GORGIAS 480-375.

Gorgias, geboren te Leontinoi op Sicilië (waardoor hij invloed

onderging van Empedocles, die uit Agrigentum afkomstig was), kwam in

427 te Athene, waar hij om hulp vroeg. Hij verbaasde de menschen daar

door zijn redenaarstalent. Was Protagoras de man van de rechtsrede,

die zich meer tot het verstand richtte, Gorgias is de meester der

pronkrede, die vol sierlijke wendingen spreekt tot het gevoel en

de fantasie.

Hooggeëerd stierf hij, over de honderd jaar oud. Als wijsgeer

verkondigde hij drie stellingen, die zich tegen de Eleaten richtten:

Het zijnde bestaat niet.

Als het bestond zouden wij het niet kunnen kennen.

Als wij het kenden, zouden wij het niet kunnen mededeelen.

Eenige belangstelling kan ons de derde stelling inboezemen. Hieruit

blijkt, dat Gorgias gedacht had over het feit, dat we nooit precies

kunnen nagaan, of de door ons gebruikte woorden en uitdrukkingsmiddelen

bij een ander precies dezelfde gedachten wekken als bij onszelf.

Gaan we nu in weinige woorden den toestand van het Grieksche denken

na, zooals dit zich had ontwikkeld van ± 600-450, dan bespeuren we

allerlei merkwaardigen vooruitgang.

1o. Het denken was begonnen; men had zich allerlei problemen gesteld

en aan hun oplossing de hand geslagen.

2o. Daarbij was men tot inzichten geraakt, die ook nu nog voor de

wetenschap van overwegend belang zijn:

strenge causaliteit;

onveranderlijkheid der grondstoffen;

mechanische opvatting van het natuurgebeuren.

3o. In de bijzondere wetenschappen had men allerlei vorderingen gemaakt

en men had de grondslagen gelegd voor velen lateren wetenschappelijken

arbeid.

Met name zijn te noemen:

De wiskunde, sterrenkunde, geologie, aardrijkskunde, ontleedkunde

van den mensch, dierkunde.

Daarnaast staan de eerste beginselen van de beoefening der

geesteswetenschappen: zielkunde, kennistheorie, ethiek, staatsleer,

opvoedingsleer, taal, geschiedenis.

4o. Men had geleerd te durven; een stelsel in zijn consequenties

te vervolgen; met absolute begrippen te werken. Men had zich dus

losgemaakt van de dagelijksche zinnelijke waarneming.

5o. In 't algemeen was de belangstelling vergroot: van de natuur had

men zich tot den mensch gewend en de gezichtskring was verruimd.

Voor ons, die zoo ver afstaan van deze geschiedenis en haar

ontwikkeling, moge deze vooruitgang in 't oog vallen; de tijdgenooten,

die er dichter bij stonden, zagen meer de onderscheidingen. Voor hen

bestonden dus allerlei tegenstellingen:

Thales: de oerstof is water.

Anaximander: ,, ,, ,, het apeiron.

Anaximenes: ,, ,, ,, de lucht.

Heraclitus: ,, ,, ,, het vuur.

Empedocles: er zijn vier elementen.

Heraclitus: alles wordt, zijn is er niet.

Eleaten: alleen het zijnde is, al het andere is doxa.

Atomisten: er is een ledige ruimte en beweging.

Eleaten: er is geen ledige ruimte en geen beweging.

Atomisten: er zijn alleen atomen, slechts naar grootte en vorm

verschillend.

Anaxagoras: er zijn zooveel soorten stoffen, als er eigenschappen

der dingen zijn.

Al deze verschillen drongen zich sterk aan de menschen op. Hierbij komt

nu op het gebied der normatieve wetenschappen [22] een wending. Al

't overgeleverde in staat, maatschappij, zedeleer en opvoeding wordt

onderzocht, en spoedig ontstaat de populaire meening, dat 't eene al

even goed recht heeft als het andere.

Het Grieksche denken komt in een moeras.

