HOOFDSTUK XII.

§ 42. Spinoza.

Leven en Persoonlijkheid.

Misschien heeft geen land zoo dankbaar te zijn voor de aan Joden

verleende gastvrijheid als Nederland. Dezen hebben onzen handel en

welvaart aanmerkelijk uitgebreid, op het gebied der dicht-, tooneel-

en schilderkunst hebben zij uitgeblonken, zij hebben Nederland zijn

grooten wijsgeer geschonken: Baruch de Spinoza.

Den 24sten November 1632 werd hij uit Portugeesche ouders in Amsterdam

geboren. Zijn eerste onderricht ontving hij van Joodsche geleerden

en naast het Oude Testament leerde hij de Talmud kennen, terwijl hij

met de middel-eeuwsche filosofie van Maimonides en andere Joodsche

denkers (zie bladz. 183) min of meer vertrouwd raakte. Daarna ontving

hij onderricht van een arts, v. d. Ende, die als een vrijgeest bekend

stond en van wien hij misschien nog iets meer dan Latijn geleerd heeft.

Spinoza kreeg in allen gevalle vrije opvattingen, en nadat pogingen

om hem voor de synagoge te behouden, waren mislukt, werd hij in 1656

uit de gemeenschap der Israëlieten gestooten. Hij moest zich--ook de

protestantsche geestelijkheid was hem weinig genegen--een tijdlang

verbergen op een buiten bij Amsterdam. Later ging hij in Rijnsburg

wonen, waar hij, zooals later gebleken is, niet een te eenzaam

leven had, maar met vele geleerden omging. Van Rijnsburg, waar

sedert 24 Maart 1899 het Spinozahuis geopend is (min of meer als een

Spinozamuseum ingericht), ging hij naar Voorburg, en van hier naar Den

Haag. Ook in deze stad telde hij vrienden, o. a. de De Witten. Spinoza

leidde een stil, ingetogen, bescheiden leven, alleen zijn ware geluk

vindend in het zoeken der waarheid. Aan die persoonlijke behoefte

naar helder en klaar inzicht, ontsproot zijn wijsgeerig streven.

Met het slijpen van brilleglazen voorzag hij in zijn onderhoud. In

geldzaken toonde hij zich onbaatzuchtig. Tegenover andersdenkenden

verdroeg hij zich verdraagzaam en welwillend. Hij was voorzichtig

in het uitspreken van zijn meening en toonde zeer weinig

"propagandistischen" aanleg.

In 1670 gaf hij zijn Politiek-Godsdienstig tractaat uit, waarin

hij het opnam voor godsdienstvrijheid, het vrije wetenschappelijke

onderzoek voorstond, dit min of meer toepaste op het Oude Testament

en waarin hij ook het wonderengeloof bestreed. Dit werk gold den

Nederlanders van dien tijd als een kort begrip van de onzaligste

goddeloosheid en de ondervinding met deze uitgave opgedaan, mag er

Spinoza wel mee toe geleid hebben om een professoraat, hem in 1673 te

Heidelberg aangeboden, af te slaan, omdat hij vreesde niet voldoende

leervrijheid--al was hem die beloofd,--te zullen hebben.

Ondertusschen werkte hij voortdurend aan zijn ethica, dat reeds voor

het verschijnen aan sommige vrienden in handschrift bekend was, hoewel

Spinoza zeer voorzichtig was met het ter lezing geven of laten geven.

Den 21sten Februari 1677 stierf hij, als hij geleefd had: kalm en

welgemoed. Zijn levensbeschrijver, de hem zeer vijandig gezinde, maar

waarheidslievende predikant Colerus, loochent de dwaze geruchten, die

omtrent zijn dood in omloop waren, al kon de man zich niet begrijpen,

hoe een vrijgeest zoo eerlijk leven en zoo kalm sterven kon.

