoudingsvorm.

Kennis.

Na een overzicht gegeven te hebben van onze verschillende

bewustzijnsinhouden, gaat Locke na, welke waarde voor onze kennis

toekomt aan de ideeën en de oordeelen.

Voor de ideeën geldt de volgende indeeling:

Reëel of Ingebeeld.

Adaequaat of Niet-Adaequaat.

Waar of onwaar.

Reëel zijn onze ideeën, als ze met iets in de werkelijkheid

overeenkomen (al onze enkelvoudige dus). Ingebeeld (fantastical) als ze

of uit elkaar uitsluitende elementen bestaat (vierzijdige driehoek), of

een zoodanige combinatie biedt van elementen, als in de werkelijkheid

niet voorkomt (centaur). Van adaequate ideeën spreken wij, als deze

geheel overeenkomen met de dingen, vanwaar de geest ze als afkomstig

veronderstelt. Niet adaequaat, maar wel reëel zijn bijv. de ideeën,

die een leek heeft van rechtsgeleerde begrippen.

Van waar en onwaar kan men eerst spreken, als de voorstellingen

betrokken worden op een bepaald voorwerp. In zichzelf is een idee dus

nimmer waar of niet waar. Zoo spoedig we het met deze termen benoemen,

hebben we eigenlijk geoordeeld, we hebben ontkend of bevestigd.

Onze wetenschap heeft voor Locke geen betrekking op de verhouding

tusschen ding en idee, maar op die der ideeën onderling.

Locke gaat nu uitvoerig na, hoe de verschillende ideeën zijn of

kunnen zijn. De enkelvoudige ideeën verkeeren in 't gunstigste geval:

ze zijn reëel en adaequaat.

Soorten van weten.

Kennis van de dingen zelf hebben we echter niet. Locke bedoelt met

het reëel en adaequaat zijn der enkelvoudige ideeën dus niet, dat

deze overeen komen met de dingen zelf, maar dat zij als regelmatige

gevolgen zijn te beschouwen van de inwerking der dingen op ons. En

daarom mogen we aannemen dat aan die gewaarwordingen een buitenwereld

beantwoordt. Het groote verschil tusschen een waarneming en een

herinneringsvoorstelling, de wederzijdsche steun, die de zinnen elkaar

verleenen, de leed- en lustgevoelens, die met sommige waarnemingen

gepaard gaan, geven ons wel recht om dat te doen. Het zinnelijk

(sensitieve) weten is wel niet absoluut zeker, maar 't brengt toch

tot een zeer groote waarschijnlijkheid, die voldoende is voor onze

practische behoeften.

Zekerder kennis geeft ons het demonstratieve, het bewijzende weten. We

kunnen, van onmiddellijk ingeziene waarheden, voortschrijden tot andere

door tusschen gelegen oordeelen. Het opsporen dezer schakels is soms

zeer moeilijk, van hoog belang echter voor de wetenschap. We hebben

deze kennis van de wiskunde en van de moraal. (Aan de uitnoodiging

van een zijner vrienden, om een dusdanig demonstratief stelsel van

zedeleer te geven, heeft Locke niet voldaan). Ook onze kennis van God

is demonstratief. Toch is deze voorstelling eenigszins anders dan die

der wiskunde of moraal. Aan God komt bestaan buiten ons toe, aan de

wiskunde en de zedelijke grondbeginselen niet. Als zoodanig bestaan

zij nergens anders. De hoogste trap van kennis is de aanschouwelijke,

de intuïtieve. Wij zien bijv. onmiddellijk in, dat een ding niet

tegelijkertijd a en niet a kan zijn.

Vermoeden.

Naast het weten staat het meenen, schemering tusschen nacht van

niet--dag van wel weten. Er is meer of minder waarschijnlijkheid, om

iets aan te nemen. Met een zoo mogelijk gegronde waarschijnlijkheid

moesten we ons in tal van zaken, waar absolute zekerheid niet mogelijk

is, tevreden stellen. Begeerden we deze voor ons handelen, we zouden

dikwijls geen vinger kunnen verroeren.