Het zal ondergaan, als er niet een man komt die, waardoor dan ook

gedreven, het geloof aan de waarheid herstelt.

Iemand, die invloed en kracht genoeg heeft, om dat geloof weer in

andere beteekenisvolle menschen op te wekken.

De man, die dit gedaan heeft, is Socrates.

§ 10. Socrates (470-399).

Leven en persoonlijkheid.

Zijn vader was beeldhouwer, zijn moeder vroedvrouw. Hijzelf was eerst

ook beeldhouwer, maar volgde weldra zijne roeping: leerend en zoekend

rondgaan onder de menschen. Aan één strijd heeft hij deelgenomen,

een enkele maal aan de rechtsspraak en zich in beide gevallen kloek

en voor zijn taak opgewassen betoond, maar overigens heeft hij zich

onthouden van bemoeiing met staatszaken.

Uit Athene kwam hij nooit, een eigenaardigheid, die men bij meer groote

denkers aantreft. (Kant b.v. verliet Koningsbergen bijna nooit). "De

boomen en velden konden hem niets leeren."

Hij wandelde op de markt, ging met handwerkslui zoowel als met

aanzienlijken een "praatje" maken en begon als een onwetende over

de eenvoudigste dingen te vragen. Steeds doorvragende, overtuigde

hij de ondervraagden meestal van hun onwetendheid en dan liet een

praatje met Socrates niet zelden bittere herinneringen achter.

Zijn kleeding, 's winters en 's zomers gelijk, was hoogst eenvoudig.

Van uiterlijk was hij foeileelijk. Den zoo op schoonheid gestelden

Griek was het bijna een wonder, dat een zoo edele gezindheid met

zoo'n leelijk uiterlijk gepaard kon gaan.

Geldzucht was hem vreemd. Belooning voor zijn lessen weigerde hij

nadrukkelijk. Van alle aanstellerij, pronkerij en ijdelheid was hij

verre. Hierin komt de groote tegenstelling uit met de Sophisten.

Hij was een verstandelijke nuchtere natuur, een intellectualist. Aan

dit koele hoofd verbond hij echter een warm hart, een innige religieuze

stemming, een hartelijke genegenheid voor zijn leerlingen, maar zijn

geestdrift gold de waarheid. "Een warm hart onder een koel hoofd, dat

is een zeldzame verschijning en het zeldzaamste aller verschijnselen

is een ongewoon machtig arbeidend hart, dat zijn gansche kracht

gebruikt om het hoofd koel te houden: een stoomketel gelijk, die een

ijsmachine aan het werk zet. Slechts enkele malen in tal van jaren

keert zulk een verbinding op groote schaal terug en ze oefent, als

om ons schadeloos te stellen voor haar zeldzaamheid, eeuwenlang haar

werking uit, zonder ooit aan invloed te verliezen." (Gomperz).

Om Socrates verzamelden zich vele leerlingen, waaronder uit verre

streken, (uit Kyrene aan Afrika's noordkust) en uit de rijkste en

aanzienlijkste geslachten, als Alcibiades, de neef van Pericles,

en Plato.

Hij verkeerde in den kring van Pericles, maar maakte geen onderscheid

tusschen arm en rijk.

Zijn kracht was geweldig.

Tegen koude, honger, dorst, vermoeienis, was hij uitstekend

bestand. Van zinnelijken aanleg, wist hij zijn neigingen absoluut te

beheerschen, was matig, maar kon 't wijngebruik verdragen.

Aan deze lichaamskracht voegde zich groote

geestkracht. Bewonderenswaard was zijn vermogen, om zich bij een

onderwerp te bepalen. Eens in 't veldleger bij Potidaea zou hij 24

uren aaneen nagedacht hebben over zijn onderwerp, zonder zich om iets

te bekommeren van wat rondom hem voorviel [23].

Tegen het eind van zijn leven werd tegen hem een aanklacht ingediend

door eenige menschen, waaronder de fabriekseigenaar Anytos. Ze luidde,

dat hij de goden, die de staat achtte, niet achtte, andere godheden

leerde en de jeugd verdierf.

