BÖHME.

Böhme leefde van 1575-1624. Na, volgens de zede dier dagen, als

rondreizend schoenmakersgezel veel gezien te hebben, liet hij zich

in Görlitz neer, en zijn denken arbeidde even ijverig als els en

naald. Geheel ongeletterd was hij niet. Hij zelf noemt zich een

filosoof en met sommige denkers dier tijden (Paracelsus, Weigel)

is hij niet onbekend. Onvermoeid nadenkend en peinzend, over de

vraagstukken die hij zich zelf stelde tobbend, ging hem in eens,

als bij openbaring, het licht op. Hij was toen 25 jaar en schreef

zijn eerste boek: Aurora oder Morgenröthe in Aufgang. In 1634 werd

het gedrukt, nadat het eerst in handschrift bekend was geworden.

De predikant van Görlitz ergerde zich aan de koene bespiegelingen

van Böhme en wist de stadsregeering te bewegen, hem het schrijven

te verbieden. Eenigen tijd moest Böhme zelfs Görlitz verlaten. Later

keerde hij er terug en was als schrijver tegen 't eind van zijn leven

zeer werkzaam.

Böhme kleedt zijn gedachten in een fantastischen stijl, vol stoute en

vreemde beelden. Hij schrijft echter, dat hij dit doet "om des lezers

onverstand wille" en zich symbolisch uitdrukt. Hij denkt vrij. Het

scheppingsverhaal b.v. neemt hij niet aan, zooals het in Genesis

staat: veel is daarin, wat geheel indruischt tegen de filosofie

en de rede, en hij gelooft niet, "dat de dierbare man Mozes er de

auteur van is." Hoewel hij meende een oprecht Lutheraan te zijn,

is alle dogmatische engheid hem vreemd. Joden, Turken en Heidenen,

die van Christus niets weten, stonden toch den Christen gelijk. "Wie

liefde in zijn hart heeft, en een barmhartig en zachtmoedig leven

leidt en tegen de boosheid strijdt en door den toorn Gods heen in

't licht dringt, die leeft met God en is één geest met God. Want een

anderen dienst heeft God niet noodig."

Dit zijn zeer merkwaardige woorden, die getuigen, hoe vrije opvattingen

diep in den geest van dien tijd waren doorgedrongen en hoe die, zoowel

onder 't Protestantisme als onder 't Catholicisme konden ontstaan.

Twee vraagstukken houden Böhme vooral bezig. Allereerst kwelt hem

de kleinheid van den mensch, het veraf zijn van God. Hij lost deze

moeilijkheid op door aan te nemen, dat Gods kracht overal werkt en

zich in alles openbaart. Niet daarboven in het blauwe uitspansel

is de hemel, hij is in onszelf, wanneer het goddelijk leven zich in

ons openbaart.

"Gij leeft in God en God in u; zijt gij rein en heilig, zoo ziet

ge God. Ziet ge de sterren, de zon, aarde en zee, ge ziet God; zelf

zijn ze niet God, maar evenals gij putten ze uit Hem kracht. In alle

natuurgebeuren is God, door menschelijken geest wordt Hij gekend. God

is een."

Böhme heeft getracht, deze gedachten te verlaten, maar hij kon niet,

hij moèst er toe terugkeeren.

De tweede vraag, die hem kwelt, is deze: Hoe is het kwaad, dat overal

in de wereld heerscht, vereenigbaar met Gods bestaan?

Het licht is hem plotseling opgegaan, toen hij zag hoe het zonnelicht

zich spiegelde in een tinnen kan op zijn werktafel, en hoe dat licht

sterk uitkwam tegen het duistere van de omgeving. Böhme erkent,

dat het kwaad zijn wortel in de Godheid heeft, opdat Gods liefde

daartegen uitkomen zou. Zonder boosheid geen goedheid, zonder Gods

toorn geen liefde. Het booze is de noodwendige factor voor het bestaan

van het goede.

In wonderlijk vreemden vorm schildert Böhme dan nader het ontstaan

der wereld.

Na zijn dood werden zijn werken uitgegeven en tot in de 19de eeuw

vond hij warme aanhangers. Nog onlangs verscheen een Hollandsche

vertaling van zijn Aurora.

Eenerzijds heeft hij zijn invloed misschien te danken aan zijn

weelderige fantasie en mystiek, die sommige naturen bijzonder

aantrekt. Maar anderzijds zal het ook zijn warm gemoed, zijn diep

nadenken geweest zijn, die ook voor meer koele naturen hun groote

beteekenis hebben.

§ 38. De Natuurwetenschap.

De Renaissance begon met filologisch te zijn: Taalstudie werd gretig

bedreven, terwijl een tijdlang de Hervorming de aandacht op den

godsdienst vestigde.

Maar het laatst der 16de en 't begin der 17de eeuw zijn gewichtig

door hun natuurstudie. Men mag zeker zonder overdrijving zeggen,

dat zonder deze natuurstudie de nieuwere filosofie niet bestaan zou

hebben. Een enkel woord over haar beteekenis voor de wijsbegeerte

zij hier dus ingelascht.

We zagen reeds, hoe Roger Bacon (1214-'93) op natuurstudie aandrong. De

groote schilder Leonardo da Vinci (1452-1519) had uitnemende ideeën

gehad, zoowel over de taak der wetenschap in 't algemeen als over de

mechanica. Jammer echter, dat zijn werken niet uitgegeven werden en

hij geen directen invloed uitoefende op den voortgang der wetenschap.

Van allergrootst belang is geweest de leer van Copernicus omtrent het

zonnestelsel. Reeds bij de behandeling der Pythagoreeërs gaven we de

hoofdtrekken dier leer aan, en we zagen hoe Giordano Bruno onvermoeid

bezig was om haar te verdedigen en verder te ontwikkelen. In 1543

verscheen Copernicus' werk. Dat het zooveel tegenstand ontmoette lag

voornamelijk aan theologische overwegingen. Men meende, dat de aarde

het middelpunt moest blijven; het aannemen van meer werelden streed

tegen het geloof, dat Christus gekomen was om de wereld te redden. En

ook verder scheen het tegen den Bijbel te strijden.

Uit de ontwikkelingsgeschiedenis van het Menschelijk Denken, Deel 1 van 2 · 第 57 / 105 题