PROTAGORAS 480-410.

Protagoras van Abdera, naar den leeftijd tusschen Leucippus

en Democritus in, is een zeer bekwaam man geweest, uitnemend

redenaar, scherpzinnig psycholoog voor die dagen, achtenswaardige

persoonlijkheid, zeer bekend met allerlei wetenschappen. Op ouderen

leeftijd is hij aangeklaagd in Athene wegens godslastering, hij

vluchtte naar Sicilië, leed schipbreuk en verdronk.

Van zijn vele boeken zijn slechts enkele brokstukken en zinnen

overgebleven, wier uitlegging zeer verschillend geschiedt. Voor de

kennis van Protagoras' leer moeten we afgaan op anderen, die, zooals

Plato, hem niet altijd gunstig gezind waren.

Het is de groote verdienste van Hegel, meer licht over de sophisten

te hebben doen opgaan. Daarna hebben vele schrijvers hem gevolgd: of

ze nu niet eenigszins te hoog worden aangeslagen betwijfelen sommigen.

De bekendste zin van Protagoras is: De mensch is de maat van alle

dingen. Sommigen hebben hierin gezien als meening van Protagoras,

dat er geen objectieve waarheid mogelijk was. Alles was, zooals de

mensch, d. i. elk individu het op elk oogenblik vond. Smaakte den

geelzuchtige honing bitter, dan was honing bitter, evenzoogoed als

het zoet was voor een ander. Is de beteekenis van den zin in waarheid

deze, dan is daarmee feitelijk elke waarachtige wetenschap onmogelijk:

elke meening heeft haar recht.

Dit las men dan ook in den tweeden zin van Protagoras:

"Over alle dingen laten zich wel twee tegenovergestelde meeningen

uitspreken."

Ook de eerste zin van zijn boek over de goden, waarin hij beweert niets

van de goden te kunnen weten, schijnt te bevestigen, dat Protagoras

eigenlijk ontkende de mogelijkheid, iets zeker te weten. Tegenover deze

meeningen verdedigt Gomperz een andere met, naar mij schijnt, klemmende

argumenten. Wat Protagoras zegt: "Over de Goden nu weet ik niets, noch

dat ze zijn, noch dat ze niet zijn; vele dingen verhinderen het weten,

de onzekerheid en de kortheid van het leven des menschen"--kan ook

beteekenen, dat Protagoras het weten stelt tegenover de persoonlijke

overtuigdheid. Dat hij dus niet het bestaan van Goden loochenen wil,

maar alleen wil zeggen, dat men er geen zekere, gewisse kennis van

krijgen kan. Dit stemt ook meer overeen met zijne houding tegenover

hen, die hem het gevraagde honorarium niet willen betalen.

Zijn boven aan deze bladzijde gegeven uitspraak kan wel op de

redeneeringen zien, waarin wij soms ook trachten het voor en tegen

te geven.

Een anecdote lichte dit nader toe:

Van Frederik den Groote wordt verhaald, dat hij in een proces de eerste

pleitrede bijwoonde, en de argumenten voor de zaak aangebracht, zoo

goed vond, dat hij tegen den rechter zei: "die man heeft gelijk." De

rechter verzocht hem ook de pleitrede van de tegenpartij te hooren:

"Die man heeft ook gelijk," zei Frederik toen, "ziet u maar, hoe u

de zaak beslecht."

Zoo heeft Protagoras misschien ook het besef gehad, dat er aan elke

zaak een voor en een tegen is, dat men beide op den voorgrond van het

bewustzijn moet brengen, en dat er eerst een juist inzicht is, als men

aldus elk argument voor en tegen ten nauwste overwogen heeft. Is dat

het geval, dan behoeft deze stelling absoluut niet voor het negatieve,

waarheid-ontkennende karakter van Protagoras' leer te spreken.

De zin: "de mensch is de maat van alle dingen," is dan zoo uit te

leggen, dat de mensch bedoeld wordt in het algemeen. Protagoras

richt zich dan juist tegen hen, die kennis der verschijningswereld

ontkenden. Hij wil alleen het besef aanbrengen van de subjectiviteit

onzer kennis. Alleen in zooverre kunnen we de buitenwereld kennen,

als ze zich aan ons voordoet en haar alleen waarnemen met onze

organisatie. Waren wij anders, we zouden een anderen indruk der

werkelijkheid krijgen. De eenige maatstaf, waarmee we kunnen meten,

zijn we zelf.

Ook voor 't geval, dat Protagoras met den mensch het individu op

verschillende tijden bedoelde, is er een kern van waarheid in zijn

leer. Wij wezen er reeds op, dat onze waarnemingen niet alleen afhangen

van de op ons inwerkende prikkels, maar ook van onzen eigen toestand.

Bij gespannen opmerkzaamheid b.v. heeft een zwakke prikkel hooger

intensiteit in ons bewustzijn, dan wanneer we er nauwelijks om denken

en andere dingen ons vervullen. Zoo zijn er soldaten, die in de hitte

van het gevecht het bekomen eener wonde niet gevoeld hebben.

In de gedachte: de mensch is de maat van alle dingen, ligt dan in

elk geval die groote waarheid, en we zagen reeds, hoe Democritus van

deze leer gebruik maakte, om de atomen, als het alleen-zijnde te

verklaren, de verschillende qualiteiten als zoet, hard, enz. voor

doxa, meeningen, voor reactiewijzen van den menschelijken geest,

op de prikkels der buitenwereld.

Uit de ontwikkelingsgeschiedenis van het Menschelijk Denken, Deel 1 van 2 · 第 16 / 105 题