Socrates verkoos niet te vluchten, waartoe hij de gelegenheid had. Hij

kwam ter vergadering, waar 500 Atheensche burgers naar de zeden dier

dagen recht zouden spreken.

Nadat de aanklagers hadden uitgesproken, verdedigde Socrates zich op

een waarschijnlijk eenvoudige, scherpzinnige, waardige wijze. Volstrekt

versmaadde hij het, de gewoonte dier dagen te volgen en door smeekbeden

en geklaag het hart der rechters te treffen.

Met dertig stemmen meerderheid werd het schuldig uitgesproken.

De aanklagers hadden de doodstraf geëischt. Nu mocht Socrates, naar

Atheensch recht, een tegeneisch stellen. Op aandrang zijner vrienden

deed hij dit en stelde den lagen eisch van 3000 drachmen boete,

na eerst gezegd te hebben dat hij zichzelf onschuldig oordeelde en

eerder onderscheiding dan straf verdiende.

Deze fiere houding schijnt de rechters geprikkeld te hebben; het

aantal stemmen voor zijn dood was grooter dan dat, waarmee hij schuldig

verklaard werd. Het bedroeg 360.

Na deze uitspraak schijnt hij nog een korte rede gehouden te hebben,

waarin hij tenslotte verklaarde: nu zullen we ieder een weg uitgaan,

gij naar het leven, ik naar den dood: wie van ons het beste deel zal

hebben, weet God alleen.

Het voltrekken van het vonnis liet op zich wachten, daar het

staatsschip, dat het jaarlijksche offer naar Delos bracht, nog niet

binnengevallen was. Voor dien tijd mocht geen doodvonnis ten uitvoer

worden gebracht. De hem restende tijd gebruikte Socrates om zich

met zijn jongeren te onderhouden en zoo zijn levenstaak voort te

zetten. Met de meeste beslistheid weigerde hij te vluchten hoewel

zijn vrienden daartoe alles in gereedheid hadden gebracht. "De

wetten mochten niet geschonden worden." Toen de dag des doods was

aangebroken, deed hij zijn schreiende vrouw Xantippe wegvoeren,

wisselde vriendelijke woorden met den man, die hem den giftbeker

reikte, vroeg hem, hoe hij zich gedragen moest, troostte zijn

bedroefde leerlingen en stierf met die hooge kalmte en waardigheid,

die hem zijn heele leven eigen waren geweest.

Zijn dood bezegelde zijn leven en niet het minst daaraan dankt hij dien

overweldigenden invloed, welke zijn hooge persoonlijkheid op ons maakt;

steeds weer zullen nieuwe geslachten bewonderend opzien tot den man,

die zóó wist te leven en te sterven.

"De doode Socrates is opgestaan niet alleen in de scholen, maar

ook in de geschriften zijner jongeren, die den vereerden Meester in

persoon lieten optreden, hem op de markt en in de gymnastiekscholen

met jong en oud verkeeren, zooals hij dat in zijn leven gewoon was

geweest. Zoo ging hij voort met onderrichten, ook nadat hij opgehouden

had te leven." (Gomperz).

Bronnen.

Voor onze kennis van Socrates moeten we ons wenden tot wat anderen van

hem mededeelen; zelf heeft hij geen boeken nagelaten. In aanmerking

komen vooral de werken van Xenophon en Plato [24]. Beiden geven

een verschillend beeld van den meester, beiden hebben waarheid en

verdichting gemengd.

Naast deze getuigenissen staan de karige uitspraken van Aristoteles,

die ver genoeg afstond om meer objectief te zien, dicht genoeg bij

om nog veel van betrouwbare ooggetuigen gehoord te hebben.

Xenophon, een ferm officier, een goed heereboer, een practisch man,

maar een wijsgeerige middelmatigheid, heeft in Socrates het nuttige,

het meer voor de hand liggende practische gezien.

Plato, een zooveel fijner, idealer geest, een kunstenaar van schier

onovertroffen beeldend vermogen, heeft een geïdealiseerd beeld

ontworpen van den wijze, die zijn meester was, maar komt het wezen

misschien meer nabij.

