CYNICI.

Antisthenes, ± 440 geboren, is de stichter der Cynische

school. Practische toepassing vond ze in Diogenes, den "wijze van

't vat," en tot in den Romeinschen keizertijd vond ze aanhangers,

die dan echter moeilijk te onderscheiden zijn van de Stoïcijnen,

daar de Cynische school in de Stoa verliep. Haar naam dankt ze aan

't "gymnasium" [25] Kynosarges. Later werd aan de Cynici wel den

scheldnaam Kunoi, honden gegeven, die ze tot een eerenaam maakten,

zooals onze geuzen den scheldnaam bedelaars als eeretitel zouden

hebben aangenomen.

Antisthenes dan leerde, dat de gelukzaligheid alleen bestond

in de deugd zelf; ze was genoeg voor den wijze, in haar had hij

lust. Socrates had geleerd: deugd brengt gelukzaligheid. Antisthenes

leerde deugd is gelukzaligheid en sterker: gelukzaligheid bestaat in

de deugd. Schijnbaar heeft hij hiermee het hooger standpunt bereikt,

dat later, in de filosofie van Kant, opkomt: beoefent de deugd om

haars zelfs wil, het loon vindt ze in zichzelf. Deugd blijft een goed,

onder alle omstandigheden des levens.

Intusschen is dit niet zoo. Want Antisthenes had toch steeds 't

persoonlijk geluk in 't oog. Hij meende nu, dat dit te vinden was,

door ons los te maken van de behoeften. De buiten-wereld hebben we niet

in onze macht. Niet van ons hangt het af, of we rijkdom, gezondheid

en menscheneer zullen kunnen krijgen, die sommigen noodig hebben om

gelukkig te leven. Maar wel hangt van ons af onze eigene gezindheid,

onze gemoedstoestand. Ontwennen we ons aan aardsche genietingen,

keeren we ons af van de wereldsche behoeften, dan zal hun gemis

ons niet smarten, geen streven naar hun bezit zal ons ontrusten:

we zullen ons vrij voelen en gelukkig.

Van deze leer trok Diogenes de consequenties. Of hij wegens valsch

munten is vervolgd, staat niet vast. Ouder geworden schijnt hij zijn

leven als "paedagoog" doorgebracht te hebben in Corinthe, waar hij

misschien door zelfmoord gestorven is. Diogenes leeft voort in de

herinnering door zijn eenvoudig leven. Men heeft hem in Athene wel den

razenden Socrates genoemd. Toch is hij van zekere cultuurhistorische

beteekenis.

Tegenover de zucht naar macht, eer, rijkdom, weelde, zinnelijke

genietingen, die, als ze naar bevrediging zoekt en eenig richtsnoer

van het handelen wordt, niets anders dan 't bankroet der staten en

dat van 't geestelijk leven met zich brengen kan, is 't noodig dat

steeds weer nadruk gelegd wordt op de waarde der eenvoudigheid, dat

er gewezen wordt op het schoone van een leven zonder behoeften. "Hoe

minder behoeften, hoe nader de goden."

Dit theoretisch en practisch gedaan te hebben, is de groote verdienste

der cynici. Ze hebben daardoor mee den akker geploegd, waarin straks

het zooveel betere koren der Stoïcijnsche leer zal opschieten.

Maar bij het streven der cynici worden we levendig herinnerd aan

Goethe's drastisch beeld, waarin hij de menschelijke eenzijdigheid

teekent: een mensch is gelijk aan een beschonken boer, die, als men

hem aan den eenen kant op 't paard helpt, er toch aan de andere zij

weer afvalt. Dit overvallen naar den anderen kant vertoonen de Cynici

maar al te sterk.

Hun afkeer van weelde leidde tot verachting van alle civilisatie

en beschaving, hun terugroepen van de natuur tot een miskenning van

alle historische ontwikkeling. De sophistentegenstelling thesei en

phusei dreven zij tot 't uiterste door; en voor alles wat thesei was,

toonden ze de grootste verachting.

Niet alleen dat ze zich volstrekt niet aan maatschappelijke

vormen, behoorlijke kleeding, enz. stoorden, maar ze ontkenden

ook de natuurlijkheid èn van het zedelijk èn van het lichamelijk

schaamtegevoel.

