Gorgias, geboren te Leontinoi op Sicilië (waardoor hij invloed
onderging van Empedocles, die uit Agrigentum afkomstig was), kwam in
427 te Athene, waar hij om hulp vroeg. Hij verbaasde de menschen daar
door zijn redenaarstalent. Was Protagoras de man van de rechtsrede,
die zich meer tot het verstand richtte, Gorgias is de meester der
pronkrede, die vol sierlijke wendingen spreekt tot het gevoel en
de fantasie.
Hooggeëerd stierf hij, over de honderd jaar oud. Als wijsgeer
verkondigde hij drie stellingen, die zich tegen de Eleaten richtten:
Het zijnde bestaat niet.
Als het bestond zouden wij het niet kunnen kennen.
Als wij het kenden, zouden wij het niet kunnen mededeelen.
Eenige belangstelling kan ons de derde stelling inboezemen. Hieruit
blijkt, dat Gorgias gedacht had over het feit, dat we nooit precies
kunnen nagaan, of de door ons gebruikte woorden en uitdrukkingsmiddelen
bij een ander precies dezelfde gedachten wekken als bij onszelf.
Gaan we nu in weinige woorden den toestand van het Grieksche denken
na, zooals dit zich had ontwikkeld van ± 600-450, dan bespeuren we
allerlei merkwaardigen vooruitgang.
1o. Het denken was begonnen; men had zich allerlei problemen gesteld
en aan hun oplossing de hand geslagen.
2o. Daarbij was men tot inzichten geraakt, die ook nu nog voor de
wetenschap van overwegend belang zijn:
strenge causaliteit;
onveranderlijkheid der grondstoffen;
mechanische opvatting van het natuurgebeuren.
3o. In de bijzondere wetenschappen had men allerlei vorderingen gemaakt
en men had de grondslagen gelegd voor velen lateren wetenschappelijken
arbeid.
Met name zijn te noemen:
De wiskunde, sterrenkunde, geologie, aardrijkskunde, ontleedkunde
van den mensch, dierkunde.
Daarnaast staan de eerste beginselen van de beoefening der
geesteswetenschappen: zielkunde, kennistheorie, ethiek, staatsleer,
opvoedingsleer, taal, geschiedenis.
4o. Men had geleerd te durven; een stelsel in zijn consequenties
te vervolgen; met absolute begrippen te werken. Men had zich dus
losgemaakt van de dagelijksche zinnelijke waarneming.
5o. In 't algemeen was de belangstelling vergroot: van de natuur had
men zich tot den mensch gewend en de gezichtskring was verruimd.
Voor ons, die zoo ver afstaan van deze geschiedenis en haar
ontwikkeling, moge deze vooruitgang in 't oog vallen; de tijdgenooten,
die er dichter bij stonden, zagen meer de onderscheidingen. Voor hen
bestonden dus allerlei tegenstellingen:
Thales: de oerstof is water.
Anaximander: ,, ,, ,, het apeiron.
Anaximenes: ,, ,, ,, de lucht.
Heraclitus: ,, ,, ,, het vuur.
Empedocles: er zijn vier elementen.
Heraclitus: alles wordt, zijn is er niet.
Eleaten: alleen het zijnde is, al het andere is doxa.
Atomisten: er is een ledige ruimte en beweging.
Eleaten: er is geen ledige ruimte en geen beweging.
Atomisten: er zijn alleen atomen, slechts naar grootte en vorm
verschillend.
Anaxagoras: er zijn zooveel soorten stoffen, als er eigenschappen
der dingen zijn.
Al deze verschillen drongen zich sterk aan de menschen op. Hierbij komt
nu op het gebied der normatieve wetenschappen [22] een wending. Al
't overgeleverde in staat, maatschappij, zedeleer en opvoeding wordt
onderzocht, en spoedig ontstaat de populaire meening, dat 't eene al
even goed recht heeft als het andere.
Het Grieksche denken komt in een moeras.
