HOOFDSTUK XIV.

§ 44. Leibniz.

Leven en persoonlijkheid.

Een der meest merkwaardige verschijningen in de geschiedenis der

wijsbegeerte. Na Aristoteles de grootste polyhistor, baanbrekend

niet alleen op het gebied der wijsbegeerte, maar ook op dat der

natuur- en wiskunde. Scherpzinnig denker en toch uiterst meegaand

en verzoenend en van alle nieuwe gedachte die tot hem kwam, eerder

het goede en juiste waardeerend, dan er critiek op uitoefenend. Man

van de wereld, hoffähig, diplomaat, niet ongevoelig voor uiterlijk

eerbetoon en onderscheiding door titels en waardigheid. Altijd in

't practische leven, met tal van plannen in zijn hoofd, en voor de

verwezenlijking er van werkzaam. Toch (op jeugdigen leeftijd al)

bekend met de auteurs der oudheid en der middeleeuwen, als schier

niemand. Maar ook met het wetenschappelijk leven van zijn tijd goed op

de hoogte en in correspondentie met tal van uitnemende geleerden. En

in zijn werken--meest tijdschriftartikelen, kleinere werken, brieven,

nog niet eens alle uitgegeven--een samenvoegen van Grieksche,

Middeleeuwsche, Renaissance gedachten tot een grootsch systeem, een

stoutmoedigen bouw van groote originaliteit, met tal van verzoenende

en bemiddelende elementen; een stelsel, dat zich laat samenvatten in

de woorden MONADENLEER en VOORBESCHIKTE HARMONIE, "begrippen die meer

filosofie inhouden dan menig breed uitgesponnen systeem."

Aanleg en levensomstandigheden werkten samen, om dezen man te vormen.

Gottfried Wilhelm Leibniz werd den 21 Juli 1646 te Leipzig geboren,

waar zijn vader hoogleeraar was. Deze stierf vroeg en de veel aan

zichzelf overgelaten jongen snuffelde graag in vaders bibliotheek. Jong

kwam hij reeds aan de universiteit, studeerde in de rechten, en trad

na zijn promotie in dienst van den keurvorst van Mainz. Eerst moest

hij behulpzaam zijn bij het verbeteren van de wetgeving. Daarna

werd hij met een zending naar Parijs belast, en leerde hier onzen

beroemden landgenoot Christiaan Huygens kennen. Hierdoor ging hij

zich met wiskundige studies bezig houden, die hem later brachten tot

de ontdekking van de differentiaalrekening. In deze tijden houdt hij

zich bezig met de leerstellingen van Spinoza, Descartes, Hobbes. Door

bemiddeling van Tschirnhausen trachtte hij in aanraking met Spinoza

te komen, die hem reeds had leeren kennen als een man "van een vrijen

geest en in elke wetenschap wel ervaren." Toch achtte Spinoza den tijd

nog niet gekomen, om hem zijn Ethica te laten lezen. Die tijd kwam,

toen Leibniz na een vierjarig verblijf (1672-1676) over Engeland naar

ons land reisde, daar twee maanden bleef, en in dien tijd Spinoza

herhaaldelijk bezocht, vaker, dan hij 't later in zijn geschriften wel

heeft doen voorkomen. Uit onderzoekingen is gebleken, dat Spinoza een

grooten invloed uitoefende en diens leer Leibniz voor goed afbracht

van het Cartesiaansch dualisme.

Spinozist was hij echter evenmin als vroeger beslist Cartesiaan

of Hobbist.

In 1676 werd Leibniz bibliothecaris van den hertog van Hannover. Hij

had het zeer druk: "hij had het te druk gehad om te trouwen." Allerlei

werkzaamheden hielden hem bezig. In de Hannoveraansche bibliotheek

is zijn correspondentie met meer dan duizend personen bewaard. Hij

getuigt van zichzelf: "Ik stel onderzoekingen in de Archieven in,

haal oude papieren voor den dag en verzamel ongedrukte oorkonden. In

grooten getale ontvang en beantwoord ik brieven. Zoo veel nieuws

heb ik echter in de wiskunde, zoo veel filosofische gedachten, zoo

vele andere letterkundige waarnemingen, dat ik dikwijls niet weet,

wat het eerst te doen." Daarbij was hij dan nog bezig met allerlei

practische plannen: de vereeniging der Katholieke en Protestantsche

Kerk, die der Luthersche en Gereformeerde daarna. Door zijn bemoeiingen

(hij stond bij den koning van Pruisen in hooge eere) werd de Academie

van Wetenschappen te Berlijn in 1710 gesticht, wier eerste voorzitter

hij was.

