§ 39. Bacon van Verulam.
Leven.
Francis Bacon werd in 1561 geboren. Nadat zijn vader,
grootzegelbewaarder onder Koningin Elisabeth, gestorven was, moest
hij als jongere zoon, zich zelf zijn weg zoeken; hij wierp zich in
de politiek, om daardoor de middelen te krijgen, die hij begeerde,
teneinde aan zijn zucht tot studie te kunnen voldoen. Ongelukkig vergat
hij het doel wel eens voor de middelen en toonde zich in de keuze
der laatste niet steeds even kiesch. Toen zijn vroegere beschermer,
graaf Essex, bij Elisabeth in ongenade gevallen was, bood hij haar
zijn diensten aan en trad tegen Essex op! Zijn eigen raad, dat men
zich de omstandigheden moest kunnen aanpassen zoo zij veranderden,
wist hij op te volgen.
Onder Elisabeth's opvolger, den pedanten en opgeblazen Jacobus I
(1603-1625) kwam hij snel tot grootere eere. Hij wist zich naar
de luimen van zijn koninklijken meester te voegen, zij 't onbewust
misschien, werd in 1618 Lord Kanselier, baron van Verulam, in 1621
viscount van St. Albans. Hij misbruikte zijn positie, om koninklijke
gunstelingen te bevoordeelen; hij verklaarde aan de familie Buckingham
verleende monopolies nuttig voor den staat. Het parlement kreeg
achterdocht, veroordeelde hem tot verlies van rang, hooge geldboete
en gevangenisstraf, zoolang het den koning zou behagen. De boete
betaalde hij nooit, in de gevangenis zat hij maar enkele dagen;
eigenlijk was hij de zondebok geweest voor koning en hof--en zijn
laatste levensjaren bracht hij in stilte, in aan de studie gewijde
afzondering, door. In 1626 stierf hij.
Karakter.
Het is begrijpelijk dat er over Bacon's karakter veel getwist is. Hij
was niet een man uit één stuk. Om gelukkig te zijn moest men een beetje
van een dwaas en niet te veel van een eerlijk mensch hebben. Naast
een hoofddoel moest men steeds een nevendoel in het oog hebben, om
dit te kunnen bereiken als het eerste mislukte. Het beste is, den
roep te hebben van openheid, maar er in geoefend te zijn, heimelijk
te werk te gaan.
Deze en dergelijke uitspraken toonen wel aan, dat Bacon's opvattingen
niet zeer hoog waren en zijn optreden tegenover Essex blijft een
schandvlek op zijn naam werpen.
Toch mag men niet blind zijn voor de goede zijden zijner
persoonlijkheid. Hij had een warme belangstelling voor wetenschap
en een vast geloof aan den vooruitgang der menschheid; hij was voor
zijn omgeving een goed mensch: zijn dienaars hielden van hem, zijn
vrienden bewonderden hem.
Tusschen Bacon's karakter en zijn wetenschappelijk werk is zekere
overeenkomst: hij heeft groote plannen, spreekt groote beginselen uit,
maar toont niet de volharding te bezitten, om al zijn plannen uit te
voeren, zijn eigen beginselen toe te passen.
Werken.
Nadat hij eerst een reeks opstellen geschreven had (Essays), wilde
hij een groot werk schrijven over de vernieuwing der wetenschappen de
"instauratio magna."
Berekend op meerdere deelen voltooide hij er twee. In de "Vooruitgang
der Wetenschap" (Advancement of learning 1605) dat in 1623 in
vermeerderde Latijnsche vertaling verscheen, tracht hij een overzicht
te geven, van wat de wetenschap tot dusver geleerd had en wat haar te
doen overbleef. De methode waarnaar de wetenschap te werk moest gaan,
ontwikkelde hij in het Novum organum [61] (1620).
Bacon's stijl is levendig, pittig. Lezen we zijn werken, dan krijgen
we een veel moderner indruk dan bijv. uit die van de Italiaansche
natuurfilosofen. Bacon behoort tot den nieuwen tijd. Graag gebruikt
hij beeldspraak, waardoor hij de dingen soms heel treffend weet uit
te drukken.
Hoofddoel.
