Protagoras van Abdera, naar den leeftijd tusschen Leucippus
en Democritus in, is een zeer bekwaam man geweest, uitnemend
redenaar, scherpzinnig psycholoog voor die dagen, achtenswaardige
persoonlijkheid, zeer bekend met allerlei wetenschappen. Op ouderen
leeftijd is hij aangeklaagd in Athene wegens godslastering, hij
vluchtte naar Sicilië, leed schipbreuk en verdronk.
Van zijn vele boeken zijn slechts enkele brokstukken en zinnen
overgebleven, wier uitlegging zeer verschillend geschiedt. Voor de
kennis van Protagoras' leer moeten we afgaan op anderen, die, zooals
Plato, hem niet altijd gunstig gezind waren.
Het is de groote verdienste van Hegel, meer licht over de sophisten
te hebben doen opgaan. Daarna hebben vele schrijvers hem gevolgd: of
ze nu niet eenigszins te hoog worden aangeslagen betwijfelen sommigen.
De bekendste zin van Protagoras is: De mensch is de maat van alle
dingen. Sommigen hebben hierin gezien als meening van Protagoras,
dat er geen objectieve waarheid mogelijk was. Alles was, zooals de
mensch, d. i. elk individu het op elk oogenblik vond. Smaakte den
geelzuchtige honing bitter, dan was honing bitter, evenzoogoed als
het zoet was voor een ander. Is de beteekenis van den zin in waarheid
deze, dan is daarmee feitelijk elke waarachtige wetenschap onmogelijk:
elke meening heeft haar recht.
Dit las men dan ook in den tweeden zin van Protagoras:
"Over alle dingen laten zich wel twee tegenovergestelde meeningen
uitspreken."
Ook de eerste zin van zijn boek over de goden, waarin hij beweert niets
van de goden te kunnen weten, schijnt te bevestigen, dat Protagoras
eigenlijk ontkende de mogelijkheid, iets zeker te weten. Tegenover deze
meeningen verdedigt Gomperz een andere met, naar mij schijnt, klemmende
argumenten. Wat Protagoras zegt: "Over de Goden nu weet ik niets, noch
dat ze zijn, noch dat ze niet zijn; vele dingen verhinderen het weten,
de onzekerheid en de kortheid van het leven des menschen"--kan ook
beteekenen, dat Protagoras het weten stelt tegenover de persoonlijke
overtuigdheid. Dat hij dus niet het bestaan van Goden loochenen wil,
maar alleen wil zeggen, dat men er geen zekere, gewisse kennis van
krijgen kan. Dit stemt ook meer overeen met zijne houding tegenover
hen, die hem het gevraagde honorarium niet willen betalen.
Zijn boven aan deze bladzijde gegeven uitspraak kan wel op de
redeneeringen zien, waarin wij soms ook trachten het voor en tegen
te geven.
Een anecdote lichte dit nader toe:
Van Frederik den Groote wordt verhaald, dat hij in een proces de eerste
pleitrede bijwoonde, en de argumenten voor de zaak aangebracht, zoo
goed vond, dat hij tegen den rechter zei: "die man heeft gelijk." De
rechter verzocht hem ook de pleitrede van de tegenpartij te hooren:
"Die man heeft ook gelijk," zei Frederik toen, "ziet u maar, hoe u
de zaak beslecht."
Zoo heeft Protagoras misschien ook het besef gehad, dat er aan elke
zaak een voor en een tegen is, dat men beide op den voorgrond van het
bewustzijn moet brengen, en dat er eerst een juist inzicht is, als men
aldus elk argument voor en tegen ten nauwste overwogen heeft. Is dat
het geval, dan behoeft deze stelling absoluut niet voor het negatieve,
waarheid-ontkennende karakter van Protagoras' leer te spreken.
De zin: "de mensch is de maat van alle dingen," is dan zoo uit te
leggen, dat de mensch bedoeld wordt in het algemeen. Protagoras
richt zich dan juist tegen hen, die kennis der verschijningswereld
ontkenden. Hij wil alleen het besef aanbrengen van de subjectiviteit
onzer kennis. Alleen in zooverre kunnen we de buitenwereld kennen,
als ze zich aan ons voordoet en haar alleen waarnemen met onze
organisatie. Waren wij anders, we zouden een anderen indruk der
werkelijkheid krijgen. De eenige maatstaf, waarmee we kunnen meten,
zijn we zelf.
Ook voor 't geval, dat Protagoras met den mensch het individu op
verschillende tijden bedoelde, is er een kern van waarheid in zijn
leer. Wij wezen er reeds op, dat onze waarnemingen niet alleen afhangen
van de op ons inwerkende prikkels, maar ook van onzen eigen toestand.
Bij gespannen opmerkzaamheid b.v. heeft een zwakke prikkel hooger
intensiteit in ons bewustzijn, dan wanneer we er nauwelijks om denken
en andere dingen ons vervullen. Zoo zijn er soldaten, die in de hitte
van het gevecht het bekomen eener wonde niet gevoeld hebben.
In de gedachte: de mensch is de maat van alle dingen, ligt dan in
elk geval die groote waarheid, en we zagen reeds, hoe Democritus van
deze leer gebruik maakte, om de atomen, als het alleen-zijnde te
verklaren, de verschillende qualiteiten als zoet, hard, enz. voor
doxa, meeningen, voor reactiewijzen van den menschelijken geest,
op de prikkels der buitenwereld.