Het zal ondergaan, als er niet een man komt die, waardoor dan ook
gedreven, het geloof aan de waarheid herstelt.
Iemand, die invloed en kracht genoeg heeft, om dat geloof weer in
andere beteekenisvolle menschen op te wekken.
De man, die dit gedaan heeft, is Socrates.
§ 10. Socrates (470-399).
Leven en persoonlijkheid.
Zijn vader was beeldhouwer, zijn moeder vroedvrouw. Hijzelf was eerst
ook beeldhouwer, maar volgde weldra zijne roeping: leerend en zoekend
rondgaan onder de menschen. Aan één strijd heeft hij deelgenomen,
een enkele maal aan de rechtsspraak en zich in beide gevallen kloek
en voor zijn taak opgewassen betoond, maar overigens heeft hij zich
onthouden van bemoeiing met staatszaken.
Uit Athene kwam hij nooit, een eigenaardigheid, die men bij meer groote
denkers aantreft. (Kant b.v. verliet Koningsbergen bijna nooit). "De
boomen en velden konden hem niets leeren."
Hij wandelde op de markt, ging met handwerkslui zoowel als met
aanzienlijken een "praatje" maken en begon als een onwetende over
de eenvoudigste dingen te vragen. Steeds doorvragende, overtuigde
hij de ondervraagden meestal van hun onwetendheid en dan liet een
praatje met Socrates niet zelden bittere herinneringen achter.
Zijn kleeding, 's winters en 's zomers gelijk, was hoogst eenvoudig.
Van uiterlijk was hij foeileelijk. Den zoo op schoonheid gestelden
Griek was het bijna een wonder, dat een zoo edele gezindheid met
zoo'n leelijk uiterlijk gepaard kon gaan.
Geldzucht was hem vreemd. Belooning voor zijn lessen weigerde hij
nadrukkelijk. Van alle aanstellerij, pronkerij en ijdelheid was hij
verre. Hierin komt de groote tegenstelling uit met de Sophisten.
Hij was een verstandelijke nuchtere natuur, een intellectualist. Aan
dit koele hoofd verbond hij echter een warm hart, een innige religieuze
stemming, een hartelijke genegenheid voor zijn leerlingen, maar zijn
geestdrift gold de waarheid. "Een warm hart onder een koel hoofd, dat
is een zeldzame verschijning en het zeldzaamste aller verschijnselen
is een ongewoon machtig arbeidend hart, dat zijn gansche kracht
gebruikt om het hoofd koel te houden: een stoomketel gelijk, die een
ijsmachine aan het werk zet. Slechts enkele malen in tal van jaren
keert zulk een verbinding op groote schaal terug en ze oefent, als
om ons schadeloos te stellen voor haar zeldzaamheid, eeuwenlang haar
werking uit, zonder ooit aan invloed te verliezen." (Gomperz).
Om Socrates verzamelden zich vele leerlingen, waaronder uit verre
streken, (uit Kyrene aan Afrika's noordkust) en uit de rijkste en
aanzienlijkste geslachten, als Alcibiades, de neef van Pericles,
en Plato.
Hij verkeerde in den kring van Pericles, maar maakte geen onderscheid
tusschen arm en rijk.
Zijn kracht was geweldig.
Tegen koude, honger, dorst, vermoeienis, was hij uitstekend
bestand. Van zinnelijken aanleg, wist hij zijn neigingen absoluut te
beheerschen, was matig, maar kon 't wijngebruik verdragen.
Aan deze lichaamskracht voegde zich groote
geestkracht. Bewonderenswaard was zijn vermogen, om zich bij een
onderwerp te bepalen. Eens in 't veldleger bij Potidaea zou hij 24
uren aaneen nagedacht hebben over zijn onderwerp, zonder zich om iets
te bekommeren van wat rondom hem voorviel [23].
Tegen het eind van zijn leven werd tegen hem een aanklacht ingediend
door eenige menschen, waaronder de fabriekseigenaar Anytos. Ze luidde,
dat hij de goden, die de staat achtte, niet achtte, andere godheden
leerde en de jeugd verdierf.
