BRUNO.

De schitterendste figuur dezer natuurfilosofie, het zuiverste type

is Giordano Bruno. Hij werd 1548 te Nola (Z. Italië) geboren, kwam

jong in een Dominicaner klooster, geraakte door zijn vurigen aard in

verzet tegen de kloostertucht en begon in 1576 zijn zwerversleven.

Over de Alpen naar Genève; hier misschien in conflict gekomen

met 't Calvinisme [58], naar Toulouse, voorlezingen houdend voor

de universiteit, in 1581 naar Parijs, dan naar Londen. Met veel

praal en woordenrijkdom (de geleerden van dien tijd deden in hun

opgeschroefde zelfverheerlijking eenigszins aan kwakzalvers denken)

kondigt hij voorlezingen te Oxford aan. Hier in Londen heeft hij zijn

belangrijkste werken geschreven. Van Londen trok hij naar Parijs,

vandaar naar Duitsche steden. Op uitnoodiging van een jong edelman,

die misschien wel de tooverkunst van hem hoopte te leeren, kwam hij

naar Venetië. Deze jonge man voelt plotseling zijn geweten bezwaard en

klaagt zijn leermeester en huisgenoot aan, die 23 Mei 1592 gevangen

wordt genomen. Later wordt hij naar Rome gebracht. Het schijnt, dat

hij eerst wat toegegeven heeft en sommige zijner leerstellingen heeft

willen herroepen. Maar toen hij begreep, dat het ging om de vrijheid

van denken, hield hij fier stand.

De geestelijke inquisitie leverde hem aan den wereldlijken rechter

over met de bede: zonder bloedvergieten en zoo zacht mogelijk met hem

handelen. Dit beteekende in de taal dier tijden den brandstapel. Den

17den Februari 1600 stierf Bruno den marteldood. Zijn asch werd naar

alle vier windstreken verspreid.

In 1889 werd op de plaats, waar hij verbrand was, een marmeren

standbeeld opgericht voor den grooten denker en martelaar, een hulde

waartoe geheel de beschaafde wereld had bijgedragen. Thans is het

dikwijls het middelpunt voor anti-clericale betoogingen.

Zonnestelsel.

In zijne natuurbeschouwing sluit Bruno zich aan bij Copernicus

(vgl. § 38, blz. 227), maar hij voert diens gedachten tot grooter

consequentie door: hij neemt aan, dat er geen hemelsferen zijn en

dat er een oneindige ruimte is. Het opstellen dezer oneindige ruimte

schijnt in hem een gemoedsbehoefte geweest te zijn, in de oneindigheid

konden zijn sterke, maar meer vage gevoelens zich verliezen. Hij

is een geestdriftig dweper voor 't oneindige. Een parallel zijner

beschouwingen over 't zonnestelsel vinden we in zijn theologie: God

is de oneindige; de wereld, zijn schepping, is ook oneindig. Aan te

nemen, dat God, die de oneindigheid had, die ook in zijne schepping

niet geven zou, streed tegen zijn Goedheid. Ook kan men zich niet

iets als mogelijk en niet-werkelijk bij God denken: mogelijkheid en

werkelijkheid zijn tegenstellingen, die in den mensch liggen, niet

bij God te zoeken zijn.

Bruno heeft voor het recht van 't Copernicaansche wereldbeeld gestreden

en het uitgebreid. Dit is zijn groote beteekenis.

In zijn filosofische ideeën is hij meer vaag en zijn standpunt is

niet steeds hetzelfde. Hij begint als Platonist en ziet in de wereld

een emanatie der Godheid. Langzamerhand echter, reageerend op Plato

en Aristoteles, krijgt zijn leer een meer realistisch karakter: Hij

wordt zeer getroffen door de beteekenis der stof, ziet in haar niets

verachtelijks, maar veeleer een goddelijke oorzaak der dingen. Naast

de stof staat echter eene geestelijke substantie, die alle vormen

bevat. In zooverre is dus Bruno dualist. Maar bij hem is een streven

naar eenheid. Beide, de stof en de geestelijke substantie, laat hij

uit één wortel ontspringen. In dat Eéne vallen alle tegenstellingen

weg. God is dus meer negatief te bepalen, door wat hij niet is,

dan positief door wat hij is. Waardoor nu uit de Eenheid zich de

Veelheid ontwikkeld heeft, hoe het komt, dat uit God, in wien alles

vereenigd is, zich het stoffelijke en 't geestelijke heeft gescheiden,

dat alles behandelt Bruno niet.

Deze opheffing der tegenstelling gaat gepaard met een optimistische

wereldbeschouwing: van hemelsch standpunt gezien, bestaan verandering,

dood, ongeluk, vernietiging niet. Deze optimistische stemming

echter vermag Bruno slechts zoolang vast te houden, als hij in

hoogere regionen vertoeft. Komt hij op aarde, dan wordt hij door de

tegenstellingen en de misères van 't aardsche leven sterk aangegrepen

en vat die tragisch op.

In zijn latere werken bracht Bruno nog meer wijzigingen in zijn

opvattingen, die echter niet alle even duidelijk zijn.

In al zijn beschouwingen is echter éen gemeenschappelijke trek

overheerschend: de natuur is eeuwig, oneindig, onvernietigbaar. Hij

meent dat dit overeenstemt met den godsdienst en houdt deze daarom

voor niet-tegenstrijdig met zijn wijsbegeerte. Het hoogste doel van

deze is ook: kennis Gods. Het is tegelijk haar grens: God is alleen

door het geloof te naderen en Hij wordt meer door zwijgen dan door

spreken geëerd.

Het schijnt wel, dat in sommige zijner geschriften Bruno den godsdienst

meer voor de massa en de weinig gevorderden noodig heeft geacht,

de wijsbegeerte als het goed heeft aangezien voor degenen, die zich

zelf en anderen kunnen beheerschen.

Hoe vrij Bruno overigens in godsdienstzaken denkt, moge hieruit

blijken, dat hij, zij het ook bedekt, te kennen geeft, dat Christus

daarom vereerd wordt, omdat hij de beste mensch was, en als zoodanig

ook eerste priester is geworden.

Uit de ontwikkelingsgeschiedenis van het Menschelijk Denken, Deel 1 van 2 · 第 48 / 105 题