Het Occasionalisme, als een wijziging daarvan.
Het Spinozisme, de leer van het onbekende derde.
Het stelsel van Leibniz: alle bestaande is monade en de monade is
geestelijk.
In Engeland treffen we in Hobbes den vertegenwoordiger van het
materialisme: voor Hobbes is al het bestaande lichaam.
Het is vooral het substantie probleem en in verband daarmee de
verhouding van God en wereld, ziel en lichaam, dat de aandacht vraagt.
Alle genoemde denkers zijn daarbij overtuigd van de mogelijkheid,
om tot een kennis der wereld te komen. In de wiskunde zien zij het
ideaal der wetenschappen en het streven der wetenschap moet, volgens
hen zijn, kennis te geven, even zeker als de wiskunde.
De wijsbegeerte dezer mannen leidt hen met uitzondering van Spinoza,
niet tot een breuk met de kerk of de christelijke geloofsleer:
òf ze meenen, dat geloof en wijsbegeerte kunnen samengaan en
vereenigbaar zijn (Descartes, Leibniz) of ze stellen het geloof naast
de wijsbegeerte, als een zonder nader onderzoek te aanvaarden ding
(Hobbes).
Op psychologisch terrein zijn het meer de gemoedsaandoeningen die
belangstelling wekken.
Met Locke begint een nieuwe tijd, die der verlichting, de
"aufklärung." Achtereenvolgens bespreken wij Locke, Berkeley,
Hume en de Engelsche moraalfilosofen, zien daarna deze beginselen
in Frankrijk verbreid, om ten slotte nog een vluchtigen blik op
Duitschland te werpen.