Niet te verwonderen is het, dat Leibniz niet de man van één boek

was. Zijn meeningen zijn in verschillende geschriften neergelegd. In

de 19de eeuw zijn zeer goede uitgaven van zijn werken bezorgd

(o. a. door Erdman). Toch zijn de historici het niet eens over alle

onderdeelen van zijn systeem. Hiertoe mag medewerken, dat Leibniz

zich soms meer populair, soms meer wetenschappelijk uitdrukte, soms

in Latijn soms in Fransch schreef, en ook niet geheel zijn leven

dezelfde denkbeelden gehad heeft. Op sommige punten schijnt hij later

wijzigingen aangebracht te hebben, ook met het oog op de verzoening

zijner wijsbegeerte met de kerkleer, welke verzoening hij oprecht

begeerde. Dit verhinderde niet, dat in 't plat duitsch zijn naam

tot Leuve-niks (geloof niets) gemaakt werd en hij in 't laatst van

zijn leven volk en geestelijkheid een ongeloovige scheen. Slechts

weinig menschen volgden in 1716 de lijkbaar van den man, die zijn

levensspreuk: zoo dikwijls een uur verloren gaat, gaat een deel van

het leven te niet, steeds voor oogen had gehouden. Leibniz was een

zachte, opgeruimde, weinig door emoties bewogen natuur, welwillend,

ook tegenover dieren, en wist met ieder, van welke stand, religie,

afkomst of overtuiging ook, innemend om te gaan en zich voor hunne

belangen te interesseeren. Den man, die in de wetenschap zooveel

waarde aan het kleine hechtte, was niet spoedig iets te klein. Zoo is

er ook bij hem, als bij Spinoza een groote overeenstemming tusschen

persoonlijk leven en wetenschappelijke leer.

Monadenleer.

Descartes had naast God twéé substanties aangenomen, wier

wezenskenmerken uitbreiding en bewustzijn waren. Voor Spinoza waren

die twee attributen de wijzen, waarop zich de Eene substantie (God

of Natuur of Substantie) zich aan ons vertoonde.

Voor Leibniz nu is het wezen der substantie niet uitgebreidheid,

maar kracht. Niet, wat uit zichzelf bestaat is een zelfstandigheid,

maar wat uit zichzelf handelt.

Leibniz brengt eveneens een wijziging in de atomistische

theorie. (vergel. bladz. 43.) Dat deze de lichamen opbouwt uit laatste,

niet verder deelbare elementen, acht hij juist, maar hij meent, dat die

eenheden geen stoffelijke lichaampjes moeten zijn, maar onstoffelijke,

wijl een stoffelijk atoom toch steeds in 't oneindige deelbaar gedacht

kan worden.

Deze beide gezichtspunten verbindend, komt Leibniz tot de theorie,

dat de wereld bestaat uit onstoffelijke eenheden wier wezen kracht is.

Deze eenheden noemt hij met een uitdrukking (ontleend aan van Helmont,

zie bladz. 208) monaden.