Bacon's aandacht was vooral gericht op de natuurwetenschap, die
volgens hem te veel verwaarloosd was: de Grieken hadden zich 't
meest met moraal, de Romeinen met 't recht, de middeleeuwen met de
theologie bezig gehouden. De natuurkennis moet ons inzicht geven in
den samenhang der verschijnselen, om de wetten van het natuurgebeuren
leeren kennen. Maar Bacon wil niet alleen de studie der natuur uit
theoretisch oogpunt. Hij is te veel een kind van zijn tijd, die vervuld
was met 't gewicht van uitvindingen en ontdekkingen. De natuurkennis
geeft ons macht: zij onderwerpt de natuur aan den mensch en deze
kan tot groote cultuurhoogte stijgen. Hoe juist Bacon hier gezien
heeft, blijkt uit het fragment van zijn staatsroman. Hij schildert
een eiland, waar tal van 19de en 20ste eeuwsche dingen (telefoon,
vliegmachines, enz.) niet ontbreken en door allerlei maatregelen
ziekten worden bestreden.
De wetenschap mag niet als een deerne tot lust gebruikt worden,
maar mag evenmin onvruchtbaar blijven als een non.
Idola.
Op den weg naar kennis liggen echter zwarigheden en voor wij beginnen
met waarnemen, moeten wij ons verstand louteren. Allerlei "denkfouten"
zouden wij met een modern woord zeggen begaan wij. Bacon geeft een zeer
geestig overzicht van de onderscheidene idolen zooals hij ze noemt
en is daarmee al een voorlooper van John Stuart Mill, die ruim twee
eeuwen later in zijn systeem der logica een uiterst scherpzinnige
behandeling der denkfouten gaf. Allereerst zijn er de idolen, die
eigen zijn aan den stam, aan den mensch in 't algemeen. Daartoe behoort
de menschelijke neiging, om de dingen op te vatten naar analogie van
den menschelijken geest; omdat onze geest zich bijv. gelijk blijft,
meenen wij dit gelijk blijven ook in de natuur waar te nemen, al is
't er feitelijk niet. Bijgeloof ontstaat, doordat wij meer letten
op de gevallen, waarin een zeker vermoeden bevestigd wordt, dan op
die, waarin bevestiging uitblijft. Ons denken wordt door 't gevoel
beïnvloed, 't naastbijzijnde verkiezen wij boven 't ver afliggende,
al is dit het bestudeeren meer waard; wat onze zinnen direct kunnen
waarnemen, vinden wij merkwaardiger dan de dingen, die zich aan de
zinnelijke waarneming onttrekken, en toch zijn de fijnere veranderingen
dikwijls 't meest belangrijk.
Ieder mensch bekijkt de wereld als van zijn eigen standpunt, als
uit zijn eigen "hol." Daardoor ontstaan de holidolen. Deze zijn in
tegenstelling met de zoo even genoemde, die aan alle menschen gemeen
zijn, verschillend bij de menschen. Sommige menschen bijv. zijn steeds
geneigd, het algemeene in 't oog te vatten, anderen letten meer op het
bijzondere. De een dweept met 't oude, de ander vliegt op met al wat
nieuw is. Ieder heeft dus zijn eenzijdigheid en daarvoor geeft Bacon
den raad, dat elk onderzoeker dat 't meest wantrouwen zal, wat hem
't meest inneemt.
Uit het verkeer der menschen ontspringt een derde groep idolen,
die der markt.
Bacon heeft hier vooral het oog op de taal, die verkeersmiddel is,
maar dikwijls aanleiding tot misverstand. Niet zelden loopt de strijd
meer over een woord dan over een zaak. Soms zijn er woorden, waarbij
men zich eigenlijk niets denken kan, soms kan men met één woord tal
van dingen aanduiden.
De laatste groep vormen de idolen van het theater. Zooals men
door coulissen en geschilderde doeken schijn geeft in plaats van
werkelijkheid, zoo hecht men soms meer aan overgeleverde meening,
aan wat door autoriteiten bijv. Aristoteles verkondigd is, dan aan
de werkelijkheid. Hij wijst dan nader aan, hoe in alle tot dusverre
gevolgde stelsels fouten zitten. In 't bijzonder waarschuwt hij er
tegen, de theologie met de filosofie te vermengen.
