Toen de gnostici tot allerlei afwijkingen van de Christelijke leer
kwamen, viel hun taak, de wetenschappelijke formuleering der leer,
aan anderen ten deel. Clemens van Alexandrië ( pl. m. 127) en Origines
(185-254) zijn de voornaamste denkers dezer richting. Clemens was hoofd
der katechetenschool te Alexandrië. Origines was een tijdlang leeraar
en woonde later, na menige vervolging verduurd te hebben, in Caesarea
en Tyrus. Origines grondvest de Christelijke theologie. God, van
eeuwigheid bestaande en scheppende, heeft eerst zijn Zoon geschapen,
den Logos, die als zelfstandig persoon gedacht wordt en ook zelf God
is. Daarna zijn er een groot aantal geesten geschapen, die nog zijn
en waarvan sommigen door hoogmoed van God afgevallen zijn. Tot hun
loutering wordt de stof geschapen en de geesten worden menschen.
Uit de stof heffen zich de gevallen geesten weder omhoog tot hun
goddelijken oorsprong met behulp van de genade die hun deelachtig
is geworden door Christus. Deze is Gods Zoon, die door zijn leven de
menschen verlost heeft.
Origines houdt zich ver van de afwijkende speculaties der gnostici. In
den bijbel, zooals die door de kerk geaccepteerd is, ziet hij de
bron van ware kennis. De bijbelboeken moeten verklaard worden. Hoogst
opmerkelijk is hier de opvatting van Origines. Voor de massa zijn de
geschiedkundige feiten; het zinnelijke (somatische). In deze verhalen
moet men de zedelijke beteekenis zoeken en vindt dan den geestelijken
(psychischen) zin. Maar de diepste beteekenis van het evangelie is
de pneumatische, die slechts aan enkelen geopenbaard wordt. Voor de
kerk beteekent dat geen gevaar. Immers àlle beoogen één doel: het
heil der gemeente. Sommigen hebben den somatischen zin nog noodig,
anderen zijn reeds verder.
Het levendige geestelijke verkeer te Alexandrië oefende ook invloed
uit op Clemens en Origines. Door hen (Origines zou ook nog een leerling
van den zakkendrager Ammonius geweest zijn even als Plotinus) zijn er
veel elementen uit de Joodsch-Oostersch en Hebreeuwsche wijsbegeerte
in het christendom gekomen. Hoog stelt Clemens de Grieksche denkers:
de wijsbegeerte heeft de Grieken voor het christendom opgevoed:
"Slechts één weg leidt tot de waarheid, maar op dien weg loopen
van elders andere paden uit, gelijk beken in een altijd stroomende
rivier." In dit beeld is misschien meer waarheid dan Clemens zelf
gedacht heeft. Zooals een rivier het water opneemt van de beken
en zich daarmee vermengt tot een geheel, zoo kwamen de Grieksche
elementen in het christendom. Ten slotte kwamen alle wateren samen
in een geweldigen stroom en langs dien stroom ging langen tijd het
geestelijk verkeer der middeleeuwen: Augustinus.
§ 29. Augustinus.
Leven.
Het leven van Augustinus is ons vrij nauwkeurig bekend door zijn
met groote eerlijkheid geschreven "Confessiones" (belijdenissen)
[43]. Hij werd in 354 te Thagasta in Numidië geboren uit welgestelde
ouders. Zijn moeder Monica was een christin, die vader (heiden) en
zoon met groote tact leidde. Augustinus laat zich zeer waardeerend
en liefdevol over haar uit. Hoever haar invloed gestrekt heeft op
zijn ontwikkelingsgang valt moeilijk te zeggen. In zijn jeugd leidde
hij een "wild leven" al mag misschien zijn later standpunt hem dat
leven wat al te zwart hebben doen inzien. Achtereenvolgens hing hij
verschillende wijsgeerige stelsels aan, liet af van zijn zondig leven
en ging ten slotte tot het christendom over, daarvoor gewonnen door
bisschop Ambrosius van Milaan. In 391 werd hij bisschop van Hippo
Regius en in 430 stierf hij.
Persoonlijkheid.