De monade is een geestelijke eenheid, haar werkzaamheid is

voorstellen. Dit voorstellen kan echter meer of minder duidelijk

geschieden, er zijn veel onbewuste voorstellingen. [71] Zoo is de

geheele wereld een rij monaden. Het laagst staat de anorganische

stof. Het zijn de naakte monaden, hun voorstellingen komen niet tot het

bewustzijn, evenmin als dat bij den mensch in slaap of in een flauwte

geschiedt. Hooger staan de planten: hier werken de voorstellingen,

nog wel onbewust, als vormende levenskracht. Vervolgens komen de

dieren, die reeds gewaarwordingen en geheugen kennen. Het zijn geen

"slapende" maar "droomende" monaden. De mensch heeft rede, hij heeft

het vermogen zich met zijn eigen bewustzijn bezig te houden. De

monade die dit kan, is geen ziel meer maar geest. In elken hoogeren

toestand is de lagere opgesloten: ook bij de monade, die geest is,

blijven vele voorstellingen onderbewust. Alleen in de Godheid zijn

alle voorstellingen helder, bepaald, zij is de hoogste monade. Die

verschillende groepen van monaden zijn niet scherp gescheiden: de

natuur kent geen sprongen, geleidelijk gaat het eene in het andere

over: de schepping vormt een continuüm.

Elk voorwerp zooals zich dat aan ons voordoet, bestaat uit een

verzameling monaden. Is de "doode stof," de anorganische eenvoudig

een opeenhooping van monaden, bij de organische lichamen is er

een centraal-monade, die hooger staat dan de andere. Bij den

mensch is de ziel dit en de andere vormen het lichaam, dat deze

dient. Die andere moeten nu saamgehouden worden, er moeten ook

samengestelde zelfstandigheden zijn. Dit saamhouden geschiedt door den

"substantieelen band" het "vinculum substantiale."

De monade is dus een voorstellende eenheid. Wat stelt zij zich

voor? Het geheele heelal. Elke monade stelt zich, méér of minder

duidelijk, het al voor. Zij is beladen met het verleden, zwanger van

de toekomst. Zooals uit het begrip van een wiskundige figuur alle

hare eigenschappen zijn af te leiden, zoo is ook alles opgesloten in

de voorstellingsinhoud der monade. Van uit dit standpunt vallen tijd

en ruimte weg.

Toch zijn geen twee monaden gelijk. Elke monade verschilt van de

andere. Zooals men een stad van zeer verschillend standpunt kan zien,

zoo ziet elke monade ook het universum van een ander standpunt.

In iedere monade is dus, in beginsel, alle kennis aanwezig. Wel is er

in ieder een streven, om uit den eenen toestand in den anderen over

te gaan, maar dat overgaan in eenen anderen toestand, het krijgen

van andere bewuste voorstellingen komt uit het eigen wezen der monade

voort: DE MONADE HEEFT GEEN VENSTERS. Van buiten kan zij geen invloed

ondergaan. De monade leeft zich uit, en deze kan dus eigenlijk ook niet

geboren worden noch sterven: Geboren worden is "uitgroeiing," sterven

"inwikkeling," terug zinken tot een lager graad. Slechts de mensch

behoudt na zijn dood het bewustzijn zijner zedelijke persoonlijkheid.

Voorbeschikte harmonie.

De monaden werken dus niet op elkaar in. Toch leert ons de ervaring

iets, dat wij aan inwerking moeten toeschrijven. Deze verschijnselen

nu verklaart Leibniz door de grootsche hypothese der VOORBESCHIKTE

OVEREENSTEMMING (harmonia praestabilita). God heeft alle monaden zóó

geschapen, dat de veranderingen in de monaden met elkaar evenwijdig

en volkomen in overeenstemming zijn.

Dit nu kan toegepast worden op de verhouding van lichaam en

ziel. Nemen we nu nog eens weer het ook door Leibniz gegeven

klokkenvoorbeeld. Stel, dat wij twee gelijkgaande klokken zien.

Dan kunnen we aannemen, dat de eene inwerkt op de andere. Dit doet

Cartesius met zijn "influxus physicus," die een invloed van lichaam en

ziel op elkaar aanneemt. Ook is het mogelijk dat een werkman telkens

weer de twee klokken gelijk zet. Dit is de theorie der occasionalisten,

die aannemen dat de Godheid telkens werkend optreedt [72]. Ten

slotte kunnen we aannemen, dat een hoogst bekwaam uurwerkmaker die

klokken van 't begin af zoo nauwkeurig in elkaar gezet heeft, dat

ze voortaan precies gelijk loopen. Dit is de voorbeschikte harmonie

van Leibniz. Deze geeft slechts deze drie gevallen. De oplossing van

Spinoza behandelt Leibniz dus niet.