Daarbij komt echter, dat Plato in zijn dialogen Socrates zijn eigen

meeningen in den mond legt, dezen zelfs leerstellingen laat bestrijden,

die eerst na zijn dood ontstaan zijn, waarvan hij dan in den droom

kennis heeft gekregen.

Uit deze vermenging van waarheid en verdichting, uit geschriften van

mannen, die Socrates met zoo geheel verschillende oogen bezagen, juist

datgene samen te lezen wat waar is, is een taak, waaraan uitnemende

vorschers zich gewijd hebben, maar die niet gemakkelijk te volbrengen

is. Op vele hoofdpunten is men tot overeenstemming gekomen, op andere

heerscht nog verschil.

Socrates' methode.

Niet in de uitkomsten van zijn onderzoek, maar in de methode ligt de

groote beteekenis van Socrates' optreden. We zagen, dat in het Athene

zijner dagen het vertrouwen op een vaste waarheid in de kringen der

denkers geschokt was en dat het Socrates' innige overtuiging was,

dat er waarheid te vinden was. "Hij had de waarheid noodig en daarom

geloofde hij aan haar."

Allereerst nu wil Socrates de waarheid vinden op zedelijk gebied. Hij

tracht daartoe te komen door juiste definitie van zedelijke

qualiteiten. Door alle gevallen te beschouwen, in welke men een

bepaalde kwaliteit toekent, zocht hij dit te bereiken. Dit heeft men

in de oudheid zijn inductie genoemd en deze wijze van behandelen en

zijn streven naar juiste definities acht Aristoteles door hem in de

wetenschap ingevoerd.

De wijze, waarop hij te werk ging was hoogst eenvoudig. Hij zou

b.v. vragen: Wat is dapperheid? Den vijand aanvallen. Maar vluchten

om hem in een hinderlaag te lokken, ook? Maar vluchten en onderwijl

pijlen afschieten, is dat ook dapper?

De vraag naar de gerechtigheid komt ter sprake. Is het nu geen

gerechtigheid een zieke te misleiden, die men zijn spijs met de noodige

medicijnen vermengt, welke hij anders weigert. Mag een aanvoerder

zijn troepen tot moed opwekken, door te zeggen, dat er versterkingen

onderweg zijn?

Op deze wijze uitgaande van bepaalde gevallen tracht hij een overzicht

te krijgen over alle gevallen, waarin men een bepaalde eigenschap

toekende, om aldus te komen tot een definitie.

Deze Socratische wijze van vragen heeft veel navolging gevonden en in

het onderwijs heeft men er later op dwaze wijze misbruik van gemaakt

(tot in de 19e eeuw toe) door den kinderen vragen te stellen ook over

dingen, die ze niet konden weten. Thans echter komt deze Socratische

methode, in theorie althans, niet meer voor.

Zijn ironie.

Bij dit vragen deed hij het dikwijls voorkomen, alsof hij het zelf

niet wist: gedeeltelijk was dit waarheid, gedeeltelijk een masker,

waarachter hij zijn eigenlijke bedoeling weer verbergen kon. Deze

redeneerkunst noemden de ouden de Socratische ironie.

Maieutiek.

Zelf vergeleek hij zijn werk wel eens bij de zware taak zijner moeder:

ook hij trachtte de waarheid tot leven te roepen. Dit is zijn maieutiek

(Grieksch maieuomai = verlossen).

Leer.

In het midden van Socrates' denken staat de mensch. Zijn

natuurbeschouwing is door en door teleologisch, overal vraagt hij

naar doel en nut. Terwijl het hem verheugde, dat Anaxagoras de noes

aan 't begin der wereldformatie plaatste, stelde het hem te leur,

dat hij niet in 't bijzonder de doelmatigheid van vele dingen aanwees.