Vaderlandsliefde kenden ze niet: toch was hun cosmopolitisme geen

gevolg van algemeene menschenmin, maar van onverschilligheid voor

den staat, die ze als een menschelijke instelling verachtten.

Godsdienst.

Ten opzichte van den godsdienst waren zij atheïsten. Latere cynici

gingen zoover, dat ze spotten met alle mythe en overlevering,

terwijl de eersten getracht hadden ze een andere beteekenis te geven

en er zedelijken zin in te zoeken. Met een Hollandsche parallel der

19de eeuw zou men de latere cynici bij Jan Rap kunnen vergelijken,

die zijne zusjes, omdat ze nog aan wonderen geloofden, aangrijnsde,

terwijl men in de eerste cynici dan meer die modernen uit de Genestet's

tijd zou kunnen zien, die aan de bijbelsche wonderverhalen een natuur-

of zedekundige beteekenis trachtten te geven.

Het is opmerkelijk, dat bij hen twee verklaringsvormen voor 't

ontstaan van den godsdienst [26] opkomen, die ook in de 18de eeuw

een plaats vinden:

Euemeros, en naar hem heet deze leer Euemerisme, meende de

godsvereering te moeten terug voeren op een vereering van helden

en voorvaderen, latere cynici zagen in godsdienst voornamelijk

priesterdwang en werden niet moede aan te toonen hoeveel onwaars en

huichelachtigs er b.v. in het orakel van Delphi school (Vergelijk De

Deïsten § 47 bl. 303 v.v.).

Het cynisme een proletariërs filosofie.

De kreet "terug naar de natuur" wordt vooral aangeheven in tijden van

overbeschaving. Het is duidelijk, dat beschaving licht overbeschaving

schijnt aan menschen uit standen of landen, waar minder beschaving

heerscht. Zoo is er in de 19de eeuw misschien geen land, waar de

roep zoo sterk gehoord is als in Rusland, waar Tolstoi's naam er aan

verbonden is. Misschien dat de binnendringende Westersche beschaving

den Russen reeds overbeschaving lijkt. Zoo was het in de 18de eeuw

Rousseau, die als graveursleerling en lakei werkzaam was geweest,

die de leuze deed hooren.

In Griekenland waren het vooral de half-Grieken, die het cynisme

aanhingen, mannen, uit oorden afkomstig, afgelegen van Athene en

het centrum der beschaving, ook mannen, niet van zuiver Grieksche

afkomst. Hun mag het Atheensche leven eerder overdadig toegeschenen

hebben dan den Atheners zelf.

Het is niet onbegrijpelijk, dat armen, die toch niets bezaten, in het

cynisme een leer vonden, passend voor hunne behoeften. Die leer was

geschikter voor hen, dan een, die het genot predikte, dat zij toch

niet konden verkrijgen. In zooverre heeft men 't cynisme terecht een

proletariërsmoraal genoemd.

Toch weet de historie ook te vertellen van rijke menschen, die zich van

hun vermogen ontdeden, om als eenvoudige lieden verder te leven. Dit

is niet het eenige punt, dat aan het Christendom doet denken. Ook

hun prediken, hun gaan tot de menschen, hun vermanen herinnert er

aan. En, zooals Jezus zei: (Matth 9 : 12): die gezond zijn hebben den

medicijnmeester niet van noode, maar die ziek zijn,--zoo antwoordden

zij, wanneer men hun verweet dat zij zich bemoeiden met de armsten en

ellendigsten der maatschappij: dat de zieken den dokter noodig hadden,

terwijl--zooals ze er veelzeggend bij voegden--de dokter zelf geen

koorts behoefde te krijgen.

Zoo is er in het cynisme met al zijn afdwalingen en zonderlinge

grilligheden wel iets goeds te waardeeren, dat als een gistkiem kon

werken. Misschien hebben we, om het goede te halen uit al het dwaze,

waarin zij zelf en nog meer de overlevering dat gehuld hebben,

langer dan noodig bij hen gewijld en is het tijd, om te zien naar

die Socratici, welke met hen in lijnrechte tegenstelling staan:

de Cyrenaïci.

Uit de ontwikkelingsgeschiedenis van het Menschelijk Denken, Deel 1 van 2 · 第 18 / 105 题