De hospita van Spinoza zond na diens dood den lessenaar met papieren

naar Amsterdam, waar onder de hoede van Spinoza's vrienden zijn

"Nagelaten Werken" in November het licht zagen. Het voornaamste deel

is de Ethica, Spinoza's hoofdwerk.

Karakteristiek van het werk.

In Spinoza's systeem loopen al de draden van het denken der 17e

eeuw samen. Bij hem het innige, het mystieke naderende, religieuse

gevoelsleven, bij hem het vertrouwen op de macht der rede, om tot

zekere onbetwijfelbare kennis te komen, bij hem de belangstelling

voor de analyseering van het menschelijk gemoedsleven, de fijne

psychologische blik; bij hem evenmin onverschilligheid voor zedekunde

en staatsleer, bij hem ook op het gebied der natuur een streng

mechanische beschouwing, wars van alle verklaringen uit doelmatigheid.

Zijn leer wordt in de ethica gegeven in den drogen zakelijken vorm

van een meetkundig betoog.

Bepalingen en grondwaarheden gaan vooraf. Stellingen en Bewijzen

volgen, soms voorzien van enkele aanteekeningen en toevoegselen.

"De ethica staat voor ons als een zuiver afgeslepen kristal: we zouden

iets begeeren te weten van het kristallisatieproces."

Niet te verwonderen is het dan ook, dat uitvoerige onderzoekingen zijn

ingesteld omtrent de verhouding van Spinoza tot andere wijsgeeren en

omtrent zijn ontwikkelingsgang. Men neemt wel algemeen aan, dat hij de

Joodsche middeleeuwsche wijsbegeerte heeft gekend en dat--misschien mag

het ook een uiting geweest zijn van zijn semietzijn--hij daar leerde

kennen het streven, om aan alles één groot beginsel ten grondslag

te leggen.

In hoeverre hij Giordano Bruno gekend heeft en hoe ver zich diens

invloed heeft uitgestrekt is niet volkomen zeker te zeggen, al pleiten

sommige overeenstemmingen tusschen zijn eerste geschriften en die

van Bruno voor Spinoza's bekendheid met dezen. Zeer zeker heeft hij

sterk den machtigen invloed van Descartes ondergaan en voor een jongen

vriend, dien hij nog niet in zijn eigen leer wilde inwijden, stelde

hij in 1660 een overzicht van de leer van den grooten Franschman samen.

Een volbloed Cartesiaan is hij niet geweest. Hij heeft de consequenties

van wat Descartes had gezegd, met groote koenheid getrokken.

"Spinoza is niet zooals Descartes en Leibniz, een vindingrijke,

impulsieve, maar een stelselmatige denker; zijn sterkte is niet de

geniale inval, maar het volhardende doordenken, niet de plotseling

opkomende gedachte, maar de streng gesloten kring van denkbeelden."

Welken invloed hij dus ook van anderen ondergaan heeft, hij heeft

het verwerkt als zijn eigen; het overgenomene werd materiaal voor

het gebouw, dat voor zijn denkbeelden opgetrokken werd en welks

oorspronkelijkheid er niet minder op werd, dat er steenen, van elders

aangehaald, voor gebruikt werden.

Leer.

Descartes had eene scherpe scheiding gemaakt tusschen God en wereld,

lichaam en ziel. Hij had de inwerking dier beiden laatsten op elkaar

als feit erkend. Hij had ze echter niet kunnen verklaren. Zijn

navolgers en leerlingen zijn met het probleem bezig geweest en de

occasionalisten hebben het vraagstuk opgelost, door de inwerking

te ontkennen en het samengaan van lichaam- en geestesverschijnselen

terug te brengen tot Gods wil.

Ziel en lichaam.

Voor de metafysica ligt Spinoza's groote beteekenis in de wijze waarop

hij dit vraagstuk oploste. Men kan deze leer "de leer van het onbekende

derde" noemen.