Theologisch is zijne beschouwing zeker niet. Toch heeft hij niet

gebroken met alle overlevering, gebeden heeft hij wel opgezonden,

offers gebracht en ook 't orakel van Delphi stond bij hem in hooge

eer. Bewust monotheïst is hij ook niet geweest. Apollo vereerde

hij. Toch spreekt hij ook van den God, het Goddelijke. Dit schijnt

voor hem het inbegrip van alle goeds.

Tusschen de atheïsten dier dagen en de aanhangers der oude volksreligie

neemt hij dus een bemiddelend standpunt in. Trouwens in alle kringen

der "Aufklärung" kent men zulk een positie.

Maar voor de gronden zijner ethiek en levensleer gaat hij niet terug

op den wil der goden, maar op het inzicht der menschen.

Socrates huldigt een intellectualistische zedeleer: deugd is

inzicht. Niemand handelt opzettelijk verkeerd. Ondeugd is dwaling.

Deze leer tracht hij nu te bevestigen, bij Xenophon vooral,

door allerlei eigenaardige argumenten: men moet trouw tegen zijn

vrienden zijn, omdat het zoo profijtelijk is vrienden te bezitten,

enz. Dergelijke redeneeringen hinderen ons. Laten we echter voorzichtig

zijn in ons oordeel.

Allereerst is het zeker niet te ontkennen, dat goed inzicht van

belang is voor een deugdzaam leven. De 19e eeuw heeft nog gehoord:

wat ge aan scholen uitgeeft, bespaart ge aan gevangenissen. In vele

paedagogische systemen ook van den tegenwoordigen tijd wordt een groote

plaats ingeruimd aan den invloed, dien verstandelijke ontwikkeling

heeft op de zedelijke. Is dus de stelling als zoodanig eenzijdig,

er is een gehalte van waarheid in.

Letten we verder op 't specifiek Grieksche: het niet nauwkeurig

onderscheiden tusschen individueele en sociale deugden. Nu berusten

ongetwijfeld vele individueele deugden op het rechte inzicht in

de draagwijdte van onze handelingen. Afgezien van alle zedelijke

overwegingen kan men den mensch aantoonen, dat het zijn eigen

persoonlijk belang is, niet onmatig te leven, zijn betrekking stipt

te vervullen, niet verkwistend te zijn, enz. Het volkomen redelijke

dezer deugden, wier opvolging het persoonlijk welzijn van het individu

verzekert, is niet moeilijk aan te wijzen.

Bij onnauwkeurige onderscheiding van sociale en individueele deugden is

het niet te verwonderen, dat Socrates nu ook meende, deze redeneering

over het gansche gebied der deugd te kunnen uitstrekken. Misschien mag

ook het Grieksche woord "aretè," dat zoowel fermiteit, flinkheid,

kloekheid in 't leven, als deugd beteekent, hiertoe meegewerkt

hebben. En eindelijk: het opstellen van dien regel had bij Socrates

diepere beteekenis. Zijn eigen deugd is zeker meer uit den grooten

zedelijke ernst van zijn karakter voortgekomen, dan uit zijn inzicht:

Socrates was een even groot zedelijk als intellectueel genie. Hem moest

het bedroeven, dat de deugd werd geminacht, haar waarde in twijfel

getrokken; of juister, om een moderne uitdrukking te gebruiken,

deugd en ondeugd te zien stuivertje wisselen.

Waar echter eenmaal de autoriteit der deugd in twijfel getrokken was,

daar moest haar een zekeren grondslag worden verschaft. Socrates

nu trachtte haar redelijkheid te betoonen. Terwijl hij dus aan den

gemeenen man, den "braven burger" moest verschijnen als iemand,

die aan al 't hooge en heilige, zoowel als aan 't lage en gewone,

aan oud en nieuw morrelde en overal naar vroeg om alles op losse

schroeven te zetten, was het veeleer zijn streven, de oude deugden,

als bezonnenheid, gerechtigheid, een vaste basis te verschaffen.

Innig was zijn geloof aan de gelukzaligheid, die de deugd meebracht. Of

hier de taal ook meegewerkt heeft? Het Grieksche "eu prattein" kan

zoowel beteekenen goed doen, als: zich wel bevinden.

