DE SOCRATISCHE TIJD.

§ 8. Inleidende opmerkingen.

De Grieksche Renaissance stelden we plus minus 700-500.

Voor het Grieksche cultuurleven is de daaropvolgende eeuw van

overwegende beteekenis.

De Perzen, onder Cyrus (559-530) tot wereldheerschappij gekomen,

onder Darius (522-485) in die heerschappij bevestigd door uitnemende

organisatie van hun staat, waren in botsing gekomen met de Grieksche

steden op de kust van Klein-Azië.

De onderwerping van zijn vaderstad had Heraclitus met bitterheid

vervuld en hem krijgshaftige eigenschappen hoog doen schatten. De

Grieken uit het stamland hadden de Klein-Aziatische Grieken eenige

hulp verleend. Dit werd de aanleiding tot de botsing tusschen de

twee machten: Perzië en Griekenland. We behoeven niet te herinneren

aan den nobelen tegenweer door de Grieken den Perzen geboden, aan

de slagen bij Marathon, Salamis en Plateae (490-480-479). En al

bleven oude twisten en veeten bestaan: er was een sterk gevoel van

samenhoorigheid gekomen onder de Grieksche staatjes: als een tweespan

hadden het conservatieve Sparta, de soldatenmacht, en Athene, het

omhoogstrevende en democratische handelsstaatje, voor den wagen der

Grieksche vrijheid geloopen. Levendig waren de betrekkingen, door

het Grieksche stamland onderhouden met de koloniën op Sicilië.

Het tijdperk van 500-400 kenmerkt zich dus door zekere verruiming

van blik, door een zich verheffen boven enge afgeslotenheid. We zagen

reeds hoe Democritus verre reizen deed, hoe Xenophanes het Grieksche

land doortrok, Empedocles in verschillende plaatsen werkzaam was. In

Anaxagoras ontmoetten we den eersten denker, die langen tijd in

Athene vertoefde.

Dit al-Grieksche zouden we kunnen zeggen, is omstreeks 400 meer

het deel van breeder kringen geworden. Blijven ook nationale veeten

bestaan, de blik is toch op wijder gebied gevestigd.

Athene.

Een tweede belangrijk feit is: de rangverhooging van Athene. Het was

natuurlijk niet de eenige voorname staat naast Sparta. Ook Corinthe,

Megara, Aegina hadden belangrijken handel en levendige industrie. Maar

Athene wordt een "groote Mogendheid" in Griekenland. Bij het begin

der Perzische oorlogen had het Sparta de leiding gelaten. Maar

het genie van Themistocles had ontdekt, waar Athene's grootheid

te zoeken was: zijn toekomst lag op 't water. Hij had den aanbouw

van een vloot doorgezet, was werkzaam geweest voor de havenwerken,

had de vierde klasse, die als roeiers dienst zouden moeten doen,

stemrecht weten te geven. Met tal van steden en eilanden had hij het

Delisch-Attisch verbond gesloten, waarin weldra Athene de leidster

werd, de bondgenooten vazallen, hun contributie aan den bond een

schatting aan het overheerschende gewest.

Democratie.

Met deze uitbreiding van rijkdom, macht, handel en nijverheid had de

ontwikkeling der democratie gelijken tred gehouden.

Werk en brood was er in de levendige haven van Athene voor ieder,

die werken wou, te vinden. Dus hoopte zich in de stad een groote

bevolking op. Het platteland werd verlaten. De landedelman zag zijn

invloed verminderen. Maar de handelsman werd rijk. Hem was de nieuwe

toestand naar den zin: hij bracht geld aan.

Naast het stemrecht der vierde klasse toegekend kwamen andere

democratische maatregelen. Er werd presentiegeld gegeven aan

hen, die de volksvergadering bezochten of recht spraken. Gratis

schouwburgbezoek werd toegestaan. Het tooneel was in dien tijd een

belangrijke macht. De treurspelen van Sophocles en Euripides roeren

ook nog het moderne gemoed.