Omvang van het weten.

Het meenen vult dus het weten aan. De omvang van dit laatste is

zeer beperkt. Het gaat niet uit boven onze ervaring, die wegens de

zwakheid en het gering aantal der zinnen lang niet op al het bestaande

betrekking heeft. Van de te weten dingen hebben wij ook nog maar

voor een gering deel voorstellingen. Bovendien zijn deze niet zelden

onklaar en verward. Om ons weten te vermeerderen, moeten wij dus onze

ervaring trachten te vergrooten en onze voorstellingen verhelderen.

Locke's essay is een belangrijk werk, een ernstige, zij 't niet

volkomen geslaagde poging, om den oorsprong, den omvang en de zekerheid

der menschelijke kennis te onderzoeken en de methode, met behulp

waarvan hij dat doel tracht te bereiken is zuiver wetenschappelijk:

"ontleding der in 't feitelijke denken gegeven voorstellingen in

hare eenvoudigste bestanddeelen, onderzoek naar de wijze waarop deze

eenvoudigste voorstellingen zijn verkregen en de samengestelde daaruit

opgebouwd." (Heymans).

Godsdienst.

Locke is een aanhanger van den christelijken godsdienst. Hij acht

deze niet tegen, maar boven de rede. In godsdienstige opvattingen

echter mag men zich ook laten leiden door zijn rede. Omdat God ons

de openbaring gegeven heeft, behoeven wij het natuurlijke licht niet

uit te dooven. Hij is er een vijand van, de menschen te plagen met

onbegrepen of angstaanjagende dogmata. Godsvertrouwen, geloof in Jezus

als Zaligmaker, een streven naar een christelijken levenswandel zijn

voor hem de hoofdkenmerken der Christelijke leer. Hij gevoelde zich

aangetrokken tot de breedkerkelijke (latitudinarische) richtingen. Een

groot voorstander is hij van verdraagzaamheid. Noch de staat, noch

de kerk heeft het recht, om iemand een geloofsovertuiging op te

dringen. Trouwens men kan een ander wel dwingen, woorden en formules

na te praten, maar het geloof kan men hem niet geven. Slechts waar

de veiligheid van den Staat of het handhaven der goede zeden dit

eischen, mag men bepaalde overtuigingen bestrijden. Daarom eischt

Locke geen verdraagzaamheid voor atheïsten die geen eed kunnen doen

en voor... Roomsch-Katholieken, die aan een Buitenlandsch gezag

zijn onderworpen.

Staatsleer.

Locke verwerpt de absolute monarchie. Wanneer men, om zich te

beschermen tegen elkaar, alle macht in handen geeft van een onbeperkt

heerscher, gelijkt men op hen, die om zich tegen vossen en marters

te beschermen, zich door den leeuw laten verslinden.

Drieërlei staatsmacht is er:

De legislatieve, de wetgevende; de executieve, de uitvoerende; de

federatieve, de macht om verbonden te sluiten, en de verhoudingen met

het buitenland te regelen. De eerste behoort aan de vertegenwoordigers

van het volk. De twee laatsten zijn gewoonlijk in één hand, die van

den vorst. Doch van alle regeering moet het doel zijn het gemeene

best. Zoo een vorst dus niet regeert overeenkomstig het doel van

den Staat, vervalt zijn macht aan het volk. Dat dit tot revolutie

zal leiden, is niet te zeer te duchten. Geen vorst zal gaarne zijn

kroon in de waagschaal stellen, geen volk wordt gaarne uit zijn rust

opgeschrikt door een omwenteling met al haar nadeelen en gevaren.

Opvoedkunde.

Locke's opvoedkundige gedachten zijn van wijdstrekkenden invloed

geweest. Bij Rousseau komen we er op terug, want diens Emile is in

hoofdzaak gebaseerd op Locke's meeningen.