Augustinus was een zeer groote persoonlijkheid. Aan een hartstochtelijk
karakter, een rijk en diep bewogen gemoedsleven paarde hij een
scherpzinnig verstand, een groote kennis, een krachtigen wil,
een schier onvermoeibare arbeidskracht. Dikwijls heeft men zijne
confessiones vergeleken met die van Rousseau. Rousseau verwijt zich
zijn ongerechtigheden bitter, maar schijnt er zich bijwijlen in te
verheugen en geniet van sommige herinneringen (§ 54). Augustinus
schrijft niet dan met groote smart en onder herhaalde aanroeping van
God [44].
"Men kan probeeren de leer van Augustinus te construeeren uit
het samenvloeien van de verschillende stroomingen vóór hem;
men kan trachten zijn stelsel te verstaan uit zijn merkwaardigen
ontwikkelingsgang, maar nooit kan men den denker dan geheel begrijpen.
Dit is zijn geheim en zijn grootheid: hij kende zijn eigen hart als
het slechtste en den levenden God als het hoogste goed. Hij leefde in
de liefde tot God en hij bezat een meesleepende vaardigheid innerlijke
waarnemingen uit te spreken." (Harnack).
Augustinus is de wijsgeer der innerlijke ervaringen. Dit is voor de
filosofie zijn enorme grootte en dit bepaalt ook de grenzen van zijn
beteekenis en arbeid.
Werken.
Augustinus heeft tal van werken geschreven. Het meest beroemd zijn
zijn Confessiones, die nog heden druk gelezen worden. Het kost menigen
modernen lezer zeer veel moeite zich eenigermate in den geestestoestand
in te denken van den man, die zichzelf zoo zwaar beladen weet met
zonde en schuld. Kan men dit niet, dan schijnen de Confessiones,
zooals iemand gezegd heeft, "vol ijdele uitroepen en herhalingen,
nietszeggende frasen." Naast de Belijdenissen staan dan nog de werken
van den vrijen wil, de Drieëenheid, de onsterfelijkheid der ziel, enz.
Evenals in de filosofie bekleedt Augustinus een groote plaats in de
theologie. Langen tijd gold zijn leer als de leer der kerk en nog in
1690 (7 Dec.) veroordeelde Paus Alexander VIII een stelling, volgens
welke ieder die vond dat een leerstuk klaarblijkelijk op Augustinus
steunde, dat vrijuit mocht volhouden en onderrichten, zonder acht
te slaan op eenige pauselijke bul. Juist uit het veroordeelen van
deze stelling blijkt duidelijk dat men Augustinus' leer toen nog van
zoo groote beteekenis achtte, dat de paus het noodig vond zijn gezag
boven dat van Augustinus te plaatsen [45].
Augustinus' leer.
Augustinus' denken keerde zich naar zijn eigen ziel. Zooals Marcus
Aurelius tot zichzelf ingekeerd was, zooals ook bij de Neo-Platonici
den blik op het innerlijke gericht geweest was, zoo was ook, bij
Augustinus de aandacht gevestigd op het eigen zieleleven: "keer tot
u zelve in, in den mensch woont de waarheid" is zijn aanmaning. Maar
Augustinus is geen "Grübler," die wel tot zichzelf inkeert maar
"er niet uitkomt." Zijn zelfbeschouwing brengt hem 't rijkst gewin.
Hij is, zagen wij, aanhanger geweest van verschillende wijsgeerige
stelsels en het scepticisme heeft een diepen invloed op hem
uitgeoefend. Maar het is voor hem de doorgang geworden tot kennis.
Als ik twijfel, zegt hij, kan ik aan alles twijfelen, maar niet aan
dit eene, dat ik twijfel en dus ben (dubito ergo sum.) Maar in den
twijfel zijn reeds allerlei andere elementen: herinnering aan de
feiten, die mij tot twijfel hebben gebracht, redeneering over de
verschillende graden van mijn twijfel, begeeren, want ik zou niet
twijfelen als ik niet de waarheid zocht. Augustinus heeft veel meer
dan de Grieksche denkers inzicht in de EENHEID van ons zieleleven.
