HOOFDSTUK XI.

§ 40. Descartes.

Inleiding.

Descartes staat aan den ingang der Nieuwere Wijsbegeerte als de eerste

groote stelselbouwer.

Nadat de renaissance voorbij was, trachtte men tot rust te komen. Er

openbaarde zich een streven, afsluitende stelsels te vinden, gebouwd op

beginselen, die zelf zeker en onomstootbaar waren. De vragen naar goed

en kwaad traden op den achtergrond, ook de kennistheorie stond niet op

den voorgrond. Dat waren de problemen der 18e eeuw. De 17e hield zich

bezig met de vraag naar de verhouding tusschen God en wereld en wijdde

haar aandacht aan verhouding tusschen geest en lichaam. Zij stond voor

het probleem, of mensch en wereld als veelheden of als eenheden op te

vatten waren. In de staatkundige ontwikkeling dier dagen, het ontstaan

der absolute monarchie, 't streven naar een centraal gezag, vinden we

van het filosofische streven een merkwaardige parallel. Frankrijks

groote denker Descartes geeft de lijnen aan, waarlangs dit denken

zich meer dan een eeuw zal bewegen.

Leven.

Hij werd in 1596 31 Maart te la Haye in Touraine geboren uit

een adellijk geslacht. Als kind was hij lichamelijk zwak en zeer

weetgierig. In het beroemde Jezuïetencollege la Flèche genoot hij

zijn opleiding. (De Jezuïeten hebben zeer besliste verdiensten

voor 't onderwijs gehad; vooral in den tijd van Descartes waren er

uitstekende dingen in hun onderricht). Zijn leermeesters bleef hij

steeds met dankbaarheid gedenken. Toch scheen het hem toe, dat hij

niet veel opgedaan had, dat hij buiten de wiskunde weinig zekers

had geleerd. Na zijn studietijd ging hij naar Parijs, leefde daar

't wereldsche leven mee, kreeg er genoeg van, sloot zich toen jaren

op, werd ontdekt, geraakte weer in den maalstroom en ging daarna,

om de wereld te leeren kennen, in krijgsdienst. Eerst in 't kamp te

Breda onder Maurits. Hier maakte hij kennis met eenige Hollandsche

wiskunstenaars. Daarna naar Duitschland. Hier laten zijn gedachten

hem niet met rust. In het winterkwartier aan den Donau 10 Nov. 1619

ging hem plotseling het licht op, hij zag de grondslagen eener nieuwe

methode helder voor zich. Zooals Bacon sprak van zijn nieuw organon

en zijn methode boven alle andere achtte, zoo meende ook Descartes,

dat hij zeer weinig aan zijn voorgangers te danken had, en alles zelf

nieuw vond. Deze plotselinge verheldering bracht hem in een overspannen

toestand; aan de Maagd Maria beloofde hij een pelgrimstocht naar

Loretti, opdat zij hem hielp bij zijn denken. Later, toen er zich

een geschikte gelegenheid aanbood, heeft hij die gelofte gehouden.

Na het soldatenleven weer op reis; in Frankrijk terug. In 1629 vestigde

hij zich voorgoed in Holland. Hier heeft hij in verschillende plaatsen

geleefd, o.a. te Franeker, A'dam, Endegeest. Zijn zinspreuk was: Wel

leeft, die verborgen leeft. In Holland kon hij ook wegens het kille

klimaat beter denken en de meerdere vrijheid, die hier heerschte, was

voor hem ook niet te verwerpen, al zou hij later ook op droevige wijze

kennis maken met de onverdraagzaamheid der Hollandsche protestantsche

theologen. Zijn leven was hier niet eenzaam. Uit zijn brieven blijkt,

dat hij, in het drukke bedrijvige leven van A'dam behagen schepte

en zijn zinnen die vreugde liet geworden, die de filosoof hun niet

behoefde te weigeren. Een liefdesbetrekking tot een A'damsch meisje,

een verhouding waaruit een dochtertje geboren werd, dat op vierjarigen

leeftijd tot Descartes' groote smart overleed, schijnt daartoe ook

behoord te hebben.