Stel, zoo zouden wij deze leer op meer moderne wijze kunnen voordragen,

dat er een voorwerp met twee wijzerplaten is. De eene wijzerplaat wordt

door den wijzer in 24 uur doorloopen, de andere eveneens. De beide

wijzers staan dan steeds gelijk. Met den stand van den eersten komt

steeds een bepaalde stand van den laatsten overeen. Wij zien dat ding

met de twee wijzerplaten herhaaldelijk en merken telkens de met elkaar

correspondeerende wijzerstanden op. We kunnen nu op het denkbeeld

komen, dat al deze standen veroorzaakt worden door één uurwerk, dat er

binnen in zit. Over den aard van het onbekende derde zouden we eenige

vermoedens kunnen opstellen, gebouwd op de waarneming der wijzers.

In de werkelijkheid zijn ons een reeks stoffelijke en geestelijke

verschijnselen gegeven, die gestaag met elkaar correspondeeren;

aan een bepaald geestelijk proces beantwoordt een stoffelijk. Voor

Descartes waren het werkingen van twee, onafhankelijk van elkaar

bestaande zelfstandigheden, voor Spinoza waren het de verschillende

werkingen, de openbaringsvorm van één substantie. Zooals het eene

uurwerk zich in de beide verschillende wijzerstanden openbaart,

zoo openbaart die eene substantie zich aan ons op twee wijzen, in

stoffelijk en geestelijk gebeuren, in uitbreiding en denking.

Blijven we nog even bij onze vergelijking.

We zouden ons kunnen denken, dat het uurwerk nog tal van wijzers in

beweging bracht, aan onze waarneming onttrokken. Zoo neemt Spinoza

aan, dat die eene substantie nog vele openbaringsvormen heeft, ja,

een oneindig aantal, die onze waarneming ontgaan.

God en wereld.

Van oudsher is het bij de wijsgeeren gebruik geweest, om de hoogste

werkelijkheid, de laatste grond voor het zijnde, God te noemen en

zoo noemt Spinoza de substantie God. (God of substantie). Hij gaat

verder. God is het geheel der dingen, al wat bestaat, de Natuur. En

zoo komt hij tot God of de Natuur.

Cartesius had bijna den stap gedaan: God of substantie, maar toch

ook aan lichaam en ziel een eigen bestaan toegekend en ze substantie

genoemd.

Bruno was er dicht bij geweest, God en natuur te vereenzelvigen.

Spinoza stelt: Substantie of God of Natuur. Verder gebruikt hij

de terminologie van Descartes. Denken en uitbreiding zijn de ons

geopenbaarde Attributen der Godheid.

Naast de attributen staan de modi. Het zijn de wijzigingen in het

bestaande, de bestaanswijzen. Willen b.v. is een modus van het denken,

grootte een van de uitbreiding. "Onder modus versta ik wijzigingen

in een zelfstandig bestaan of wel datgene, wat in iets anders is en

daardoor dan ook moet begrepen worden." Zooals de enkele figuren,

de driehoek, de kubus, etc. in de ruimte zijn, zoo zijn de modi in

het attribuut.

De wereld is dus niet een schepping van God, maar een modificatie

van zijn eigen wezen. En zooals wij, wanneer we de ruimte kennen,

daaruit de meetkundige eigenschappen kunnen afleiden, zoo ligt in

de Godheid de kennis van alle verschijnselen. Deze kennis is er dus

logisch uit af te leiden.

De Godheid is dus niet oorzaak in onzen modernen zin: een werking,

die aan eene andere voorafgaat, en deze laatste teweegbrengt. Bij

Spinoza evenals bij Descartes moeten wij onder oorzaak grond verstaan.

Beschouwen wij de verschijnselen sub specie aeternitatis, onder

het gezichtspunt der eeuwigheid, dan valt het tijdsverschil weg:

de werking is niets anders dan de logische gevolgtrekking, uit de

oorzaak getrokken, zooals uit het begrip driehoek b.v. voortvloeit,

dat de som der hoeken 180° is.

Psychologie.