Uit den twijfel nu komt hij tot 't begrip Gods. De waarnemingen der
buitenwereld dringen zich als 't ware met geweld aan ons op. Hoe
komt het nu, dat wij er toch aan twijfelen? Dan moeten er in onze
ziel gegevens zijn die ons als maatstaf dienen bij de beoordeeling der
waarheid, gegevens, die niet van buiten tot ons kunnen gekomen zijn. Er
zijn dus in ons bewustzijn aanwezig normen van goedheid en schoonheid,
logische beginselen volgens welke wij denken. De waarheid nu is;
bestaat [46]. De beginselen in onzen geest aanwezig zijn de inhoud van
Gods geest. Zij zijn de normen aller dingen die Gods geest bevat. Zoo
is God het hoogste zijnde niet alleen maar ook het Goede en het Ware.
Alle kennis ontstaat naar de in ons aanwezige normen, die de Goddelijke
ideeën zijn: al onze kennis is dus eigenlijk Godskennis. Ten slotte
zullen wij op aarde God niet leeren kennen, maar door kennis van ons
eigen bewustzijn, stijgen we op tot kennisse Gods.
In ons zieleleven nu vinden we het bestaan van een groot aantal
voorstellingen, deze verbinden we in 't oordeel en onze wil drijft
ons tot dit oordeelen. Ons zieleleven openbaart zich dus als
voorstelling, oordeel en wil (memoria, intellectus, voluntas.) Met
deze drie zijden van het menschelijk bewustzijnsleven stemmen min
of meer de personen der Drieëenheid overeen, en in de goddelijke
almacht, alwetendheid en algoedheid is de heele wereld. Augustinus
is in zijn psychologie in besliste tegenstelling met de Grieken:
voluntarist. We zagen hoe bij dezen de voorstelling, het intellect,
steeds het eerste was, hoe ze zich ons bewustzijn steeds min of meer
passief opnemend dachten. Voor Augustinus nu ligt het kernpunt van
ons geestelijk zijn in het willen, een standpunt, dat door de meeste
moderne psychologen aangenomen wordt. Uiterst scherpzinnig toont hij
aan, hoe in ons bewustzijnsleven de wil meewerkt: bij onze waarnemingen
richten wij onze aandacht op iets, het hangt van onzen wil af, of wij
onze eigen bewustzijnsverschijnselen tot voorwerp van denken zullen
maken, bij herinnering komt meestentijds de gewilde bezinning, bij
denken beoogen wij een doel, door den wil gesteld.
Augustinus is een beslist voorvechter van de wilsvrijheid. Zonder deze
meent hij is er geen zedelijke verantwoording. Hij zou weer Manicheeër
[47] moeten worden en de zonde als iets stoffelijks beschouwen, om het
kwade handelen der menschen te kunnen verklaren, dat hij nu aan hun
eigen schuld kan toeschrijven. De mensch heeft dus oorspronkelijk een
vrijen wil maar in Adam is de mensch gevallen: diens schuld komt als
erfzonde op den mensch, en zoo kan de mensch niet meer dan zondigen
(niet zondigen kan hij niet: non posse non peccare.)
Redding is alleen mogelijk in Christus: wie door God van
te voren uitverkoren zijn om in hem te gelooven worden zalig
(praedestinatieleer), wie niet uitverkoren zijn, blijven in het
bederf. Deze eeuwige verdoemenis denkt Augustinus zich meer geestelijk
dan stoffelijk.
De uitverkiezingsleer behoeft volgens Augustinus niet te lijden
tot een verslapping der zedelijke inspanning: de christen zal zich
beijveren zoo rein en heilig mogelijk te zijn. Op aarde moet hij
kampen, worstelen tegen het rijk der duisternis.
De geschiedenis ziet Augustinus onder het gezichtspunt, dat er is een
rijk der genade, waartoe de uitverkorenen behooren en een rijk der
duisternis, waarin satan regeert. Meer en meer scheiden die rijken
zich, tot ten slotte de eeuwige sabbath komt voor het volk Gods.
Het kwaad is dus wel ontstaan, heeft een begin, het heeft geen eind.
Tegenover den staat verhoudt hij zich dus afwerend; de onderdanen
uit het rijk der duisternis vechten met elkaar om eer en macht en
schijngoederen en de staten zijn eigenlijk scheppingen van satan.
Zoolang dus de christen op aarde is, strijdt hij, is zijn wil
werkzaam. Is hij eenmaal in de gelukzaligheid, dan zwijgt zijn wil:
het aanschouwen Gods is zijn gelukzaligheid: voor de aarde wil en
handeling en strijd, voor de eeuwigheid vrede en aanschouwing.