CAMPANELLA.

De derde groote Italiaansche natuurfilosoof is Thomas Campanella. Hij

had een tragisch leven. In 1568 in Calabrië geboren, op 19-jarigen

leeftijd uit studielust Dominicaner monnik. Later voor de inquisitie

gedaagd: wegens de grootheid zijner kennis werd hij van tooverij

beschuldigd, maar vrijgesproken. Toen door de Spanjaarden gevangen

gezet, als verdacht van samenzwering: 27 jaar lang bleef hij in

hechtenis: "Vrij en toch gebonden, ledig en toch arbeidzaam, eenzaam

en toch niet alleen." Na zijn vrijlating ging hij naar Parijs en toen

hij hier kwam, waren zijn denkbeelden reeds klaarder en zuiverder

door een ander uitgesproken: Descartes.

Hij wilde de natuur uit haar eigen boek leeren kennen door

navorsching. Hij verdedigt Galileï die de aswenteling der aarde leerde,

maar legde zich later neer bij de andere opvatting, toen de kerk de

leer van Galileï had onderdrukt. Voor 't overige sluit hij zich eng

bij Telesio aan, wat zijn natuurleer betreft. Ook in zijn kennisleer

heeft hij veel van deze, maar hij is klaarder en helderder.

De bron onzer kennis is waarneming.

Bedriegt eene waarneming ons, dan komt besef van het zinsbedrog door

een andere waarneming. Herinneren is niets anders dan waarnemen, dat

men reeds waargenomen heeft. Ook redeneeren is waarnemen. Nemen we

b.v. een syllogisme: Alle menschen zijn sterfelijk; Socrates is een

mensch; Socrates is sterfelijk; dan nemen we a.h.w. Socrates waar in

den kring van alle sterfelijke menschen. Houden we iets voor waar op

getuigenis van anderen, dan nemen we waar met een anders zintuigen.

In zekeren zin doet Campanella aan Augustinus

denken (vgl. pag. 172). Gegeven zijn ons alleen onze

bewustzijnsverschijnselen, onze gewaarwordingen. Met deze redeneeren

we verder. We generaliseeren door aan te nemen, dat het wezen der

dingen overal gelijk is.

Zooals we bij ons zelven kunnen, willen, weten en opmerken, schrijven

we die verrichtingen ook aan de Godheid toe. God is almachtig,

alwetend, algoed.

De wereld is een tusschending, een verbinding van zijn en

niet-zijn. Het niet-zijn is een negatie der drie genoemde

eigenschappen: onmacht, onwetendheid, boozen wil (eigenlijk moest

dit niet-wil zijn).

De booze wil is ook eene emanatie der Godheid, maar in de geringste

intensiteit. De gansche wereld is dus in laatste instantie uitvloeisel

der Godheid. Hierop berust een optimistische wereldbeschouwing.

Deze spreekt zich ook uit in zijn staatsroman: Zonnestaat, waarop we

in een ander verband terug komen.

Ook elders hoopt hij dat er eenheid op aarde komt; hij denkt zich

éen groot wereldrijk: hoofd is de Paus; den Senaat vormen de koningen

en vorsten der verschillende rijken. Spanje brengt de vreemde landen

tot dien staat en tot de kerk; de allerchristelijkste Fransche koning

voert de ketters er toe.

§ 35. Staats- en Rechtsfilosofen.

We hebben gezien, dat de M.E. zich weinig bezig hielden met staats-

en rechtsfilosofie. Was men ook langzamerhand van 't standpunt

der oudste Christenen en van dat van Augustinus teruggekomen, met

volle belangstelling had men zich toch niet met den staat bezig

gehouden.--Het overgangstijdperk onderscheidt zich ook hierdoor van

de M.E.: de vraag naar de inrichting en de bedoeling van den staat

treedt weer op. De beantwoording wijst in zekeren zin meer naar

Plato dan naar Aristoteles heen. Deze had zijn staatsleer gebouwd op

bestaande feiten, had zijne theorieën ontwikkeld uit de bestudeering

der staatsinrichting van vele volken. Plato had een toekomststaat

geschilderd, ingericht niet naar de beginselen, die ons de praktijk

aan de hand doet, maar volgens zijn wijsgeerig stelsel (vgl. § 16,

pag. 103). In dezen tijd zullen we ook twee staatsromans aantreffen:

Utopia van Thomas Moore, en Zonnestaat van Campanella. Daarnaast staat

het merkwaardige boekje van Macchiavelli: "De vorst," dat veel meer

op den bodem der werkelijkheid staat, en toch gedragen wordt door het

ideaal van den schrijver, dat ver uitgaat boven wat de werkelijkheid

te zien gaf.

Uit de ontwikkelingsgeschiedenis van het Menschelijk Denken, Deel 1 van 2 · 第 49 / 105 题