Daarnaast staan tooneelstukken, waarvoor de naam blijspel misschien te

serieus is. Het waren luchtige losse stukken, die allerlei vraagstukken

van den dag behandelden. Misschien kan men ze het best vergelijken met

een tegenwoordige "revue." Men heeft in die stukken ongetwijfeld eene

zekere uiting van den Attischen geest. Maar dwaas is het daaruit tot de

werkelijke toestanden te besluiten of ze als bronnen te gebruiken om de

leidende ideeën van dien tijd te leeren kennen. Ons nageslacht zou dan

evengoed Speenhoff's liedjes [17] kunnen gebruiken om zich een meening

te vormen over vegetarisme of de "Vrouwenbeweging." Houden we deze

parallel nog even vast. Zooals menig "beschaafd" mensch met genoegen

den onzin over 't vegetarisme of vrije vrouwen hoort zingen en al of

niet over 't waarheidsgehalte der liedjes nadenkt, zoo zagen ook de

Atheners met genoegen hun blijspelen, vertelden elkaar de grappen. Zoo

zijn een aantal van die dwaze anecdoten ontstaan omtrent Socrates

bijv., die ons vroeger in geschiedenisboekjes werden opgedischt en

die voor velen het wezen der Grieksche wijsbegeerte uitmaakten.

Het volk te Athene nam dus deel aan het publieke leven. Het is niet

te verwonderen, dat het gesproken woord een macht werd. En zoo zag men

dan de menschen zich toeleggen op vaardig en sierlijk spreken. Weldra

werd deze kunst met ernst en ijver beoefend. Jongelui uit voorname

geslachten, die graag invloed kregen op staatszaken, begrepen, dat

ze het moesten winnen door in de volksvergadering goed te spreken en

we zien er hen zich met ijver aan wijden.

De politieke en economische bloei van Athene bleef niet

bestaan. Verschillende factoren werkten daartoe mee.

Zijne grootheid wekt naijver.

Hoonend behandelt het de bondgenooten.

De democratie, die zich eerst willig geschikt had naar haar groote

leiders, Themistocles en Pericles, werd bandeloozer. Zoolang het volk

luisterde naar één man, deugde de Atheensche regeeringsvorm, die alle

macht in handen liet van een veelhoofdige volksvergadering. Maar toen

die leider ontbrak, er geen andere opstond met genoeg genialiteit en

autoriteit, toen deed het zich als een gebrek voelen, dat er geen

blijvend regeeringslichaam was, dat steunend op oude overlevering

kon voortgaan in de banen, aangewezen door zijn groote voorgangers.

Maar eindelijk: het Atheensche volk was te klein om een groot gebied

te beheerschen. Het radicalisme der Atheensche democratie ging

slechts zoover, als eigenbelang dit meebracht. Verder niet. En ook

Pericles zag, hoewel hij 't nooit gedaan kon krijgen in opneming der

bondgenooten als burgers van Athene, een noodzakelijken eisch. Met

zoovelen wenschte men echter de voordeelen van het burgerschap niet te

deelen. Zoo bleef er een te klein aantal menschen, die belang hadden

bij het voortbestaan van groot-Athene.

Met Pericles' dood (429) valt Athene's grootheid. In 404 slopen de

Spartanen haar vestingwerken. Wel schijnt na dien tijd nog wel eens

even de gelukszon. Maar nooit wordt Athene weer een groote mogendheid.

Dit nu had voor de ontwikkeling van het denken, zijn voordeel. In

het groote bedrijvige Athene was de Grieksche geest wel tot een

nieuw leven gekomen. Maar de solide opbouw van systemen, de stevige

doorwerking van gedachten had een plaats noodig, die wat minder op

den voorgrond trad in de politiek.

Athene is van 450 af het middelpunt van het Grieksche denken. Het

blijft ook nog 100 jaren na zijn val een uiterst belangrijke stad voor

het geestelijk leven. Het is de woonplaats van het groote drietal:

Socrates, Plato en Aristoteles.

§ 9. Geesteswetenschappen.

Sophistiek.

Wat in dien tijd opvalt, is de vlucht, die de beoefening der

geesteswetenschappen neemt. Niet langer de natuur, de mensch staat

in 't middelpunt van het Grieksche denken. Allereerst was de blik

naar buiten gericht--de kinderleeftijd.--Hierop volgt nu de tijd

van rijpwording, waarin een zich bezinnen over den mensch op den

voorgrond treedt, de blik op de binnenwereld is gericht. Daarop zal

de mannelijke leeftijd volgen, waarop natuur en mensch gelijklijk

voorwerpen van onderzoek zijn.