Voor de psychologie heeft Spinoza zich verdienstelijk gemaakt door eene

fijne beschouwing en behandeling der verschillende gevoelens. Het

behoort tot het voortreffelijkste, wat hij en wat de zielkunde

gepresteerd heeft. Op drie punten geeft hij gewichtige beschouwingen,

die ook in de huidige zielkunde beteekenis hebben.

Allereerst leidt hij de gevoelens af uit onze zucht tot zelfbehoud:

"Elk ding tracht zooveel als in zijn vermogen is, in zijn bestaan

te volharden." Dit stemt overeen, met de biologische beteekenis,

die wij thans het gevoel toekennen: leed ontstaat, wanneer onze

levensverrichtingen belemmerd worden, lust in het tegenovergestelde

geval.

Vervolgens stemt, met wat wij de contrastwerking der gevoelens

noemen, zijn beschouwing overeen, dat de overgang van een ongunstigen

toestand in een gunstigen toestand met lust, van een gunstigen in

een ongunstigen met leed is verbonden.

Opmerkelijk is ook, dat Spinoza de aandoeningen tot een drietal

terugbrengt: begeerte, lust en leed en de verschillende soorten

aandoeningen nu laat ontstaan, door dat streven, blijdschap en

droefheid zich met verschillende voorstellingen verbinden. "Behalve

deze drie ken ik geen hoofdaandoeningen en in hetgeen hier volgt,

zal ik aantoonen, dat alle overige voortvloeien uit deze drie."

Naast deze uitspraak van Spinoza is het treffend b.v. Jodl [69]

te hooren zeggen: "Wat zich buiten dit (lust en leed) in het

bewustzijn als verscheidenheid van gevoel aankondigt, behoort niet

tot het gevoelsverschijnsel als zoodanig, maar is bepaald door

de verscheidenheid der--elementen,--waarmee de gevoelens in het

bewustzijn optreden."

Spinoza leidt nu de verschillende gevoelens op b.v. de volgende wijze

af: "Droefheid, gepaard met de voorstelling van ons onvermogen, wordt

deemoed geheeten, terwijl de blijdschap, die uit de beschouwing van

ons zelf ontstaat zelfgenoegzaamheid of tevredenheid met zichzelf

wordt genoemd."

Van groote beteekenis is nog het uitgangspunt van Spinoza bij de

behandeling der aandoeningen: hij staat er niet als een zedemeester,

goed- of afkeurend tegenover, maar wetenschappelijk, objectief: hij wil

ze beschrijven en onderzoeken. "Ik zal de daden der menschen en hunne

begeerten geheel en al beschouwen, alsof er sprake was van lijnen,

vlakken of lichamen."

Zoo heeft Spinoza wezenlijk meegeholpen om een zakelijke studie

der menschelijke gevoelens en neigingen mogelijk te maken, wat voor

sommige practische wetenschappen (rechtsgeleerdheid, paedagogiek)

onontbeerlijk is.

Spinoza is beslist determinist. Hij ontkent niet het gevoel van

vrijheid, dat men heeft. Een voortgeworpen steen, die bewustzijn bezat,

zou, hoewel zijn loop precies bepaald is, ook meenen, vrijwillig, naar

eigen wil te gaan, in de richting, waarin hij gedreven wordt. Maar

dit subjectieve vrijheidsgevoel is geen bewijs tegen het determinisme.

Ethica.

Aan de ethiek heeft Spinoza groote waarde toegekend en voor

zeer velen heeft het Spinozisme juist als levensleer zijn groote

aantrekkelijkheid. Grondslag der ethiek is de zucht tot zelfbehoud.

"Elk ding tracht, zooveel in zijn vermogen is, in zijn bestaan te

volharden."

Het streven van ieder ding, om zich in zijn bestaan te handhaven,

is niet anders dan het werkelijk wezen van zulk een ding. Bij deze

stellingen sluiten zich aan deze uitspraken:

"Niemand kan wenschen gelukkig te zijn, goed te handelen en wel te

leven, of hij moet tegelijkertijd wenschen te zijn, te handelen en

te leven, d. i. inderdaad te bestaan.