Behalve de idola wordt het onderzoek nog bemoeilijkt door de
onvolkomenheden onzer zinnen. Zooveel mogelijk moet men deze met
instrumenten te hulp komen. Waar de eene zin ons een bedrieglijke
kennis geeft, daar moet een andere hem verbeteren. De zinnen zijn
de poorten van den geest, door hen komt de kennis onze ziel binnen,
door de rede alleen krijgen we geen kennis. De zinnelijke ervaring
echter moet verwerkt worden; op zich zelve is ze niet voldoende.
Wij moeten niet doen als de spin, die een geheel nest uit zich zelf
voortbrengt; evenmin als de mieren, die alles aandragen en op één
hoop brengen, maar als de bijen, die het uit bloem bij bloem gehaalde
verwerken tot honing en was.
Inductieve methode.
Hoe stelt Bacon zich dan de inductieve methode voor?
Het duidelijkst kunnen wij dit maken aan het voorbeeld, dat Bacon
zelf geeft; een onderzoek naar den "vorm" der warmte. Het begrip
vorm staat niet vast. Soms wordt er mee bedoeld het wezen der dingen,
soms de wet, tengevolge wier werking het verschijnsel ontstaat. Dat
Bacon dit allebei onder "vorm" verstond, ligt waarschijnlijk hieraan
dat hij 't wezen der dingen niet meende te kunnen kennen, dan door
de werking te leeren kennen, die de dingen voortbracht.
Bacon wil nu den vorm der warmte leeren kennen. Daartoe schrijft hij op
eene tabel alle gevallen, waarin warmte voorkomt, bijv. zonnestralen,
bliksems, broeiend hooi, enz. Zijn de berichten, waarop men soms moet
afgaan, twijfelachtig, dan moet men experimenten nemen.
Op een andere tabel wil nu Bacon de verschijnselen opschrijven, waarin
de warmte niet optreedt. Het spreekt vanzelf, dat die lijst oneindig
zou kunnen worden. Daarom moeten alleen die verschijnselen genomen
worden, welke met die, welke veel warmte vertoonen, overeenkomen. Als
zoodanig wordt bijv. 't maanlicht genoemd, dat, naar Bacon meende,
geen warmte gaf [62].
Een derde tabel ten slotte moet die verschijnselen bevatten, waarin
de warmte in zeer verschillende graden voorkomt; bijv. een beetje
in een dier, meer in een, dat zich heeft ingespannen, dat koorts
heeft enz. Zijn deze tabellen gereed, dan kan men met de inductie
beginnen, allereerst, door uit te sluiten, wat de warmte-oorzaak
niet is [bijv. de warmte is niet uitsluitend aardsch, (zon) niet
uitsluitend hemelsch, (maan) etc.]. Om nu te komen tot den vorm der
warmte, mag men op grond van gevallen, waarin de warmte zeer duidelijk
optreedt, een voorloopige hypothese opstellen. Dit is als een eerste
wijnlezing. Proeven kunnen die hypothese bevestigen: men kan nagaan
of overal waar de vermoede oorzaak optreedt, warmte ontstaat. Met het
opstellen en verifieeren dezer hypothese is Bacon niet tevreden. Hij
wil alle gevallen uitsluiten, waarin de gezochte vorm niet gevonden
wordt. Omdat dit aantal echter oneindig groot zou zijn, wijst hij
bijzonder geschikte aan, niet minder dan 27. Vermelding verdient in
't bijzonder dat van den handwijzer (crucis).