In een zoo bewogen maatschappij, waarin telkens nieuwe maatregelen

moesten worden getroffen, doet zich vanzelf herhaaldelijk de vraag

voor: wat is in dit geval goed; en dit leidt tot de algemeene

vraag: wat is in het algemeen goed? Tot dusver had men wet en regel

gehoorzaamd zonder naar hun recht te vragen. Nu vroeg men: vanwaar

de autoriteit, welke we de wetten toekennen?--Dit bracht ook aan het

nadenken over den aard en de roeping, vooral over den oorsprong van

den staat.

Bij de belangstelling in zedeleer en staatsrecht voegde zich die in

taal en geschiedenis.

Het is opmerkelijk en misschien een leerzaam voorbeeld voor onze

hedendaagsche taalonderwijzers, dat de Grieken in poëzie en proza

een zeldzame kunsthoogte bereikt hebben, zonder veel na te denken

over de vormen der taal.

Intusschen ontstaat thans die belangstelling. Men begint eerst met

het hoogste: de vraag naar den oorsprong der taal; men gaat verder

met meer direct nuttige onderzoekingen over 't onderscheid tusschen

zinverwante woorden, 't gebruik van tijden en wijzen.

De geschiedenis is niet langer een aaneenrijging van mythen

en geschiedenis, maar wordt werkelijk historie in de handen

van een geschiedvorscher van den allereersten rang: Thucydides

(pl. m. 460-395).

"Met een wonderbaarlijk omvattingsvermogen van den menschelijken geest,

dat enkele malen in de wereldgeschiedenis terugkeert, is Thucydides de

man, die de historische critiek heeft geschapen en tegelijk tot haar

hoogtepunt opgevoerd: voor zijne opvolgers heeft hij niets wezenlijks

meer te doen gelaten.

Eens voor al heeft hij de taak van den historicus begrepen: uit te

vorschen, hoe de dingen werkelijk zijn geschied, welke factoren een

beslissenden invloed hebben uitgeoefend, welke van de vele details

eener ontwikkeling eene uitvoerige uiteenzetting verdienen en welke

kort behandeld of geheel weggelaten behooren te worden." (Van Gelder).

Eigenlijk is er geen gebied van menschelijke werkzaamheid, dat geheel

onbearbeid blijft: overal tracht men tot bezinning te komen over

de regelen, aan ons handelen ten grondslag liggend, zoodat werken

over de meest onderscheiden onderwerpen verschijnen; als: kookkunst,

vechtkunst, voedingsleer, landbouw, enz.

De opvoeding geniet veel aandacht; men ziet in, dat, wat een mensch

wordt, niet alleen afhangt van zijn aard en aanleg, maar ook van

zijn opvoeding. En de beeldspraak die tot onzen tijd in allerlei

paedagogische lectuur rondspookt, komt nu al op: de akker, het zaad,

het onkruid, de tuinman, het wieden, enz.

Natuur of Wet.

Met één groote tegenstelling houdt men zich vooral bezig, welke ook

in een ander tijdperk van verlichting, de 18de eeuw, weer opkomt en

waaraan wij den naam van Rousseau verbinden: de tegenstelling van

natuur en menschelijke regeling. Is een ding of een toestand zóó, als

hij is, zoo volgens de natuur of volgens de menschelijke instelling,

phusei of thesei? Dat was de steeds terugkeerende vraag.

Op drie terreinen vooral werkte men deze tegenstelling uit: op dat

der ethiek, der taal, van den staat.

Het begrip Natuur.

Daarbij verviel men in dezelfde fout, waarin ook de 18de eeuw verviel:

men gaf geen scherpe omschrijving van het begrip natuur. Sommigen

voegden hierbij een zekere onverschilligheid voor het historisch

gewordene. Men leefde in dien tijd te snel en te spoedig moest men van

den eenen toestand in den anderen overgaan (denk aan de wisseling der

regeeringsvormen), dan dat men het oog kon richten op het vroegere;

het heden nam alle aandacht in beslag.

Ook voor onzen tijd is het niet ongewoon met het begrip "natuur"

om te goochelen. Zeggen we "in de natuur vinden we rust en vrede,"

zoo wordt bedoeld: buiten, in de "vrije" natuur.

Stellen we de geneeswijze door natuurlijke middelen tegenover

een kunstmatige, dan worden medicijnen tot de laatste gerekend,

waterbegietingen tot de eerste en heeft men bij "natuur" vooral het

oog op "wat niet door inmenging van menschen is gemaakt," al heeft

ook een welgeorganiseerde waterleiding ons het water verschaft. Wordt

er beweerd, dat het iemand moeilijk valt, zijn natuur te bedwingen,

zoo worden òf zinnelijke driften bedoeld, òf in ruimeren zin iemands

geheelen aanleg. Verkondigt men dat alle menschen van nature een gelijk

recht op den bodem hebben, zoo denkt men zich een zekeren toestand,

ver voor onze beschaving gelegen. "Natuur" is dikwijls eene leuze,

een strijdprogram, meer dan een wetenschappelijk begrip.

