Eerst komen de apologeten, die de Christelijke leer verdedigen tegen
de aanvallen der Grieken. Zij leeren, dat de goddelijke rede, de logos,
eerst ten volle geopenbaard is in Christus, terwijl de groote Grieksche
wijzen als Socrates en Plato iets van de waarheid hebben. Dit danken
zij of aan onmiddellijke ingeving of aan hun kennis van de geschriften
van Mozes, die bij hen ondersteld wordt. De bekendste der apologeten
is Flavius Justinus (de martelaar), die omstreeks 160 te Rome als
slachtoffer van zijn geloof gevallen is. Andere namen zijn: Athenagoras
(2de eeuw), Lactantius (4de eeuw). Tegen alle aantijgingen en bezwaren
verdedigen de apologeten hun leer. Zoo zegt Municius Felix bijv., dat
het niet hebben van tempels en altaren en beelden bij de Christenen
niet voortkomt uit gebrek aan eerbied, maar juist uit eerbied:
"Welken tempel zouden onze zwakke handen Hem ter eer kunnen oprichten,
wanneer het heelal, het werk zijner handen, Hem nauwelijks omvat."