De tweede richting vormen de gnostici. Daar het Christelijk geloof
met tal van vreemde religies in aanraking kwam, dreigde er gevaar
voor verflauwing der grenzen. Er ontstond nu een streven om het
Christelijk geloof onder formules te brengen en het niet alleen als
geloof, maar ook als kennis (gnosis, vandaar gnostici) voor te dragen.
De gnostici waren meest mannen met groote kennis van de andere
godsdiensten en namen daar zooveel elementen uit op en bouwden hun leer
zoo zelfstandig, dat zij ten slotte als ketters beschouwd werden en
uit de gemeente gestooten. Van het leven der meeste gnostici is zeer
weinig bekend, van hun geschriften is niet veel over. Hun optreden
valt zoo ongeveer tusschen 150 en 250 na Christus; bekende namen
zijn: Saturninus, Basilides, Karpokrates, iets later Valentinus
pl. m. 160, Bardesanes.
Wat de gnostici een hoogst belangrijke plaats geeft in de geschiedenis
der wetenschappen, is, dat zij het begrip der geschiedenisphilosophie
opgesteld hebben. Zij zagen niet langer in de geschiedenis een bloote
aaneenrijging en op elkaarvolging van gebeurtenissen; niet in het
leven der menschheid een deel van het eeuwige wereldproces, van worden,
bestaan en vergaan, zooals sommige Grieksche denkers zich dat gedacht
hadden. Zij beschouwden de geschiedenis der menschheid als een naar
een bepaald plan afloopende ontwikkeling. De geschiedenis had een doel:
er verwezenlijkte zich een gedachte in.
Voor de gnostici is de wereldgeschiedenis één groot drama: de afval
van den mensch, de komst van Christus, de komst van het koninkrijk
der hemelen. Alles loopt ten slotte uit op dat eene groote doel: de
komst van het godsrijk. De verschijning van Christus is het keerpunt,
en--waarin ook alle Christelijke denkers mogen verschild hebben, dit
stond voor hen allen vast: Jezus' komst bracht de groote verandering
in den loop der geschiedenis: het was de overwinning van het booze
door het goede.
Tot op onzen tijd heeft deze leer haar aanhangers gevonden;
onze groote dichter Da Costa (1798-1860) heeft haar steeds weer
uitgesproken in zijn verzen en zij ligt ten grondslag aan zijn
geschiedenisbeschouwing. Als hij b. v. de 25 jaren van 1815-1840 zal
bezingen, zegt hij:
Om aan de eindpaal der tijden een toekomst te ontmoeten,
Die alleen van die tijden den loop leert verstaan.
Die toekomst is het godsrijk op aarde.
Op allerlei wijzen hebben de gnostici dit beginsel nu toegepast en
verder ontwikkeld. In 't bijzonder deed zich een tegenstelling voor
over de vraag naar de beteekenis van de Joden. Voor sommigen is de
overwinning van het jodendom door het christendom een overwinning
van den joodschen lageren God door den hoogeren, den door Christus
geopenbaarden God. Voor anderen daarentegen is de God van het Oude
en Nieuwe Testament dezelfde. Volgens hen heeft God zich geopenbaard
in Christus.
In de Joodsche profeten en in de Grieksche filosofen werpt de
openbaring echter reeds haar licht vooruit en zoo is er dus een
zekere opeenvolging in de Goddelijke openbaring en is het Jodendom
te beschouwen als een soort voorbereiding, die de menschheid uit
paedagogisch oogpunt doormaken moest. Aan deze laatste leer heeft de
kerk vastgehouden.