Is het goede phusei of thesei.

En zoo was 't ook eenigszins in 't tijdperk der Grieksche

"Aufklärung." Ten opzichte der ethiek vroeg men: Is iets bepaalds

goed of kwaad door menschelijke afspraak en verordening, of is dat

gelegen in de natuur, in onzen aard. Natuurlijk waren de uitkomsten

verschillend. Sommigen zeiden: zin voor gerechtigheid en zedelijk

schoonheidsgevoel zijn den menschen van nature eigen, en door deze

eigenschappen zijn ze geschikt in een maatschappij te leven. Anderen

gingen radicaal te werk en verklaarden alle deugd thesei of normaal;

slechts door menschelijke verordening was iets goed of kwaad; goed is,

wat men goed noemt, kwaad, wat men kwaad noemt.

Tot het verkrijgen dezer meening had medegewerkt de groote verruiming

van blik, verkregen door 't verkeer, vooral in de koloniën, met

velerlei menschen. Men zag zeden en gebruiken van allerlei aard en

besloot daaruit: zoo verwerpelijk is er niet iets bij het eene volk,

of 't andere erkent dit als goed of nuttig. In de verschillende

vormen een algemeen werkend ethisch beginsel te vinden, werd niet

beproefd; men was als bedwelmd door de zich opdringende groote

verscheidenheid.--Als nu het goede phusei goed was, dan moest het

toch ook overal zoowat gelijk zijn, maar 't was overal verschillend

naar menschelijke inzetting.

Dat uit deze opvatting, als er ernst mee gemaakt werd, heillooze

gevolgen voortkwamen behoeft nauwelijks aanwijzing.

Staat en Maatschappij.

In de maatschappij bemerkte men tusschen menschen en menschen allerlei

verschil van stand, bezit en recht. Ook hier dus deed zich de vraag

voor en ook hier werd ze naar twee kanten opgelost. Van nature waren we

allen gelijk, zoo werd er beweerd: een bastaardzoon is niets minder

dan een echte; wat hem ontbreekt is alleen iets van menschelijke

instelling: de vorm.

Een slaaf is eigenlijk evengoed als een vrije. Er werden zelfs radicale

stemmen gehoord, die op verdeeling, of althans meerdere gelijkmaking

van bezit aandrongen. Aan de positie der vrouw werd gedacht. Euripides,

de treurspeldichter, die menige resolute gedachte uitsprak, laat in

de Medea een vrouw zeggen, dat ze liever tweemaal in den krijg gaat,

dan eenmaal baart. Zelfs meenen sommigen, dat de eisch der volkomen

gelijkstelling van man en vrouw reeds in dien tijd werd uitgesproken.

Tegen dit gelijkmakend streven kwam verzet. Ook op grond van de natuur

trachtte men de ongelijkheid te verdedigen. De sterke had het recht

zijn natuur uit te leven; wie zich onderwierp was dom en verdiende

niet beter. De natuur had den een met meer kracht begiftigd dan

den ander: in de natuur lag het dus die kracht te gebruiken. Zekere

gemeenschappelijke trek met Nietzsche's moraal vinden we hier terug,

de theorie van den Uebermensch. (Vgl. deel II).

Oorsprong van het Staatsgezag.

Bij de vraag naar den oorsprong van het Staatsgezag kwam men tot de

leer van maatschappelijk verdrag.

Men veronderstelde, dat de menschen op een goeden keer hadden ingezien,

dat het, om samen te leven noodig was, dat er wetten en regels waren,

die ieder gehoorzaamde. Daarom had men zich samen verbonden en onder

het gezag gesteld. Men had een deel van zijn persoonlijke vrijheid

opgeofferd, om te kunnen samenleven.

Het komt ons, die gewend zijn aan historische beschouwing der dingen

en vertrouwd met de gedachte eener geleidelijke ontwikkeling, vreemd

voor, dat men tot zoo'n opvatting kon komen. Men bedenke echter,

dat deze gedachte den ouden vreemd was en eigenlijk specifiek 19de

eeuwsch. Waar zij dus iets zagen, dat een taak vervulde en nuttig

was voor het bereiken van een doel, daar meenden ze, dat het ook om

dat doel begonnen was.

