Aan de noordkust van Afrika lag de bloeiende stad Cyrene. Haar klimaat
was heerlijk, de omgeving verrukkelijk schoon. In deze weelderige
stad ontstond de cyrenaïsche school, gesticht door Aristippus van
Cyrene; door diens dochter, Arêtê overgedragen op zijn kleinzoon,
den jongeren Aristippus. Bij een Olympisch feest zou Aristippus kennis
hebben gemaakt met een leerling van Socrates en zich daardoor opgewekt
gevoeld hebben om ook Socrates te bezoeken.
Terwijl de cynici allen lust veroordeelden, en er naar streefden, zich
van alle uiterlijke genietingen onafhankelijk te maken, verklaarden
nu de Cyrenaïci den lust, de hêdonê, als princiep en was hun ethiek
dus hedonisme.
Hedonisme.
Drieërlei toestand was mogelijk: lust, onlust en de daartusschen
liggende neutrale zône. Wat nu de mensch alleen begeert, is lust. De
lust op zichzelf is altijd een goed. Misschien gaat berouw en leed
hem volgen. Dit beteekent, dat het leed als gevolg, verbonden aan den
lust, een grooter kwaad wordt geacht dan de lust een goed, maar dit
neemt niet weg dat de lust steeds iets begeerenswaardigs is. Stel,
iemand heeft, zijn wraak botvierend, een vijand gedood. Het gevoel van
bevredigde wraaklust is lust, een goed. Maar--aan de daad, die hem dien
lust verschafte, zitten nadeelige gevolgen vast: b.v. gerechtelijke
bestraffing. De door deze daden gewekte stemming van leed kan
veel sterker zijn, dan de voorheen ontstane luststemming. Maar dit
verhindert niet, dat die eerste lust lust bleef.
Bij de Cyrenaïci treffen we een uiterst merkwaardige ontwikkeling aan.
De eersten verklaarden den oogenblikkelijken lust als den
voornaamsten. Natuurlijk moet een stérker genot boven een zwakker
staan en daarom werd ook het zinnelijk genieten bovenaan gesteld.
In dit genieten evenwel werd reeds een element van overweging
gebracht. De wijze moest phronêsis, verstandig inzicht, waardeschatting
hebben. Met fijnen smaak moest hij afpassen en afmeten, wat hem lust
gaf. Aristippus was een man van de wereld, fijn beschaafd, beminnelijk,
van aangename vormen, thuis in alle kringen der maatschappij, overal
"het goede" nemend waar hem dit geboden werd.
Maar deze phronêsis bracht hem reeds heen over wat wij met eene moderne
uitdrukking de "souvereiniteit van het oogenblik" noemen. Aristippus
wilde beheerschen, niet beheerscht worden.
Zoo spoedig nu al een denken aan de toekomst komt, moet men menig
genot opgeven, omdat het licht grooter leed als gevolg zal meebrengen:
zoo kwam Anitteus er toe om geestelijke genietingen als vriendschap,
het hoogste aan te slaan.
Het bekend zijn met de vele rampen des levens moet er wel toe brengen,
reeds gelukkig te prijzen, die de rampen vermijdt, den toestand van
smarteloosheid bereikt heeft en wiens stemming dus gemiddeld in de
neutrale zône ligt.
Het sterkst werd Hegesias aangegrepen door de misères van het
leven. Ziekte, armoede, oorlog, het waren dingen, die elk oogenblik het
genot van verreweg de meeste menschen bedreigden. Voor hen dus geen
geluk, voor ze zeker zijn, niet meer door rampen gekweld te zullen
worden; voor ze gestorven zullen zijn. Hegesias is de peisithanatos,
hij die overreedt tot den dood, en men vertelt, dat hem 't verblijf
in Alexandrië ontzegd werd, omdat hij te velen tot zelfmoord zou
overgehaald hebben.
Zoo ging dus het hedonisme over tot pessimisme. De menschen, die
lust tot eenig ethisch princiep verklaard hadden, moesten erkennen,
dat dit op de aarde met haar tal van rampen niet te bereiken was, dat
het leven dus eigenlijk niet waard was geleefd te worden. Ze kwamen
tot de stemming, die de meest sceptische onder de bijbelschrijvers
heeft geuit in zijn woord:
"Dies prees ik de dooden boven de levenden."
In de school der Cyrenaïci kwam nog een andere merkwaardige
theoretische beschouwing op.