Socrates verkoos niet te vluchten, waartoe hij de gelegenheid had. Hij
kwam ter vergadering, waar 500 Atheensche burgers naar de zeden dier
dagen recht zouden spreken.
Nadat de aanklagers hadden uitgesproken, verdedigde Socrates zich op
een waarschijnlijk eenvoudige, scherpzinnige, waardige wijze. Volstrekt
versmaadde hij het, de gewoonte dier dagen te volgen en door smeekbeden
en geklaag het hart der rechters te treffen.
Met dertig stemmen meerderheid werd het schuldig uitgesproken.
De aanklagers hadden de doodstraf geëischt. Nu mocht Socrates, naar
Atheensch recht, een tegeneisch stellen. Op aandrang zijner vrienden
deed hij dit en stelde den lagen eisch van 3000 drachmen boete,
na eerst gezegd te hebben dat hij zichzelf onschuldig oordeelde en
eerder onderscheiding dan straf verdiende.
Deze fiere houding schijnt de rechters geprikkeld te hebben; het
aantal stemmen voor zijn dood was grooter dan dat, waarmee hij schuldig
verklaard werd. Het bedroeg 360.
Na deze uitspraak schijnt hij nog een korte rede gehouden te hebben,
waarin hij tenslotte verklaarde: nu zullen we ieder een weg uitgaan,
gij naar het leven, ik naar den dood: wie van ons het beste deel zal
hebben, weet God alleen.
Het voltrekken van het vonnis liet op zich wachten, daar het
staatsschip, dat het jaarlijksche offer naar Delos bracht, nog niet
binnengevallen was. Voor dien tijd mocht geen doodvonnis ten uitvoer
worden gebracht. De hem restende tijd gebruikte Socrates om zich
met zijn jongeren te onderhouden en zoo zijn levenstaak voort te
zetten. Met de meeste beslistheid weigerde hij te vluchten hoewel
zijn vrienden daartoe alles in gereedheid hadden gebracht. "De
wetten mochten niet geschonden worden." Toen de dag des doods was
aangebroken, deed hij zijn schreiende vrouw Xantippe wegvoeren,
wisselde vriendelijke woorden met den man, die hem den giftbeker
reikte, vroeg hem, hoe hij zich gedragen moest, troostte zijn
bedroefde leerlingen en stierf met die hooge kalmte en waardigheid,
die hem zijn heele leven eigen waren geweest.
Zijn dood bezegelde zijn leven en niet het minst daaraan dankt hij dien
overweldigenden invloed, welke zijn hooge persoonlijkheid op ons maakt;
steeds weer zullen nieuwe geslachten bewonderend opzien tot den man,
die zóó wist te leven en te sterven.
"De doode Socrates is opgestaan niet alleen in de scholen, maar
ook in de geschriften zijner jongeren, die den vereerden Meester in
persoon lieten optreden, hem op de markt en in de gymnastiekscholen
met jong en oud verkeeren, zooals hij dat in zijn leven gewoon was
geweest. Zoo ging hij voort met onderrichten, ook nadat hij opgehouden
had te leven." (Gomperz).
Bronnen.
Voor onze kennis van Socrates moeten we ons wenden tot wat anderen van
hem mededeelen; zelf heeft hij geen boeken nagelaten. In aanmerking
komen vooral de werken van Xenophon en Plato [24]. Beiden geven
een verschillend beeld van den meester, beiden hebben waarheid en
verdichting gemengd.
Naast deze getuigenissen staan de karige uitspraken van Aristoteles,
die ver genoeg afstond om meer objectief te zien, dicht genoeg bij
om nog veel van betrouwbare ooggetuigen gehoord te hebben.
Xenophon, een ferm officier, een goed heereboer, een practisch man,
maar een wijsgeerige middelmatigheid, heeft in Socrates het nuttige,
het meer voor de hand liggende practische gezien.