Locke's opvoedkunde geeft reeds in zekeren zin het paedagogisch

ideaal der aufklärungsperiode: de vorming der kinderen tot beschaafde,

zedelijke, wereldwijze menschen.

Er is een zekere nuchterheid in Locke's opvoedkunde, als in al

zijn werken.

Rousseau, heeft ook Locke hem gewezen, waar hij graven moet, graaft

dieper.

Door zijn zakelijkheid, zijn helderheid doet echter Locke's werk

ongemeen aangenaam aan tegenover velerlei fraseologische opvoedkunde.

Locke heeft zonen van edellieden op het oog. Hij verwerpt de scholen

en wil voor elken leerling een opvoeder, opdat de individualiteit tot

haar recht kome. De opvoeder moet een algemeen ontwikkeld, beschaafd,

bescheiden mensch met wereldkennis zijn, in één woord: een voorbeeld

voor een leerling.

Naast de individueele opvoeding legt Locke nadruk op de hygiënische,

waardoor hij groote verdienste heeft voor de lichamelijke

opvoeding. Locke wil een milde tucht, wil het kind de redelijkheid van

gebod en verbod zooveel mogelijk doen inzien, als het ouder wordt. De

opwekking van het eergevoel is van veel belang.

Ten opzichte van het onderricht in de wetenschap merkt Locke op,

dat dit de steun is voor de deugd en noodzakelijk voor 't leven. Meer

waarde komt er niet aan toe. Geen intellectueel onderricht allereerst

om zijn zelfs wil. Het onderricht moet practisch zijn. Het Engelsch,

de moedertaal moet vóór het Fransch en Latijn geleerd worden en de

vreemde talen moeten meer door spreken, dan door grammatica geleerd

worden. Veel meer nadruk dan tot nu toe geschiedde, wordt gelegd op

onderwijs in aardrijkskunde, wiskunde, handelsrekenen, boekhouden,

teekenen, dansen, rijden. Als voorlooper van de voorstanders van

handenarbeid wordt Locke beschouwd, omdat hij eischt, dat de leerling

zich ook een handwerk eigen make.

§ 47. De Deïsten.

Onder dezen naam pleegt men een aantal denkers samen te vatten,

die zich in hoofdzaak met de wijsbegeerte van den godsdienst hebben

beziggehouden en hun voorloopers in Herbert van Cherbury en Locke

vinden. Bij de deïsten is nog zeer veel onderling verschil en in

onderscheidene werken is hun stelsel ontwikkeld. [74] Hier kunnen

alleen de hoofdpunten gegeven worden.

God is.

Er bestaat een Godheid. Dit wordt aangetoond met het

physiko-teleologisch bewijs. Reeds Newton, de groote wis- en

sterrenkundige, had uit de doelmatigheid van de wereld, besloten tot

het bestaan van eene Godheid. Bij de deïsten nu gold in hoofdzaak

dezelfde redeneering. Elk orgaan van het menschelijk lichaam is

wonderfijn gebouwd. De organen sluiten weer aan om het lichaam van

den mensch te maken. 't Klimaat onzer aarde maakt 't mogelijk, dat er

menschen op haar oppervlakte wonen. De planeten bewegen zich in vaste

banen en naar, zooals Kepler had gevonden en Newton nader verklaard,

eenvoudige wetten. Het heelal zoowel als de onderdeelen wees op

een hooge intelligentie, die dit alles had geschapen. Komend op een

onbewoond eiland en daar een kundig geconstrueerde machine vindend,

zou men oogenblikkelijk aan een menschelijk vernuft denken. Zoo moet

de beschouwing van de groote, doelmatige natuur ons ook wel aan de

Godheid doen denken.

Algemeene moraal.

Er is in iederen mensch een natuurlijke zedewet aanwezig. Van nature

weet iedereen, dat naastenliefde plicht is. Het christelijk gebod der

liefde is niet door Christus 't eerst verkondigd: het bestond van de

schepping der wereld af aan: Christendom is even oud als de schepping.