Deze leer van het staatsgezag heeft een taai leven gehad. In de

nieuwere wijsbegeerte zullen we ze ontmoeten bij den calvinistischen

burgemeester van Emden, Althusius (1557-1638). Onze beroemde landgenoot

Hugo de Groot (1583-1645) ging haar eveneens grondig behandelen en

haar meest bekende verdediging vond ze in Rousseau's "Contract Social"

(1762).

Taal.

Is de taal natuurlijkerwijze geworden of is ook zij door menschelijke

afspraak ontstaan? Sommigen zich beroepend op klanknabootsende woorden,

zagen in de taal een natuurproduct.

Reeds Democritus voerde hiertegen eenige argumenten aan. Hij vond

het in dat geval vreemd, dat één woord meer dingen beteekenen kon,

dat voor één zaak meer namen waren en dat een woord in den loop der

tijden kon veranderen. Hij nam daarom een conventioneelen oorsprong

der taal aan: men was overeengekomen het eene ding zoo, het andere

dus te noemen. Hiervoor zou al weer een taal noodig zijn geweest,

merkte men later terecht op. Aanhangers dezer theorie vindt men dan

ook niet meer [18].

SOPHISTEN. Het woord.

Een belangrijke rol spelen in dezen tijd de sophisten. Oorspronkelijk

is een sophistês een man, die zich met de wetenschap bezighoudt,

later een, die voor geld les geeft, daarna iemand, die allerlei

spitsvondigheden zoekt en meer goocheltoeren verricht met woorden,

dan werkelijke wetenschap geeft of verzamelt. In 't algemeen heeft

sophist, sophisme, sophistery een ongunstige beteekenis. Onder sophisme

verstaan we een valsch syllogisme.

B.v. Ge hebt geen horens verloren.

Wat men niet verliest heeft men nog.

Ge hebt dus horens.

De fout zit hierin, dat bij de tweede veronderstelling behoort:

als men 't bezeten heeft.

Een ander sophisme is:

Mijn hond heeft jongen.

Die hond is moeder.

Die hond is mijn moeder.

De fout zit hierin, dat de woorden moeder en mijn relaties

uitdrukken. In 't eerste geval worden ze gebruikt om de betrekking aan

te duiden, waarin de hond tot de jongen staat, in 't tweede geval wil

men er een betrekking van maken, waarin de hond tot mij staat. Maken

we van het woord moeder: moederhond, dan is de redeneering juist.

Het is duidelijk, dat dergelijke kunstjes niet strekten om den eerbied

te verhoogen voor de denkbeelden en den ernst der sophisten. Intusschen

waren dit meer de latere sophisten. De eersten waren moedige mannen,

die zeer positieve verdiensten hebben.

Eigenlijk is het onjuist in dit tijdperk van sophistiek, het stelsel

der sophisten of sophistenwijsheid te spreken. De sophisten van dezen

tijd hadden alleen dit gemeen, dat ze les gaven voor geld.

Verklaring der Verachting.

Hoe komen de sophisten aan hun ongunstigen naam? De blijspeldichters

die zich tegen elke nieuwigheid verzetten, hebben een caricatuur van

hen gemaakt (Vergelijk wat over het tooneel is gezegd in de vorige §

8, pag. 50, 51.)

Plato wien het door zijne familie zeer kwalijk genomen werd dat hij,

de hoogadellijke en uiterst begaafde, zich niet in het werkelijke leven

begaf, maar zich tevreden stelde met "wat les" te geven, deed al zijn

best om goed te laten uitkomen, dat hij geen sophist was, en bespotte

daarom de sophisten. Dikwijls ontwerpt hij een ongunstig beeld van hen.

De latere sophisten, die den naam gemeen hadden met de eersten,

werden ook met hen vereenzelvigd.

De afkeer in Griekenland van arbeid in het algemeen werkte eveneens

mee. Dit laatste punt geeft aanleiding tot eenige opmerkingen. Den

ouden Grieken gold lichamelijke arbeid als iets vernederends. Zelfs

beeldhouwen, hoe artistiek 't mocht zijn, was lichaamsarbeid. Deze

verachting kon licht ontstaan in een maatschappij met slaven. Daarbij

kwam, dat men het allerdwaast vond, geld te nemen voor geestelijke

goederen. Men vond er een soort prostitutie in. Zoomin als een vrouw

haar liefde verkoopt, verkoopt een man zijn wijsheid.