In Holland was Descartes evenmin verstoken van omgang met andere

geleerden. Een vriend uit Parijs, pater Mersenne, een oprecht

Katholiek, zachtmoedig, welwillend, belangstellend, bracht hem in

verbinding met mannen als Gassendi en Hobbes. In Holland vond Descartes

rust. Hij maakte zich gereed een werk over de wereld uit te geven,

waarin hij aantoonen wilde, dat de wereld zich naar mechanische wetten

had ontwikkeld, toen hij hoorde, dat Galileï veroordeeld was evenals

de leer van Copernicus. Oprecht geloovig, vredebegeerig, wenschte hij

tot geen prijs in strijd te komen met de leer der Katholieke kerk

en zag hij van de uitgave af. Zijn afkeer van boeken schrijven mag

daartoe medegewerkt hebben. Toch gaf hij wel uit. Op aandrang van zijn

vrienden verscheen in 1637 een bundeltje Essays te Leiden. (Het bevatte

vier verhandelingen: een over de methode, twee over natuurkundige

onderwerpen, één over de meetkunde, dat den grondslag legde voor een

nieuwen tak der geometrie: de analytische meetkunde.) Het "Discours de

la methode" bevat in een zeer zuiver Fransch geschreven, (Descartes

behoort tot de klassieken der Fransche letterkunde zooals Bacon tot

die der Engelsche) de geschiedenis zijner ideeën, de grondtrekken

eener nieuwe kennistheorie en metafysica. Ook voor dezen tijd nog

is het boekje zeer leerzaam. Nu volgden in 1640 de Meditaties, in

1644 de Beginselen der Filosofie beide in 't Latijn. De Meditaties,

door bemiddeling van Mersenne aan een aantal geleerden gezonden,

kwamen uit met de bedenkingen van dezen (o. a. Gassendi en Hobbes)

en de tegenwerpingen van Cartesius. In 't Fransch verscheen dan in

1645 een werk over Gemoedsbewegingen, ontstaan door briefwisseling met

Elizabeth van de Palz, dochter van den ongelukkigen winterkoning. [63]

Gedeeltelijk in de hoop dat hij iets voor deze vriendin zou kunnen

doen, gedeeltelijk om bevrijd te zijn van de twisten met de Hollandsche

theologen, gaf Descartes gehoor aan de roepstem van de kunst- en

letterlievende koningin Christine van Zweden en reisde in 1649 naar

Stockholm. Het hofleven, eertijds niet geheel zonder bekoring voor

hem, beviel hem niet meer; het gure klimaat verdroeg hij niet: den

11den Februari 1650 overleed hij.

Leer. Metafysica.

Het uitgangspunt van Descartes' leer is de twijfel, niet, aan

de mogelijkheid van kennis, maar aan de zekerheid der tot nu toe

verkregene. Waar vinden wij het vaste kenmerk der waarheid? Hoeveel

overgeleverde en ingebeelde meeningen bezitten wij niet! Droomen houden

wij voor waar, zoolang wij droomen: eerst als wij ontwaken, bemerken

we, dat we gedroomd hebben. Wie waarborgt ons, dat het geheele leven

niet een droom is, waaruit we nimmer ontwaken? Kan een booze geest

ons niet misleiden, en ons allerlei voorspiegelen?

Hoe nu aan een vast standpunt te komen, van waar uit we verder

zullen gaan? Dit wordt gevonden in de zelfbewustheid. Waaraan hij ook

twijfelen kan, niet aan het feit, dat hij twijfelt, dat hij bewustzijn

heeft. Zoo komt Descartes tot zijn eerste stelling: Cogito, ergo

sum. Ik heb bewustzijn, dus ben ik. [64] Hiermee heeft Descartes den

grondslag gelegd voor zijn stelsel. Maar hij moet verder; hij moet tot

het bestaan der buitenwereld, tot de mogelijkheid om haar te kennen,

komen. Anders bleef hij staan bij wat wij thans solipsisme noemen. Zijn

tweede stap is dat hij komt tot het bestaan Gods. Hij voert hier eenige

bewijzen voor aan. Wij hebben een voorstelling van God als volmaakt,

goed, alwijs, almachtig. Deze voorstelling kan niet anders dan van

God zelf komen: het gevolg kan niet meer zijn dan de oorzaak.

Maar ook in het begrip van God moet als kenmerk zijn bestaan

voorkomen. Dit is het z.g. ontologische bewijs van Anselmus (pag. 190),

dat Descartes in andere woorden geeft.

Ten slotte voert hij ook het reeds van Aristoteles afstammende

kosmologische bewijs aan. Wij moeten tot een eerste oorzaak der wereld,

van den kosmos komen.