Als men tusschen twee oorzaken als grond van een verschijnsel
heeft te kiezen, dan kan men een proef bedenken, waarbij de eene
oorzaak niet voorkomt, en dan nagaan, of 't verschijnsel al of niet
intreedt. Van het nut van 't experimentum crucis is ook de huidige
wetenschap ten zeerste overtuigd, en dikwijls beklaagt men zich over
de onmogelijkheid, om het te nemen. (Stel bijv. dat iemand genezen is
na aanwending van een bepaald geneesmiddel. Het experimentum crucis,
waardoor men zou kunnen uitmaken, of dat geneesmiddel werkelijk
de oorzaak der beterschap was, zou hierin bestaan den patiënt weer
ziek te laten zijn en te blijven zonder dat middel, wat natuurlijk
onmogelijk is. De landbouwkunde maakt bijv. veel van het experimentum
crucis gebruik, waar zij op gelijke gronden in gelijke tijden
dezelfde gewassen verbouwt, met en zonder een bemesting). Bacon's
methode komt neer op een aftrekking. Trek van alle omstandigheden,
waaronder een verschijnsel optreedt, die af, waaronder het ook niet
optreedt, en in de overgehoudene moet de oorzaak zijn. Bacon zelf
achtte deze methode dan ook zoo eenvoudig, dat hij ze verre stelde
boven de "ingeving" van het genie.--Zooals een ongeoefende met een
passer veel beter cirkels trekt, dan een geoefende uit de vrije hand,
zoo zou ook met zijn methode een middelmatig mensch verder komen dan
een genie volgens de oude. Bacon's methode is in beginsel juist. Het
bezwaar ligt in de toepassing en Bacon heeft dit zelf ook wel gevoeld:
onze kennis is zoo beperkt, dat wij onmogelijk een overzicht kunnen
krijgen van alle gevallen. Daarom blijft in veel sterkere mate dan
Bacon zich dit voorstelde--de ontdekking van den grond of oorzaak van
een verschijnsel altijd een daad van het genie. Kon de methode dus niet
dat presteeren wat Bacon er van verwachtte, legt hij te veel nadruk
op de inductie en vergeet hij te veel de deductie, (waarschijnlijk
ook door gebrek aan wiskundige kennis), in zijn werken zijn zeer veel
behartigenswaardige wenken voor de methode gegeven en zijn invloed is
groot geweest: hij heeft de waarde van eigen onderzoek, van ervaring,
helder in 't licht gesteld. Zijn ideeën oefenden ook veel invloed uit
op de paedagogische denkers van dien tijd en met name heeft Johan Amos
Comenius (1592-1671), de auteur der Groote Onderwijsleer in eenige
zijner werken (De Wereld in beelden. De geopende poort der talen)
den grond gelegd voor de aanschouwing in 't onderwijs en is daardoor
de Bacon der opvoedkunde geworden.
Godsdienst.
In godsdienstzaken houdt Bacon zich aan de kerkleer. Hij wil een
scherp onderscheid tusschen theologie en filosofie, die elk hun
kennisbron hebben: de eerste de openbaring, de tweede de zinnelijke
waarneming. In de filosofie wil Bacon van geen teleologie weten, wel
in de theologie. Hoe ongerijmder een geloofswaarheid aan ons verstand
schijnt, hoe meer wij God eeren, door haar te gelooven. Eigenaardig
is Bacon's standpunt ten opzichte van het atheïsme. Dit is zeker
verwerpelijk. Want de mensch moet, opdat hij niet door 't lichaamsleven
tot de dieren dale, in betrekking komen tot een hooger wezen, waardoor
zijn natuur veredeld wordt. Maar--het is beter geen meening omtrent
God te bezitten, dan een verkeerde. Het atheïsme is ongeloof, het
bijgeloof een beleediging. Dit laatste is dikwijls zeer onzedelijk
en kan voor het gezonde leven van den staat gevaarlijk worden.
Door de scherpe scheiding tusschen geloof en wetenschap hield
de Engelsche wijsbegeerte zich over 't geheel vrijwel buiten
geloofskwesties. Er waren niet al te veel aanrakingspunten tusschen
de empiristische wijsbegeerte en de theologie. En alle vijf groote
empirische denkers: Bacon, Hobbes, Locke, Berkeley, Hume wilden het
geloof zijn plaats laten en hielden zich voor 't dagelijksch leven
min of meer aan de kerkleer.
Geheel anders ging het de groep denkers, onderling zeer verscheiden,
die men in tegenstelling met de Engelsche empiristen, rationalisten
pleegt te noemen. Hun rij begint met Descartes en zet zich over de
verschillende Cartesianen (Geulinx' Malebranche), Spinoza, Leibniz
en Wolff voort.
In Kant zullen dan beide stroomen zich vereenigen. Niet de ervaring,
de empirie is voor deze groep denkers allereerst de kenbron der
werkelijkheid, het middel om tot kennis te geraken, maar de rede,
de ratio. Zij gaan uit van eenige grondstellingen en leidden daaruit
hun systeem af.
Maar deze reeksen denkers loopen niet zuiver evenwijdig: er zijn
allerlei toenaderingen en afbuigingen. Ook zijn ze niet scherp
gescheiden, maar er bestaan tal van verbindingen.