DE GROOT.

Bij de Grieken kende men reeds de leer van het maatschappelijke

verdrag. Deze leer, die in de M.E. altijd, zij het minder of meer

scherp geformuleerd, aanhangers had gevonden komt ook thans weer

op. Wat in de M.E. hiervan aanwezig is, bloeit nu uit. Het natuurrecht

verheugt zich in levendige belangstelling.

Een zuivere, streng wetenschappelijke behandeling vonden vele

rechtsvragen in de werken van onzen beroemden landgenoot Hugo de

Groot. Langen tijd heeft men hem voor den eersten rechtsfilosoof

gehouden uit den nieuweren tijd, die de leer van het maatschappelijk

verdrag verkondigde. In Althusius (1557-1638) burgemeester van Emden

heeft hij een voorlooper van beteekenis gehad.

Althusius laat den staat opkomen uit engere gemeenschapskringen. Het

gezag berust bij het volk dat het opdraagt aan den vorst, die weer

aan een college van toezicht verantwoording schuldig is.

De Groot werd in 1583 geboren, was als knaap reeds bekend om zijn

geleerdheid. De twisten tijdens het bestand brachten hem in de

gevangenis, waaruit hij op de bekende wijze bevrijd werd. Daarna

vertoefde hij meestentijds in Parijs. In 1645 stierf hij te Rostok.

Hij is de schepper van het oorlogsrecht, dat nog onder zijn invloed

staat.

Een stilzwijgende overeenkomst neemt hij aan tusschen volk en vorst,

waardoor deze de macht krijgt.

De staat is ontstaan uit menschelijke zucht naar gezelligheid en,

daar God schepper is, indirect uit Gods wil. Naast het natuurrecht

staat het positieve recht; het nut daarvan bemerken we eerst goed als

het ontbreekt; het komt voort uit het natuurrecht: alle burgerlijk

recht berust op het beginsel dat men zijn woord moet houden en dit

ligt in het natuurrecht.

Met fijn onderscheid behandelt nu Grotius de verschillende

conflicten. Allereerst kan er strijd zijn tusschen mensch en

mensch. Dit moet in een geordenden staat niet toegestaan worden. De

staat treedt op ter verdediging van de bedreigde of aangetaste rechten

van den enkeling.

Dan is er strijd van het individu tegen den staat. Dit is opstand en

oproer, dat De Groot, in tegenstelling met Althusius, voor ongeoorloofd

houdt. Strijd van den staat tegen den enkeling is soms noodig, als

de laatste in verzet komt tegen den staat.

Hieraan knoopt hij een beschouwing vast over de straf. Wordt die

gegeven, omdat gezondigd is, of opdat niet gezondigd zou worden? De

Groot is een beslist voorstander der laatste theorie. Geen goed

mensch kan er vreugde en vrede in vinden, iemand leed aan te doen,

tenzij daardoor een groot heil kan bereikt worden voor den gestrafte

of de gemeenschap.

Ten slotte is er nog mogelijke strijd van staat tegen staat en hieraan

wijdt De Groot zijn volle aandacht. Dit was eigenlijk het uitgangspunt

zijner onderzoekingen. Hier treedt hij vooral op als pleitbezorger der

humaniteit. Humaniteit in 't voeren van oorlog is gewenscht ook met

't oog op een lateren vrede. Ook kan 't een staat niet onverschillig

zijn, hoe men over zijn daden denkt. Zoo groot was het aanzien van

De Groot, dat men vertelt, dat Gustaaf Adolf zijn boek steeds bij

zich had en Lodewijk XIV terugkwam van zijn voornemen om in 1672 geen

kwartier te geven aan de gevangen genomen Hollanders, daar dit bleek

te strijden tegen de opvattingen van De Groot.

Veel milder dan Althusius denkt De Groot over den godsdienst. Een volk

mag niet met wapengeweld er toe gebracht worden een geopenbaarden

godsdienst aan te nemen. Alleen als het een onmenschelijken of

onzedelijken godsdienst heeft of afwijkt van de grondslagen der

natuurlijke religie: geloof in Gods bestaan en Zijn Voorzienigheid,

mag het beoorloogd worden.

§ 36. Fransche scepsis.

Uit de ontwikkelingsgeschiedenis van het Menschelijk Denken, Deel 1 van 2 · 第 53 / 105 题