Eerder zal Socrates bij zich zelf echter opgemerkt hebben, dat deugd

bevrediging schenkt; terwijl hij rondom zich menschen zag, die zonder

consequentie handelend, heen en weer gezwiept werden door de stormen

van dien tijd. Hun ontbrak vastheid van levenslijn. En gaarne wilde

hij hun duidelijk maken, hoe alleen waarachtig geluk te vinden is in

het consequent doorvoeren onzer zedelijke beginselen. Socrates mag

(zooals ook onze tijd geeft te aanschouwen bij hen, die zaken--zaken

achten en hun zedelijke of religieuse levensovertuiging niet meenemen

in het practische leven--) allerlei "moralen" opgemerkt hebben voor

alle mogelijke toestanden, in de plaats tredend van één groot beginsel,

dat overal heerscht. Hoeveel minder gelukkig dan hijzelf moesten hem

deze menschen schijnen!

Het lag niet in zijn bedoeling de redelijkheid van de deugd in elk

bijzonder geval aan te toonen. Stond b.v. eenmaal vast, dat men de

wetten van den staat moest gehoorzamen, dan diende men dit, zooals

zijn eigen verheven voorbeeld leert, ook te doen, wanneer de wetten

in een bijzonder geval onrechtvaardig schenen.

Het daimonion.

Hoogst opmerkelijk is, dat Socrates zich bij zijn daden liet leiden

door een "innerlijke stem," die hem aanried, iets te doen of na te

laten. Hij noemde dit het daimonion. Het is moeilijk te zeggen wat

Socrates hiermee bedoeld heeft. Is het "de stem van zijn geweten"

geweest? Was het een intuïtief voelen van het goede en het kwade,

van het bij zijn persoonlijkheid al of niet passende, dat zich op

deze wijze kenbaar maakte aan den man, die alles op inzicht en

verstandelijke overweging wilde gronden en toch zelf zoo'n rijk

gevoelsleven had?

§ 11. De Socratici.

Door leerlingen van Socrates zijn scholen gesticht, die tot ver

na Christus' geboorte aanhangers gevonden hebben. Van zeer groote

beteekenis zijn ze niet geworden. Nieuwe beginselen hebben ze

zoo goed als niet ontwikkeld; eenzijdige doorwerking van eenmaal

gegeven gedachten was hun werk. Ze gevoelden weinig voor de theorie:

hun geheele wijsbegeerte werd de kunst om wèl te leven en ging op in

ethische vraagstukken. Terwijl deze richtingen als Socratische bekend

staan, mocht men hen liever sophistische noemen. Zoo is b.v. één

school eigenlijk alleen merkwaardig, omdat ze de sophisterij tot in

't uiterste dreef en die bekende, onbeduidende kwesties behandelde,

waaraan de oudheid zooveel behagen had: bij 't verlies van welke haar

iemand b.v. een kaalkop wordt en dergelijke.

Twee scholen zijn merkwaardiger: de Cynische en de Cyrenaïsche,

omdat hier al de tegenstelling op ethisch gebied ontwikkeld wordt,

die we later bij de Epicureeërs en de Stoïcijnen zullen aantreffen.

Leerzaam is het, de ontwikkeling der gedachten in deze scholen

eenigszins uitvoerig na te gaan: parallellen in onzen tijd ontbreken

niet en door hen beroerde kwesties bestaan ook nog onverzwakt voor ons.

Socrates had geleerd: deugd is leerbaar en is inzicht; zij maakt

gelukzalig. Hij had echter niet den inhoud van 't begrip deugd

vastgesteld: waarin bestaat de deugd. De Cynici zoowel als Cyrenaïci

zeiden: in den lust, in het aangenaam gevoel, in het persoonlijk

zich wel bevinden. Doch in de vaststelling van de wijze, waarop dit

te bereiken was, gingen ze uiteen.

Uit de ontwikkelingsgeschiedenis van het Menschelijk Denken, Deel 1 van 2 · 第 17 / 105 题