Plato, een zooveel fijner, idealer geest, een kunstenaar van schier
onovertroffen beeldend vermogen, heeft een geïdealiseerd beeld
ontworpen van den wijze, die zijn meester was, maar komt het wezen
misschien meer nabij.
Daarbij komt echter, dat Plato in zijn dialogen Socrates zijn eigen
meeningen in den mond legt, dezen zelfs leerstellingen laat bestrijden,
die eerst na zijn dood ontstaan zijn, waarvan hij dan in den droom
kennis heeft gekregen.
Uit deze vermenging van waarheid en verdichting, uit geschriften van
mannen, die Socrates met zoo geheel verschillende oogen bezagen, juist
datgene samen te lezen wat waar is, is een taak, waaraan uitnemende
vorschers zich gewijd hebben, maar die niet gemakkelijk te volbrengen
is. Op vele hoofdpunten is men tot overeenstemming gekomen, op andere
heerscht nog verschil.
Socrates' methode.
Niet in de uitkomsten van zijn onderzoek, maar in de methode ligt de
groote beteekenis van Socrates' optreden. We zagen, dat in het Athene
zijner dagen het vertrouwen op een vaste waarheid in de kringen der
denkers geschokt was en dat het Socrates' innige overtuiging was,
dat er waarheid te vinden was. "Hij had de waarheid noodig en daarom
geloofde hij aan haar."
Allereerst nu wil Socrates de waarheid vinden op zedelijk gebied. Hij
tracht daartoe te komen door juiste definitie van zedelijke
qualiteiten. Door alle gevallen te beschouwen, in welke men een
bepaalde kwaliteit toekent, zocht hij dit te bereiken. Dit heeft men
in de oudheid zijn inductie genoemd en deze wijze van behandelen en
zijn streven naar juiste definities acht Aristoteles door hem in de
wetenschap ingevoerd.
De wijze, waarop hij te werk ging was hoogst eenvoudig. Hij zou
b.v. vragen: Wat is dapperheid? Den vijand aanvallen. Maar vluchten
om hem in een hinderlaag te lokken, ook? Maar vluchten en onderwijl
pijlen afschieten, is dat ook dapper?
De vraag naar de gerechtigheid komt ter sprake. Is het nu geen
gerechtigheid een zieke te misleiden, die men zijn spijs met de noodige
medicijnen vermengt, welke hij anders weigert. Mag een aanvoerder
zijn troepen tot moed opwekken, door te zeggen, dat er versterkingen
onderweg zijn?
Op deze wijze uitgaande van bepaalde gevallen tracht hij een overzicht
te krijgen over alle gevallen, waarin men een bepaalde eigenschap
toekende, om aldus te komen tot een definitie.
Deze Socratische wijze van vragen heeft veel navolging gevonden en in
het onderwijs heeft men er later op dwaze wijze misbruik van gemaakt
(tot in de 19e eeuw toe) door den kinderen vragen te stellen ook over
dingen, die ze niet konden weten. Thans echter komt deze Socratische
methode, in theorie althans, niet meer voor.
Zijn ironie.
Bij dit vragen deed hij het dikwijls voorkomen, alsof hij het zelf
niet wist: gedeeltelijk was dit waarheid, gedeeltelijk een masker,
waarachter hij zijn eigenlijke bedoeling weer verbergen kon. Deze
redeneerkunst noemden de ouden de Socratische ironie.
Maieutiek.
Zelf vergeleek hij zijn werk wel eens bij de zware taak zijner moeder:
ook hij trachtte de waarheid tot leven te roepen. Dit is zijn maieutiek
(Grieksch maieuomai = verlossen).
Leer.
In het midden van Socrates' denken staat de mensch. Zijn
natuurbeschouwing is door en door teleologisch, overal vraagt hij
naar doel en nut. Terwijl het hem verheugde, dat Anaxagoras de noes
aan 't begin der wereldformatie plaatste, stelde het hem te leur,
dat hij niet in 't bijzonder de doelmatigheid van vele dingen aanwees.