Er is geen deugd denkbaar, die hieraan voorafgaat (namelijk aan het

streven om zijn bestaan te handhaven)."

Dit grondbeginsel leidt Spinoza echter tot een meer verheven zedeleer,

dan zich op het eerste gezicht zou laten verwachten. Hij stelt

wil en verstand gelijk. "Er bestaat in onze ziel geen wilsuiting,

in bevestigenden of ontkennenden zin, behalve die, welke in de

voorstelling als zoodanig ligt opgesloten," zoo luidt stelling 49

(tweede deel ethica) en als gevolg dier stelling wordt gezegd:

"Wil en verstand zijn een en dezelfde zaak."

Als dan wil en verstand een zijn, dan is waarlijk deugdzaam handelen

ook niets anders dan volgens de voorschriften der rede te handelen,

te leven, zijn bestaan te handhaven. Maar om naar de rede te leven,

moeten wij kennis hebben van de voorstellingen, wij moeten ons laten

leiden door volkomen begrepen beweegredenen. Dit is het eenige doel,

dat zich de rede stelt, de dingen te begrijpen en wat daartoe niet

dienstig is, wordt niet van belang geacht. En goed is dus alleen

iets, wat ons verstand verheldert, kwaad wat ons verhinderen kan

de dingen te begrijpen. Voor Spinoza vloeit dus deugd en inzicht

samen, zijn zedeleer is intellectualistisch. Maar hij weet deze

intellectualistische ethiek in verbinding te brengen met zijn innig,

diep religieus gemoedsleven.

Volledig is onze kennis, als wij de objecten onzer voorstellingen in

samenhang met het geheel zien. Het hoogste goed der ziel is de kennis

van God en de hoogste deugd der ziel is God te leeren kennen.

Met die hoogste kennis moet ook de hoogste vreugd gepaard gaan. Wij

verheugen ons in wat wij klaar en helder begrijpen onder het

gezichtspunt der eeuwigheid. Hoe meer wij in die kennis vorderen,

hoe gelukkiger wij ons achten. Als oorzaak dier kennis beschouwen

wij God, want de ziel, die zich zelve en het lichaam in het licht

der eeuwigheid spant, weet dat zij in God is en uit God verklaard

kan worden. Wij hebben dus blijdschap (de vreugde over de kennis)

en daarmee verbonden de gedachte aan een oorzaak.

"Liefde is blijdschap, gepaard met de gedachte aan een ding buiten

ons." Zoo ontstaat als hoogste de geestelijke liefde tot God (amor

intellectualis dei). Dit is het hoogste, waarnaar de mensch moet

streven, deze liefde moet ons meer dan iets anders vervullen, zij

schenkt ons de grootste zielerust. Wel doen en blij zijn is de taak

van den door de Rede geleiden mensch en over niets denkt hij minder,

voor niets is hij minder bevreesd dan voor den dood. Deze geestelijke

liefde tot God is de zaligheid. Deze is dus niet het loon der deugd,

de deugd zelve is ze.

Zoo heeft dus Spinoza, uitgaande van het beginsel, dat de zucht

tot zelfbehoud grondslag der zedeleer is, op den bodem eener

intellectualistische moraal een verheven zedeleer gevestigd.

Staatsleer.

