De scepsis ontbreekt ook niet in den overgangstijd. Het zijn in 't
bijzonder Franschen, die deze richting vormen. Als eerste scepticus is
te noemen Montaigne. Hij werd in 1533 uit een aanzienlijk geslacht
geboren, reisde veel, gaf in 1580 en '88 zijn beroemde Essais
uit en stierf in 1592 op zijn landgoed. Als geestig causeur,
schitterend stylist neemt hij een eervolle plaats in onder de
Fransche literatoren. In zijn groote belangstelling voor het individu,
zijn liefde voor de vrijheid van 't denken, zijn belezenheid in de
klassieken toont Montaigne zich een echt kind van zijn tijd. In 't
algemeen ontkent hij de mogelijkheid van kennis. Tegen de rechtzinnig
geloovigen merkt hij op dat we God niet kunnen kennen: we stellen
ons Hem menschelijk voor met aan den mensch ontleende maar volmaakte
eigenschappen: door God te willen kennen, buigen we Hem naar beneden en
't best eeren we Hem, als den grooten, onbekenden Schepper. Maar ook
de filosofen bestrijdt hij, die tot weten willen komen door den weg
der ervaring en redeneering. Immers, ons ontbreekt een contrôlemiddel,
om de juistheid der zinnelijke waarnemingen na te gaan en bij onze
redeneeringen steunen we op niet bewezen axioma's.
Deze onwetendheid is echter ook bij Montaigne een soort docta
ignorantia. Om te weten, dat een deur gesloten is, moet men er eerst
met het hoofd tegen aanloopen: om tot scepsis te geraken, moet men
eerst beproefd hebben, hoever men met zijn kennis kan komen. Voor het
practisch leven hebben we genoeg aan de door zelfkennis en ervaring
verkregen feiten en aan wat ons door opvoeding geleerd is; de natuur
geeft ons 't noodige voor 't heden; de openbaring voor de toekomst.
In zijn zedeleer neemt Montaigne een dergelijke standpunt in: er is
geen algemeen geldige zedelijkheid te vinden, de zedelijke ideeën
wisselen met tijd en plaats.