Arnold Geulinx, uit katholieke ouders in 1623 te Antwerpen geboren,
werd professor te Leuven. Vandaar ging hij naar Leiden, ging daar over
tot het protestantisme en werd hoogleeraar. In 1669 stierf hij. Zijn
voornaamste werken zijn z'n Ethica (volledige uitgave in 1675) en
zijn na zijn dood verschenen Metafysica (1695.)
Geulinx gaat ook uit van de gewisheid van ons bewustzijn. Maar
hij stelt er naast: dat, waarvan ik niet weet, hoe 't geschiedt,
doe ik ook niet. Hoe wil ik nu weten, dat de lichamelijke beweging
wordt veroorzaakt door een geestelijke verrichting en omgekeerd? Het
kind in de wieg, dat na zijn schreien door de moeder gewiegd wordt,
kan met 't zelfde recht meenen dat hij, met zijn schreien, de wieg
in beweging brengt. Men kon zich wel evengoed verbeelden de Ilias
geschreven te hebben. Neen: ik doe het niet, Gód doet het. Krijg
ik een gedachte, wil ik een der ledematen bewegen dan veroorzaakt
God bij occasio, bij gelegenheid van mijn gedachte de lichamelijke
beweging. Omgekeerd. Bij gelegenheid, dat een prikkel mijn oog treft,
verwekt God een gewaarwording of voorstelling.
Dit is de leer van het occasionalisme. Geulinx vat die leer nu zoo
op, dat God zulke wetten heeft gegeven voor de beweging der stof dat
deze overeenkomt met den vrijen wil van den mensch. Zoo kunnen twee
klokken tegelijk slaan, niet omdat zij op elkaar inwerken, maar omdat
zij van te voren zóó door een uurwerkmaker vervaardigd zijn, dat zij
precies denzelfden gang hebben. Naast dit beroemde voorbeeld geeft
hij een ander. Voor geld kan ik mij spijzen en kleeding verschaffen,
niet door de natuurlijke kracht van het geld, maar doordat dit,
door menschelijke instelling waarde vertegenwoordigt. Eveneens nu
veroorzaakt een stoffelijke beweging geen gewaarwording door eigen
kracht, maar door goddelijke instelling en goddelijk besluit.
In verband met deze metafysische opvatting staat Geulinx' ethica. Niet
het streven naar geluk is voor hem grondslag der zedeleer, maar het
zich buigen voor Gods wil, het doen van zijn plicht. Naast de stelling
der metafysica wat gij niet weet, dat doet gij niet, staat die der
ethiek, waar gij niets doet, zijt ge niets waard, zult ge niets willen.
Op niets heb ik dus recht dan op het doen van mijn plicht. Misschien
echter wordt daardoor mijn geluk nog wel het meest bevorderd. Voor
de fiere individualiteit der renaissance, is de zachte deemoed
gekomen. In de politiek had de 17de eeuw zich leeren buigen voor de
absolute monarchie, [66] een parallel vinden wij in de ethiek.
Naast Geulinx mag onder de Hollandsche Cartesianen genoemd worden
Balthasar Bekker, die door zijn werk: De betooverde wereld, zeer
krachtig bijdroeg tot de bestrijding van het geloof aan heksen, spoken,
enz. Bekker was in Metslawier geboren, was op verschillende plaatsen
predikant, werd in 1679 te A'dam beroepen, gaf zijn boek van 1691-'94
uit, geraakte in strijd met de kerk. In 1692 van zijn ambt ontzet,
stierf hij in 1698. [67]