We hebben gezien, hoe de primitieve mensch uitgaat van het bestaan
eener buitenwereld en hoe hij gelooft, dat de indrukken, daarvan
verkregen, volkomen overeenstemmen met de buitenwereld.
Daarna komt twijfel aan de juistheid der zinnelijke indrukken, die
zoover gaat, dat de Eleaten alleen het zijnde als waar, de Atomisten
alleen de atomen en hunne beweging als waarheid erkennen, al 't andere
als doxa.
Zij staan dus eigenlijk zoo tegenover de kwestie, dat ze een
buitenwereld als zeker erkennen, terwijl de kennis er van ons onthouden
is (we kunnen het zijnde schouwen noch kennen). De indrukken, die
we krijgen en op een buitenwereld betrekken, zijn òf schijn- en
leugenbeelden (Eleaten) òf alleen opvattingswijzen van het individu
(Protagoras, Democritus) dus doxa.
Mogen we Gorgias ernstig nemen, dan gaat hij verder en loochent
alle kennis en alle weten. Hij ontkent dus zoowel het zijnde als de
mogelijkheid het te kennen.
Boven dit volstrekt nihilisme verheffen zich sommige Cyrenaïci tot
een juister opvatting, waarvan later tal van denkers ook van den
nieuweren tijd zijn uitgegaan en waarbij sommigen zijn blijven staan.
Gegeven zijn ons allereerst onze gewaarwordingen en
voorstellingen. Heeft iemand een voorstelling van een centaur [27]
b.v. en zegt: ik heb een voorstelling van een centaur, dan is dit
waar. De onwaarheid begint, als hij die voorstelling betrekt op de
buitenwereld en zegt: er is buiten mij een centaur.
Dat onze gewaarwordingen en voorstellingen het eerste ons onmiddellijk
gegevene zijn, spraken de Cyrenaïci uit.
Welk standpunt ze verder ingenomen hebben, is niet precies
bekend. Misschien hebben sommigen gemeend dat we niet uit onze
bewustzijnsverschijnselen konden komen en vertoonen ze overeenkomst
met onze moderne solipsisten. (Zie deel II).
Het moge hier de plaats zijn, een weerlegging van deze theorieën
die het "gezond verstand" aan de hand doet, mede te deelen. In de
nieuwere filosofie is deze leer verkondigd door Bisschop Berkeley (§
49) en werd ook door het gezond verstand bestreden.
"Welnu," zei men tegen hem, "als ge dan niet iets gewaar kunt worden
van de buitenwereld en als ge alleen uw bewustzijnsverschijnselen
hebt, waarom loopt ge dan b.v. voor een wagen uit den weg, loopt ge
niet in het water, enz. In uw practisch leven handelt ge dan niet
naar uw leer."
Het tegenargument luidt: ik ontken niet, dat ik een voorstelling heb
van water b.v.; dat op die voorstelling als ik in 't water loop,
een van nat-zijn of verdrinken zal volgen, en, daar ik alleen met
mijn voorstellingen moet werken, vermijd ik bepaalde voorstellingen;
in dit geval 't nat-zijn en dus het in 't water loopen. Ik ontken
dus alleen, dat er aan die opeenvolgende voorstellingen een rij
gebeurtenissen buiten mij beantwoordt.
Dat eene dergelijke redeneering geen sophisterij is, kan de lezer
misschien op deze wijze inzien:
Er zijn menschen met levendige fantasie, die zich graag allerlei
schrikbeelden in 't hoofd halen. Ze zullen b.v. beginnen: "hè,
de dokter gaat naar mevrouw B, ze is ook al oud, net zoo oud als
moeder. Gunst, zou moeder ook ziek zijn, dan kon ze wel sterven--enz."
Ze spinnen de gedachte breeder uit, tot ze ten slotte zeer droevig
zijn. Ze hebben dus een reeks voorstellingen, die uitloopen op een
leedgevoel, zonder dat die reeks beantwoordt aan een rij feiten in
de buitenwereld. Nu kan door de ervaring geleerd, zoo iemand later,
zoo spoedig een dergelijke voorstelling opkomt, die onderdrukken,
door andere vervangen, omdat hij de droevige stemming weren wil,
waarin hij zal geraken.
Op dezelfde wijze kon nu Berkeley b.v. vermijden, de voorstelling
van 't water te bekomen, omdat hij ook geen gewaarwording van nat
wou hebben.