In zijn staatsleer, waarin hij op menig punt aansluit bij Hobbes,

hoewel hij veel meer dan deze voor de democratie gevoelt, gaat

Spinoza ook uit van een naturalistischen grondslag. De mensch, niet

door de rede geleid, speelbal van zijn hartstochten, wil zichzelve

handhaven, wil zijn eigen belangen, die dikwijls tegenstrijdig zijn

aan die van een ander, behartigen. Hoe is het nu mogelijk, dat de

menschen onderling elkaar met rust kunnen laten? Dit kan doordat elke

hartstocht bedwongen kan worden door een anderen hartstocht, sterker

dan die, welke bedwongen moet worden, en omdat ieder zich onthoudt een

ander mensch kwaad te doen, indien hij vreest, zichzelf nog grooter

nadeel te berokkenen. Op dezen grondslag zal dus eene maatschappij

gevestigd kunnen worden, indien zij slechts het recht, dat ieder

heeft om zich te wreken en te oordeelen over goed en kwaad, zichzelve

voorbehoudt en daardoor de macht verkrijgt een algemeene zedeleer voor

te schrijven, wetten te maken, en die wetten niet door de rede, maar

door strafbedreigingen te handhaven. Zulk een gemeenschap nu, gegrond

op wetten en op de macht, om zich te handhaven, wordt Staat genoemd,

en zij, die door dit Staatsgezag beschermd worden, Staatsburgers. Dat

Spinoza volkomen godsdienstvrijheid wil, werd reeds opgemerkt.

Aan het staatsleven kende hij groote beteekenis toe. De waarlijk

vrije mensch zal niets voor zichzelf begeeren, wat hij anderen ook

niet toewenscht. De door de Rede geleide mensch werkt dus tot heil

van den Staat. Hij zal ook liever in gemeenschap leven dan eenzaam.

Invloed.

Een enkel woord over de waardeering van Spinoza. Tijdens zijn

leven waren er trouwe jongeren en ook na zijn dood oefende in ons

land zijn leer veel invloed uit. Herhaaldelijk vonden orthodoxe

predikanten gelegenheid anderen te verketteren wegens Spinozistische

beginselen. Door den tijdgenoot werd Spinoza echter over 't geheel

niet begrepen. Wij zagen reeds hoe Malebranche hem den ellendigen

Spinoza noemde en ook andere denkers wilden graag vooral doen uitkomen,

dat hun leer verschilde van dien van Spinoza, den "Atheïst."

In het laatst der 18de eeuw begonnen verschillende dichters in

Duitschland hun aandacht aan Spinoza te schenken. Goethe gewaagt met

zeer groote waardeering van hem en op Goethe's opvattingen heeft

de studie van Spinoza's ethica grooten invloed gehad, en menige

wijsgeerige gedachte in de werken van den grooten dichter wijst terug

op den stillen denker.

In de 19de eeuw steeg Spinoza in de waardeering der

wijsgeeren. Uitnemende onderzoekingen werden aan zijn leer, zijn

geschriften gewijd.

Land, in leven hoogleeraar in de wijsbegeerte te Leiden en de

letterkundige Van Vloten, bezorgden een Latijnsche uitgave van al

zijn werken. Voor de populariseering zijner denkbeelden is krachtig

werkzaam Dr. W. Meyer, zoowel door zijn vertalingen van Spinoza's

werken [70] als door zijn lezingen over den wijsgeer in verschillende

steden. Dr. D. Bierens de Haan gaf een levensleer naar Spinoza. Over

Spinoza en zijn kring schreef Dr. Meinsma.

De Duitsche Spinoza-kenner is de pas overleden hoogleeraar Freudenthal.

Onder onze jongere kunstenaars vindt de Spinozistische leer veel

belangstelling. Van Eeden en Gorter zijn hier o. a. te noemen. De

laatste gaf in zijn "School der Poëzie" een reeks van verzen,

meerendeels sonnetten: Spinoza's leer. De stichting van het Spinozahuis

werd reeds gemeld. Bij de opening sprak prof. Bolland de feestrede

uit. Sedert 1880 heeft Den Haag op de Paviljoensgracht een standbeeld

voor den wijze, de lectuur van wiens werken "een bad moest zijn,

waarin elk beginnend beoefenaar der wijsbegeerte gedoopt moest worden."

Uit de ontwikkelingsgeschiedenis van het Menschelijk Denken, Deel 1 van 2 · 第 67 / 105 题