Een belangrijk kenmerk van God is zijn waarachtigheid. Hij kan ons

niet misleiden. En als wij dus heldere en bepaalde voorstellingen

hebben, dan mogen wij aannemen, dat ze waar zijn. Dwalen wij, dan

geschiedt dit, omdat wij ons niet houden aan wat helder en bepaald

is, en wij er een oordeel over uitspreken, dat, door de vrijheid van

onzen wil, ook fout kan zijn. Zoo is de derde trap bestegen, en de

twijfel geveld: Alles, wat zich klaar en bepaald aan mij voordoet,

mag ik aannemen als waar.

Tot drieërlei substantie komt de denker nu.

De eene, oneindige substantie: God. De geest, als bewustzijn hebbende

substantie, (res cogitans), de lichamen als uitgebreide substantie

(res extensa). De wezenlijke kenmerken eener substantie zijn hare

attributen: bewustheid is het kenmerk der eene, uitbreiding die der

andere. De andere kenmerken, die wij aan de dingen opmerken, zijn

geen kenmerken tot hun wezen behoorend, geen attributen: 't zijn

slechts modi. Ligging en grootte van een lichaam bijv. zijn modi. Om

die te hebben, moet 't lichaam eerst uitgebreid zijn. Voelen, willen,

fantaseeren zijn modi van den geest: deze kan dat niet, als hij niet

als wezenskenmerk bewustzijn heeft.

'n Scherpe scheiding brengt Descartes dus tusschen geest en lichaam,

het psychische en physische. Daardoor heeft hij verruimend en

bevrijdend gewerkt. Maar tevens deed hij een groot, nieuw probleem

geboren worden.

Geest en lichaam zijn niet zonder inwerking op elkaar. Hoe moet die

wederzijdsche inwerking verklaard worden? Zeker waren in Descartes'

tijd nog niet zulk een groote menigte feiten omtrent die inwerking

bekend, als thans, maar ze was toch duidelijk genoeg. Een gedachte komt

op: de mensch wil zijn lichaam bewegen: hij doet het. Een steen treft

hem: hij gevoelt de pijn. Met veel scherpzinnigheid heeft Descartes

zich aan een oplossing gezet, maar een volkomen bevredigende verklaring

heeft hij niet kunnen geven. Zijn school is steeds bezig geweest om

een redelijke verklaring te vinden.

Allereerst tracht Descartes het terrein der inwerking zoo klein

mogelijk te maken. Dieren ontzegt hij alle bewustzijnsleven: zij zijn

volkomen onbewusten. Schopt men een hond en geeft hij een schreeuw, dan

gaat dit volkomen mechanisch: het bewustzijn komt er niet bij te pas,

evenmin als bij een over de straat voortgeschopten, geraasmakenden

ketel. Voor de meeste verschijnselen bij den mensch houdt Descartes

dan ook vast aan een mechanische verklaring. Daardoor kreeg zijn

methode, al moest men later veel van zijn inzichten laten varen,

groote beteekenis voor de genees- en natuurkunde. Bij zijn verklaring

maakt Descartes gebruik van de ontdekking van den omloop van 't bloed,

door Harvey in 1626.

In het hart, oorzaak van den bloedsomloop, zetelt hitte. Uit het bloed

ontwikkelen zich zeer fijne deeltjes, "de levensgeesten" [65]. Zij

stijgen op en komen in de hersenholten. In het midden der hersenen

bevindt zich de pijnappelklier. Hier komen de levensgeesten. Van

daar weer gaat het naar de zenuwen, en door deze kunnen ze invloed

op de spieren uitoefenen, waardoor dan bewegingen van armen, beenen,

enz. ontstaan.

Maar de mensch heeft toch ook een ziel, hem door God ingeschapen. Deze

nu werkt speciaal op de pijnappelklier in en daardoor op de

levensgeesten. Descartes heeft nu wel de inwerking tot een heel klein

gebied teruggebracht, maar het feit der inwerking is er niets meer

door verklaard. Hij heeft de pijnappelklier genomen, omdat deze

in het midden der hersenen gelegen was, en éénig was; was er een

gepaard hersendeel genomen, dan zouden wij dubbel zien, dubbel hooren,

enz. Later onderzoek heeft aangetoond, dat de pijnappelklier een zeer

weinig beteekenend hersendeel is, en dat het voor onze psychische

verrichtingen zoo goed als geen beteekenis heeft.

Ethiek.