Theologisch is zijne beschouwing zeker niet. Toch heeft hij niet
gebroken met alle overlevering, gebeden heeft hij wel opgezonden,
offers gebracht en ook 't orakel van Delphi stond bij hem in hooge
eer. Bewust monotheïst is hij ook niet geweest. Apollo vereerde
hij. Toch spreekt hij ook van den God, het Goddelijke. Dit schijnt
voor hem het inbegrip van alle goeds.
Tusschen de atheïsten dier dagen en de aanhangers der oude volksreligie
neemt hij dus een bemiddelend standpunt in. Trouwens in alle kringen
der "Aufklärung" kent men zulk een positie.
Maar voor de gronden zijner ethiek en levensleer gaat hij niet terug
op den wil der goden, maar op het inzicht der menschen.
Socrates huldigt een intellectualistische zedeleer: deugd is
inzicht. Niemand handelt opzettelijk verkeerd. Ondeugd is dwaling.
Deze leer tracht hij nu te bevestigen, bij Xenophon vooral,
door allerlei eigenaardige argumenten: men moet trouw tegen zijn
vrienden zijn, omdat het zoo profijtelijk is vrienden te bezitten,
enz. Dergelijke redeneeringen hinderen ons. Laten we echter voorzichtig
zijn in ons oordeel.
Allereerst is het zeker niet te ontkennen, dat goed inzicht van
belang is voor een deugdzaam leven. De 19e eeuw heeft nog gehoord:
wat ge aan scholen uitgeeft, bespaart ge aan gevangenissen. In vele
paedagogische systemen ook van den tegenwoordigen tijd wordt een groote
plaats ingeruimd aan den invloed, dien verstandelijke ontwikkeling
heeft op de zedelijke. Is dus de stelling als zoodanig eenzijdig,
er is een gehalte van waarheid in.
Letten we verder op 't specifiek Grieksche: het niet nauwkeurig
onderscheiden tusschen individueele en sociale deugden. Nu berusten
ongetwijfeld vele individueele deugden op het rechte inzicht in
de draagwijdte van onze handelingen. Afgezien van alle zedelijke
overwegingen kan men den mensch aantoonen, dat het zijn eigen
persoonlijk belang is, niet onmatig te leven, zijn betrekking stipt
te vervullen, niet verkwistend te zijn, enz. Het volkomen redelijke
dezer deugden, wier opvolging het persoonlijk welzijn van het individu
verzekert, is niet moeilijk aan te wijzen.
Bij onnauwkeurige onderscheiding van sociale en individueele deugden is
het niet te verwonderen, dat Socrates nu ook meende, deze redeneering
over het gansche gebied der deugd te kunnen uitstrekken. Misschien mag
ook het Grieksche woord "aretè," dat zoowel fermiteit, flinkheid,
kloekheid in 't leven, als deugd beteekent, hiertoe meegewerkt
hebben. En eindelijk: het opstellen van dien regel had bij Socrates
diepere beteekenis. Zijn eigen deugd is zeker meer uit den grooten
zedelijke ernst van zijn karakter voortgekomen, dan uit zijn inzicht:
Socrates was een even groot zedelijk als intellectueel genie. Hem moest
het bedroeven, dat de deugd werd geminacht, haar waarde in twijfel
getrokken; of juister, om een moderne uitdrukking te gebruiken,
deugd en ondeugd te zien stuivertje wisselen.
Waar echter eenmaal de autoriteit der deugd in twijfel getrokken was,
daar moest haar een zekeren grondslag worden verschaft. Socrates
nu trachtte haar redelijkheid te betoonen. Terwijl hij dus aan den
gemeenen man, den "braven burger" moest verschijnen als iemand,
die aan al 't hooge en heilige, zoowel als aan 't lage en gewone,
aan oud en nieuw morrelde en overal naar vroeg om alles op losse
schroeven te zetten, was het veeleer zijn streven, de oude deugden,
als bezonnenheid, gerechtigheid, een vaste basis te verschaffen.
