CHARRON.

Tot geheel andere conclusies brengt het scepticisme den beroemden

kanselredenaar Charron (1541-1603). Ook hij ontkent de mogelijkheid,

waarheid te vinden. Deze is bij God, en Hij laat òns het zoeken en

streven. In 't geloof berusten we, en met diepen deemoed nemen we het

Christelijk geloof aan, de eenige ware van alle religies, die door hem

in een geschrift van 1594 dan ook verdedigd werd tegen Mohammedanen,

ketters en scheurmakers. Niet tot onderzoek maar tot blind geloof

brengt dus de scepsis Charron. Opmerkelijk is het, dat deze geloovige

de zedeleer los wil maken van den godsdienst: de zedeleer zal niet

veranderen als de godsdienst verandert. Het goede moet niet met

't oog op loon of straf worden gedaan, maar om zich zelfs wil.

De denkwijze van Charron bleef lang gehuldigd. La Motte Vayer

(staatsraad onder Lodewijk XIV, opvoeder van den lateren hertog

van Orleans), en P. Huet (1633-1721) leeren beide, dat de zwakheid

des verstands op het geloof 't best voorbereidt. Bij deze sceptici

zijn echter inwerkingen van de leer van Cartesius te bemerken en

sommige historieschrijvers hebben hun een plaats gegeven bij de

Cartesianen. (Zie bl. 251).

§ 37. Duitsche Mystiek.

Een merkwaardige parallel van de Fransche scepsis biedt de Duitsche

Mystiek. In tegenstelling met de M.E. is ze Protestantsch, in zooverre

men mystiek een kerkelijken naam mag geven: vooral tegenover de

kerkelijke leerstukken verhoudt de mystiek zich zeer vrij.

Schwenckfeld († 1561) staat wel dicht bij Luthers Reformatie, maar

hij legt den nadruk op de innige overgave des gemoeds: ieder mensch

is zijn eigen priester.

Nog meer nadruk legt Sebastiaan Franck (1500-'45) op de persoonlijke

overgave aan God. In ieder mensch zijn twee beginselen, het zondige

en het goede. Zondaar is, wie zich de zelfzucht, Christen, wie zich

God overgeeft. Ieder kan dus, ook buiten 't Christendom, Christen

zijn. Christus is dan ook niet de grondvester, slechts de verkondiger

der eeuwige waarheid: de bijbel is niet Gods woord, slechts het

symbool er van.

Een zelfde gedachte ontmoet men bij Weigel (1533-'88). Zalig wordt,

wie in God woont, hij wordt deugdzaam. Wie dit niet doet, baat geen

zoenbloed van Christus; "op eens anders rekening mag ik niet teren."

Van het dogma der genoegdoening door Christus, dat in de M.E. werd

opgesteld en ook in 't Protestantisme bleef leven, vinden we hier

dus tot zekere hoogte de ontkenning.

Haar hoogtepunt bereikt de Duitsche mystiek van dezen tijd in den

Görlitzer schoenmaker Jacob Böhme.

Uit de ontwikkelingsgeschiedenis van het Menschelijk Denken, Deel 1 van 2 · 第 56 / 105 题