Over de ethiek heeft Descartes zich slechts weinig uitgelaten. Wat

hij daarover geleerd heeft, sluit aan bij zijn theorie van

de gemoedsbewegingen. Hij stelt zes oorspronkelijke begeerten:

bewondering, liefde en haat, begeerte, vreugde, droefheid, later door

Spinoza tot drie teruggebracht (bl. 274). De hartstochten nu moeten

beheerscht worden door den wil. Dit kan niet onmiddellijk, maar moet

middellijk geschieden. Ik kan bijv. de vrees niet verdrijven, maar

wel de lichaamsbewegingen verhinderen, waartoe de vrees mij brengen

zou: het vluchten. Niet door een nieuw affect te laten opkomen moet

ik een bestaand bestrijden: dat zou beteekenen uit de eene slavernij

overgaan in de andere. Maar door helder inzicht in de waarde der dingen

en door rustig overleg beheersch ik de affecten. Zelfbeheersching

door helderheid van inzicht. Ziedaar het kernpunt der Cartesiaansche

ethiek; ze herinnert aan het ideaal der Stoa. De consequentie acht

Descartes noodig: het eenmaal beslotene moet doorgezet worden. Reeds

in de verhandeling over de methode stelde hij, teneinde niet zonder

levensrichting te zijn, terwijl hij over alles theoretiseerde,

deze regels op en voegde daar bij: Zich houden aan den godsdienst

en de zeden van het vaderland. Wij zagen reeds vroeger (pag. 150)

hoe twijfel dikwerf tot conservatisme voert.

De metafysica was voor Descartes slechts een voorportaal tot het gebouw

der genees- en natuurkunde, dat hij wenschte op te richten. Langer

dan zijn gebouw--hoe merkwaardig ook--is zijn voorportaal blijven

bestaan. Moge ook Descartes den grondslag gelegd hebben voor een

zeer belangrijke tak der wiskunde, moge hij zeer veel bijgedragen

hebben tot de natuurwetenschappen, zijn beteekenis ligt allermeest

op wijsgeerig gebied.

De Cartesianen, tot wier behandeling wij nu overgaan, zijn geen groep

natuurvorschers. 't Zijn metafysici, die zich hoofdzakelijk bezig

houden met de vraag naar het verband tusschen onze geestelijke en

lichamelijke verrichtingen, naar de verhouding tusschen God en Wereld.

§ 41. De Cartesianen.

De leer van den grooten Franschen denker vond in zijn geboorteland

zoowel als in 't land, waar hij 't meest gewerkt had, veel

verbreiding. Veel werkte daartoe mee. De mechanische natuurbeschouwing,

die al het gebeuren tot beweging terugvoerde, was naar den geest des

tijds en nergens schier zoo scherp uitgesproken. De bewijzen voor

't Godsbestaan schonken 't geloof steun; de twijfel, de zorgvuldige

methode van onderzoek, voegden het denken. Daarbij de schitterende

stijl, die zijn werken toegankelijk maakten en aantrekkelijk. Geloovige

Fransche Katholieken, Jansenisten, Nederlandsche Protestanten hingen

't Cartesianisme aan.

Maar het vond ook bestrijding. Aan den twijfel en de menschelijke

rede gaf het te veel ruimte. Het leerde de aswenteling der aarde,

de oneindigheid der wereld. Zoo verzetten de Jezuïeten er zich

tegen. De Katholieke kerk plaatste Descartes' werken op den index. Aan

Hollandsche universiteiten werden hoogleeraren, die Cartesiaan waren,

geweerd.

Niet ieder, die in de geschiedenis der wijsbegeerte Cartesiaan heet,

denkt in alles gelijk met den meester. Op menig punt onderging zijn

leer wijziging. Een substantie zoo had de meester gezegd, was, wat

op zich zelf kon bestaan. Hij had er drie aangenomen: God, geest,

lichaam. Kon dat? Hadden geest en lichaam een zelfstandig bestaan

tegenover God? En--als het substanties waren, hoe konden ze dan op

elkaar in werken? Men kon hier drieërlei weg inslaan. De substantie

geest kon geloochend worden, (zie Hobbes 272) de substantie lichaam;

(zie Leibniz 282, Berkeley 314) de wisselwerking kon ontkend

worden. Dit laatste deden de occasionalisten.

Het occasionalisme vindt zijn volle ontwikkeling in de werken van

Geulinx, die in andere Cartesianen al zijn voorloopers had.

Uit de ontwikkelingsgeschiedenis van het Menschelijk Denken, Deel 1 van 2 · 第 64 / 105 题