God en de zedewet bestaan. Ziedaar de kern van alle godsdiensten. Dit

is ook van oorsprong de natuurlijke godsdienst der menschen geweest. De

geopenbaarde religies zijn niets anders dan vervalschingen van den

eenen, waren godsdienst. In elken godsdienstvorm kan men die kern

terugvinden. Priesterheerschzucht en priesterbedrog hebben maar al

te veel kwaad gedaan.

God heeft de wereld geschapen met haar eigen wetten. Volgens deze

wetten ontwikkelt ze zich. Het natuur-gebeuren is dus causaal te

verklaren en God grijpt in den loop der natuur niet in. De godsdienst

moet redelijk zijn, het Christendom is niet geheimzinnig. In

verschillende toonaarden komen deze gedachten telkens tot uiting.

De invloed van het deïsme is groot geweest. Bij Rousseau en Lessing

zullen we de nawerking zien. Ook in ons land oefende het zijn

invloed uit. Tot in de 19de eeuw vond men warme voorstanders van den

"redelijken godsdienst."

Vrijmetselaars.

Met de opkomst van het deïsme schijnt samen te hangen die der

eerwaarde vrijmetselaarsloges. Sedert langen tijd bestonden in Engeland

vereenigingen van werkelijke metselaars. Toen deze in verval kwamen,

geraakten sommige menschen op het denkbeeld deze "bouwhutten" om te

zetten in vereenigingen, die verlichting, verbreiding van broederschap

en naastenliefde beoogden. Den 24sten Juni 1717 werden onder leiding

van Anthony Sayer als Groot-Meester de vier overgebleven bouwhutten,

tot zedelijke genootschappen hervormd, vereenigd tot de Groot-Loge

van Engeland.

De stichting van meer loges volgde, ook in ons land (Rotterdam,

b.v. De Drie Kolommen, 21 Aug. 1767). Ook over de andere landen

breidde de beweging zich uit, ondanks vervolging. Nog eischen

sommige loges, dat hunne leden zullen verklaren in God als schepper

en in de onsterfelijkheid der ziel te gelooven. De dogmatische

geloofsverschillen treden echter, overeenkomstig het uitgangspunt,

op den achtergrond.

§ 48. Moraalfilosofie in de 18de Eeuw.

Levendig werden de vraagstukken der moraal behandeld in de eerste helft

der achttiende eeuw, en reeds in het laatste vierde deel der 17de. Men

sluit meestal bestrijdend, bij Hobbes aan. Deze had om de zedeleer

los te maken van de kerk, haar geheel onder den staat gesteld. Hij

had den staat laten opkomen uit het inzicht, dat de oorlog van allen

tegen allen, de natuurlijke begintoestand, dwaas en onvoordeelig,

ook voor 't individu was. De grondslag der moraal was voor hem de

zelfliefde geweest. Hiertegen nu kwamen verschillende richtingen

in verzet, die allen de zedeleer niet uitsluitend willen bouwen

op egoïstische motieven. De eene richting, als de idealistische te

kwalificeeren, en die in Cudworth († 1688) haar woordvoerder vond,

achtte, dat er van nature een idee van goed en kwaad in den mensch

aanwezig was. De grondslagen der moraal zijn eenvoudig, algemeen,

onveranderlijk; niet uit de ervaring, die slechts het bijzondere en

't veranderlijke geeft, kunnen zij stammen. God vond in zijn verstand

de idee van het goede en deze idee plant hij de menschen in.

De tweede strooming zou de logische kunnen genoemd worden en wordt

door Wollaston († 1724) verdedigd. Voor hem valt het goede samen met

het ware.

De bestemming van den mensch is, de waarheid te kennen en die in

zijn daden toe te passen. Goed is een handeling, als zij als een

bevestiging eener waarheid is te beschouwen, slecht, wanneer zij een

waarheid ontkent. Waarom handelt de moordenaar, die een ander het

leven ontneemt, slecht? Omdat hij handelt, alsof hij den gedoode

het leven kan terugschenken. Wie dieren martelt, doet, alsof het

gevoellooze wezens zijn.

