§ 28. De Patristiek.
In Augustinus treffen we den grootsten denker aan van 't begin der
Middeleeuwen: hij heeft de Christelijke leer tot een machtig systeem
ontwikkeld. Vóór we hem behandelen, moeten we even kennis maken met
een richting, die van ongeveer de tweede tot de vijfde eeuw loopt
en dus naar tijdsorde behoort tot de antieke filosofie, die ook in
zekeren zin een pendant vormt tot het neo-Platonisme: de patristiek,
zoo geheeten naar de kerkvaders (patres--vaders).
Het is niet te verwonderen, zagen wij in het vorige hoofdstuk, dat
de Grieken het Christendom een dwaasheid vonden. Het streven der
patristiek nu is, om het Evangelie tot een filosofisch systeem te
maken, en aan te toonen, dat het Christendom eigenlijk de eenige ware
filosofie is. Deze taak viel vooral ten deel aan mannen die bekend
waren met de Grieksche wijsbegeerte. Drie richtingen pleegt men in
de patristiek te onderscheiden.