MALEBRANCHE.

Naast Geulinx wordt, als de grootste der Cartesianen Nicole Malebranche

genoemd.

Hij werd in 1638 uit een hooge Fransche beambtenfamilie geboren,

kwam in 1660 in het Oratorium. [68] Zijn zwak gestel deed hem de

rust der studiecel lief krijgen. Doordat hij toevallig met een werk

van Descartes in aanraking kwam en er ten zeerste door geboeid werd,

wijdde hij zich verder aan de studie der wijsbegeerte, die hij ten

nauwste met de religie trachtte te verbinden. Evenals Geulinx was

hij veel meer mystiek gezind dan de rationalistische leermeester. Tot

op hoogen leeftijd bleef Malebranche frisch van geest. Hoe zeer het

occasionalisme in het Cartesianisme opgesloten lag, blijkt misschien

wel uit het feit, dat Malebranche er toe kwam, zonder Geulinx of diens

voorgangers te kennen. De belangrijkste werken van Malebranche zijn:

"Onderzoek naar de waarheid," en "Gesprekken over de metafysica."

Malebranche wil beginnen met na te gaan wat de oorzaken zijn van

dwaling en hoe wij ons verstand kunnen louteren.

Dwaling spruit allereerst hieruit voort, dat de mensch het getuigenis

der zinnen voor waarheid aanneemt. Zij leeren ons wel, hoe wij ons,

met 't oog op de praktijk moeten gedragen, en als zoodanig zijn

't vertrouwbare raadgevers. Maar bedriegelijke getuigen zijn het,

als ze ons over de waarheid moeten inlichten. Niet, hoe de dingen op

zichzelf zijn, leeren zij ons; kleur, warmte, koude, zijn eenvoudig

indrukken die wij van de dingen krijgen, maar ons niets zeggen,

omtrent het wezen der dingen zelf.

Verder ontstaat de dwaling uit onze hartstochten. Door deze komen

wij tot een eenzijdige opvatting der dingen.

Welke is dan de weg, om tot ware kennis te geraken? Alleen hierdoor

kunnen wij iets weten, dat wij de dingen in God zien. Van de dingen

zelf krijgen wij alleen kennis door middel van de ideeën, die van

hen in ons bewustzijn aanwezig zijn. Zélf kunnen wij die ideeën niet

voortgebracht hebben. De dingen evenmin. Dan zouden zij de oorzaak

der ideeën moeten zijn, en geen ding kan eerste oorzaak zijn: dat

is iets goddelijks. Wat wij menschen oorzaak noemen, is slechts de

gelegenheidsoorzaak. Treft een bewegende bol een tweede, waardoor ook

deze in beweging geraakt, dan is zij daarom nog niet de oorzaak van

de beweging dier tweede. Noodzakelijke samenhang tusschen die twee

verschijnselen bestaat niet, al zien wij ze herhaaldelijk optreden. De

oorzaak der beweging is God. Deze is eveneens de oorzaak van het

verloop der geestelijke processen. Het verband tusschen stoffelijke en

geestelijke verschijnselen is dus absoluut geen causaal verband. Het

berust op Gods wil. En zooals de religie slechts één God kent, zoo

kent de echte wijsbegeerte niet meer dan één oorzaak.

Ieder mensch staat met God in onmiddellijke verbinding. Deze is de

"plaats aller geesten." In God zijn de voorstellingen der geschapen

dingen voorhanden en door middel van onze verbinding met God zien

wij de voorstellingen en daardoor de dingen.

Dat zijn leer tot die van Spinoza zou kunnen voeren, of er mee gelijk

zou zijn, heeft hij zeer uitdrukkelijk bestreden, en hij heeft veel

moeite gedaan om de verschilpunten aan te wijzen tusschen zijn leer

en dien van "den ellendigen Spinoza" zooals hij hem noemt. Hij wijst

daarbij op 't volgende: Spinoza: God is in het al, hij: Het al is in

God. Spinoza loochent de schepping, hij neemt een aan. Voor Spinoza is

er één geheel, denken en uitbreiding zijn attributen van een zelfde

zijnde, hij onderscheidt de geschapen wereld der dingen scherp van

de wereld in God, van de intelligibele wereld.

Evenals bij Geulinx loopt ook bij Malebranche de ethiek evenwijdig aan

de metafysica. Zooals al ons denken op onze verbinding met God berust,

zoo gaat al ons streven naar God: in de vereeniging met Hem ligt het

ware geluk. Hij heeft de behoefte aan geluk in ons nedergelegd. Zooals

wij op 't gebied der kennis de gelegenheidsoorzaken verkeerdelijk voor

de ware houden, zoo nemen wij ook niet zelden een goed van geringer

en voorbijgaande waarde voor 't ware en hoogste goed.

Uit de ontwikkelingsgeschiedenis van het Menschelijk Denken, Deel 1 van 2 · 第 66 / 105 题