Wollaston en de met hem gelijk denkenden probeeren dus, een objectief

beginsel te vinden dat als grondslag der moraal kan dienen: de

waarheid. Veel invloed hadden zij niet. Meer aandacht trok de derde

richting in de Engelsche moraalfilosofie, die wij de aesthetische

kunnen noemen en die wij verbinden aan den naam van den graaf van

Shaftesbury en zeker het schitterendst stelsel van dezen tijd is.

Shaftesbury.

Shaftesbury was de kleinzoon van Locke's beschermer. Hij leefde

van 1671-1713. Hij was naar Locke's beginselen opgevoed en sprak,

al verzette hij zich op sommige punten tegen diens leer, steeds met

eerbied van zijn grooten meester. Naar de beginselen van Locke had

hij zijn vreemde talen sprekende geleerd en zoo was hij uitnemend

thuis in de klassieken.

Er is in zijn moraalsysteem dan ook menige klassieke trek en de

grondgedachte, dat het goede gelijk is aan het schoone is zuiver

Grieksch (vergelijk bijv. bladz. 69).

Het schoone is de harmonie, de eenheid in de verscheidenheid. En

zoo bestaat het goede ook in een harmonie van neigingen: de op eigen

behoud gerichte en de sociale.

We kunnen een mensch goed noemen, als zijn sociale neigingen krachtig,

de egoïstische niet te sterk zijn. Wij hebben het vermogen, om over

onze neigingen na te denken. Het gevoel van goed en kwaad, voor schoon

en leelijk is ons aangeboren, door nadenken en oefening ontwikkelt

zich de smaak op ethisch gebied. Zoo beheerscht ten slotte de rede de

hartstochten, de mensch wordt een "deugdkunstenaar". Zooals het schoone

vreugde bereidt, omdat het schoon is, zoo schenkt het goede voldoening

in zichzelf, niet 't loon mag aanlokken, niet de straf afschrikken.

De gewenschte harmonie nu van neigingen, is niet voor ieder

dezelfde. Bij sommige menschen is de zelfliefde te zwak; dit is

verkeerd, want wanneer men niet voor zichzelf zorgt, is dit slecht

voor de gemeenschap. De mate van geboden zelfliefde hangt ook af van

onze kracht. Bij de meeste menschen echter zijn de sociale neigingen

te zwak. Hoe hooger de menschen stijgen, hoe meer er harmonie komt

tusschen de naasten- en de zelfliefde. Terwijl zij op lager trap van

ontwikkeling zoo hopeloos met elkaar in strijd kunnen zijn, stemmen

zij overeen bij den deugdkunstenaar. Zooals het heelal een schoon,

welgeordend geheel is, waarin het verkeerde wegens zijn kleinheid

verdwijnt, zoo wordt ook de hooge mensch een schoone, welgeordende,

goede ziel. En daarmee en daarin is hij gelukkig. Niet alleen,

dat de deugd ons liefde, achting en hulp van anderen verschaft, zij

geeft ons het gevoel van gerustheid: ons eigen geweten keurt onze

gedragingen goed.

In de leer van Shaftesbury spreekt zich een fijne geest uit. Maar

zij is zeer optimistisch gekleurd. Terwijl deze groote richtingen op

het gebied der zedeleer bestrijdend bij Hobbes aansluiten, vinden de

leerstellingen van Shaftesbury en anderen weer hunne bestrijding en

komt er een zeker pessimisme op tegenover hun optimisme. Gedeeltelijk

verwijst dit pessimisme den mensch naar de religie, gedeeltelijk

komt het min of meer terug tot Hobbes' opvattingen van den oorlog

van allen tegen allen.

Uit de ontwikkelingsgeschiedenis van het Menschelijk Denken, Deel 1 van 2 · 第 74 / 105 题