Theodicee.

Over Leibniz' groote beteekenis voor de natuur- en wiskunde

kunnen wij hier niet spreken. Hij heeft menige vruchtbare gedachte

uitgesproken. Kortelijk moeten wij nog even melding maken van zijn

theodicee, gewoonlijk een van zijn zwakste werken gerekend.

Pierre Bayle (1647-1706), de scherpzinnige schrijver eener historische

critische dictionnaire, mocht gaarne met alle scherpte aantoonen,

dat de geloofswaarheden tegen het verstand ingingen [73]. Zeer oprecht

schijnt hij dan het geloof verder aangehangen te hebben; te heerlijker

verschijnt het, naarmate het meer tegen de rede gaat! Zijn argumenten

maakten intusschen diepen indruk op velen en de koningin van Pruisen

gevoelde zich diep geschokt, toen zij Bayle's opmerkingen over een

werk van Pascal gelezen had. Leibniz kwam er zoo toe, om in 1710

te Amsterdam een verhandeling uit te geven over de goedheid Gods,

de vrijheid des menschen, de oorsprong van het kwaad. Zoo zette

ook hij zich neer, om de oude vraag te beantwoorden: Indien God is,

vanwaar het kwaad, een vraag, die wij reeds bij Böhme (bladz. 226)

ontmoetten en al eerder bij de Grieken.

In hoofdzaak betoogt Leibniz:

God zag oneindig vele werelden voor zich. Hij koos deze, die

bestaat, als de beste. (Vereeniging van Thomismus en Scotismus,

vergel. bladz. 192). Onze wereld is de beste der mogelijke (le meilleur

des mondes possibles).

In deze wereld is er kwaad: metafysisch, physiek, moreel.

Het metafysisch kwaad is noodig, zal de wereld bestaan: een geschapen

wezen kan nu eenmaal niet zonder beperktheid en onvolkomenheid

bestaan. Uitsluitend goden kunnen er niet zijn.

Wat het physieke kwaad betreft, dit is niet zoo groot, als het

gewoonlijk wel lijkt. Wanneer men het goede met het kwade vergelijkt,

dan moet men niet vergeten, dat zeer vele dingen, die men gewoonlijk

niet als een goed aanmerkt (gezondheid bijv.), dit wel degelijk zijn

en eerst bij gemis als zoodanig gevoeld worden. Het kwade kan verder

meewerken tot het goede. Een dapper veldheer wint liever den slag, al

wordt hij gewond, dan dat hij hem verliest, terwijl hij niet gedeerd

wordt. Tegenover de harmonie van het heelal is de hoeveelheid smart

oneindig klein en het is onjuist den mensch als het doel der schepping

te beschouwen en deze van daaruit te beoordeelen.

Uit het zedelijk kwaad kan ook nog het goede voortkomen. Het kwade is

noodzakelijk: geen geschapen schepsel kan zedelijk volkomen zijn. Het

booze is overigens negatie: afwezigheid van goed. In alle handelingen

is kracht, die van God komt, dat is het werkelijk bestaande goede

er in. Het verkeerde voegt de mensch er aan toe, zooals twee gelijk

groote, ongelijk beladene vrachtschepen door de rivier voortbewogen,

aan de rivier dezelfde kracht danken, maar ongelijk vorderen door

ongelijke lading, die in hen zelf ligt, niet aan de rivier.

Ten slotte moet men ook het zedelijke kwaad in samenhang met het

geheel beschouwen: het is een dissonant op zichzelf, maar de wanklank

versterft in de harmonie van het muziekstuk, het booze verdwijnt in

de oneindige harmonieën van het Al.

Samenvatting.

Tusschen Bacon en Leibniz ligt meer dan een eeuw. Vier groote stelsels

zag die tijd.

Uit de ontwikkelingsgeschiedenis van het Menschelijk Denken, Deel 1 van 2 · 第 69 / 105 题