Innig was zijn geloof aan de gelukzaligheid, die de deugd meebracht. Of
hier de taal ook meegewerkt heeft? Het Grieksche "eu prattein" kan
zoowel beteekenen goed doen, als: zich wel bevinden.
Eerder zal Socrates bij zich zelf echter opgemerkt hebben, dat deugd
bevrediging schenkt; terwijl hij rondom zich menschen zag, die zonder
consequentie handelend, heen en weer gezwiept werden door de stormen
van dien tijd. Hun ontbrak vastheid van levenslijn. En gaarne wilde
hij hun duidelijk maken, hoe alleen waarachtig geluk te vinden is in
het consequent doorvoeren onzer zedelijke beginselen. Socrates mag
(zooals ook onze tijd geeft te aanschouwen bij hen, die zaken--zaken
achten en hun zedelijke of religieuse levensovertuiging niet meenemen
in het practische leven--) allerlei "moralen" opgemerkt hebben voor
alle mogelijke toestanden, in de plaats tredend van één groot beginsel,
dat overal heerscht. Hoeveel minder gelukkig dan hijzelf moesten hem
deze menschen schijnen!
Het lag niet in zijn bedoeling de redelijkheid van de deugd in elk
bijzonder geval aan te toonen. Stond b.v. eenmaal vast, dat men de
wetten van den staat moest gehoorzamen, dan diende men dit, zooals
zijn eigen verheven voorbeeld leert, ook te doen, wanneer de wetten
in een bijzonder geval onrechtvaardig schenen.
Het daimonion.
Hoogst opmerkelijk is, dat Socrates zich bij zijn daden liet leiden
door een "innerlijke stem," die hem aanried, iets te doen of na te
laten. Hij noemde dit het daimonion. Het is moeilijk te zeggen wat
Socrates hiermee bedoeld heeft. Is het "de stem van zijn geweten"
geweest? Was het een intuïtief voelen van het goede en het kwade,
van het bij zijn persoonlijkheid al of niet passende, dat zich op
deze wijze kenbaar maakte aan den man, die alles op inzicht en
verstandelijke overweging wilde gronden en toch zelf zoo'n rijk
gevoelsleven had?
§ 11. De Socratici.
Door leerlingen van Socrates zijn scholen gesticht, die tot ver
na Christus' geboorte aanhangers gevonden hebben. Van zeer groote
beteekenis zijn ze niet geworden. Nieuwe beginselen hebben ze
zoo goed als niet ontwikkeld; eenzijdige doorwerking van eenmaal
gegeven gedachten was hun werk. Ze gevoelden weinig voor de theorie:
hun geheele wijsbegeerte werd de kunst om wèl te leven en ging op in
ethische vraagstukken. Terwijl deze richtingen als Socratische bekend
staan, mocht men hen liever sophistische noemen. Zoo is b.v. één
school eigenlijk alleen merkwaardig, omdat ze de sophisterij tot in
't uiterste dreef en die bekende, onbeduidende kwesties behandelde,
waaraan de oudheid zooveel behagen had: bij 't verlies van welke haar
iemand b.v. een kaalkop wordt en dergelijke.
Twee scholen zijn merkwaardiger: de Cynische en de Cyrenaïsche,
omdat hier al de tegenstelling op ethisch gebied ontwikkeld wordt,
die we later bij de Epicureeërs en de Stoïcijnen zullen aantreffen.
Leerzaam is het, de ontwikkeling der gedachten in deze scholen
eenigszins uitvoerig na te gaan: parallellen in onzen tijd ontbreken
niet en door hen beroerde kwesties bestaan ook nog onverzwakt voor ons.
Socrates had geleerd: deugd is leerbaar en is inzicht; zij maakt
gelukzalig. Hij had echter niet den inhoud van 't begrip deugd
vastgesteld: waarin bestaat de deugd. De Cynici zoowel als Cyrenaïci
zeiden: in den lust, in het aangenaam gevoel, in het persoonlijk
zich wel bevinden. Doch in de vaststelling van de wijze, waarop dit
te bereiken was, gingen ze uiteen.