Het is wel moeilijk, maar niet onmogelijk, in onze hedendaagsche

maatschappij parallellen te vinden, die ons den Griekschen afkeer

doen verstaan. Het is nog niet zoolang geleden, dat een dichter of

een tooneelschrijver voor zijn werk zoo goed als geen honorarium

ontving. Een redenaar wordt zijn honorarium als tersluiks in een

enveloppe gegeven. Maar er is een duidelijker voorbeeld nog. Dat een

jurist en een medicus zich voor zijn advies laat betalen, vindt in

onze maatschappij niemand vreemd. Een paedagoog echter betaalt men

niet. Hij geeft zijn advies omtrent de opvoeding gratis. Nu zijn er

echter in den laatsten tijd menschen gekomen, die zich aanboden tot

het geven van opvoedkundig advies tegen betaling. Voor zoover ik echter

heb kunnen bemerken heeft deze op zichzelf volkomen logische zaak bij

't publiek bespotting gevonden. Zoo ongeveer, alleen veel sterker nog,

moet men zich den spot van 't Grieksche publiek denken.

Het waren vooral voorname jongelui, die het onderwijs der sophisten

zochten. Deze ontvingen hooge honoraria. Er wordt verteld van

voordragers, die een entree van f 25.-- per persoon en per voordracht

hieven.

"Duitendieven" waren ze lang niet alle. Wanneer een leerling van

Protagoras, na afloop van den studietijd het gestelde honorarium te

hoog vond, liet Protagoras hem in een tempel zweren, hoeveel hij het

dan waard vond en nam daarmee genoegen.

De komst van een beroemd sophist gaf in een stad heel wat

opschudding. Ieder moest hem zien. In zijn dialoog "Protagoras"

heeft Plato ons daarvan een kostelijke schildering gegeven.

Zeer aanzienlijke lui ontvingen de sophisten. Toch stelden ze zich

er niet mee gelijk of er onder. Ze verhielden zich tegenover hen,

zegt Lange [19] teekenend, als tegenwoordig een rijke beschermer

tegenover een operazanger.

Hun taak.

Vragen we nu: wat waren de sophisten? Geen geleerden en onderzoekers

in engeren zin. Ze wisten te veel, letten ook meer op de ontwikkeling

der geheele persoonlijkheid dan op 't geleverde werk.

Voor wetenschappelijke prestatie is beperking noodig. Maar sommige

geesten hebben behoefte aan velerlei. Denk b.v. aan Multatuli met

zijn afkeer van specialiteiten: "het leven is te kort om alles te

verwaarloozen." (Dat dit intusschen niet per se tot dilettantisme

behoeft te voeren leert in de oudheid Cesar, in de Renaissance Leonardo

da Vinci, die groote verdienste bezit voor de kunst zoowel als voor

de wetenschap. Een uitzondering echter blijft het.)

Ze waren ervaren in allerlei wetenschap niet alleen, maar soms ook in

handenarbeid. Van Hippias wordt verhaald, dat hij op de Olympische

feesten verscheen, gekleed in een geheel door hemzelf vervaardigde

kleeding.

In zekeren zin waren ze dus wandelende encyclopaedietjes. Aan

den anderen kant hebben de besten onder hen toch wel ernstig over

vele vraagstukken nagedacht en zijn ze niet als onderzoekers te

minachten. Treffend noemt Gomperz [20] hen dan ook: Half professor,

half journalist.

Daling.

In hunne positie lag al min of meer daling ingesloten. Onderwijs

geven is in zekeren zin vijandig aan wetenschappelijk werken [21]. Het

eischt veel tijd, veel kracht, laat minder gelegenheid voor studie en

rustig nadenken. Vooral de sophisten, die over alles onderricht gaven,

versnipperden zich. Ook maakten ze van hun leerlingen meer handige

sprekers dan degelijk onderrichte menschen. Ten slotte ligt er in

het geven van door de leerlingen zelf bezoldigd onderwijs altijd een

gevaar: een zich schikken naar de leerlingen, zich plooien naar de

omstandigheden. De concurrentie noopt ten slotte ook de besten, op

die dingen te letten, die "klandizie" verzekeren en dus uiterlijk in

't oog loopend succes te verkiezen boven degelijke ontwikkeling.

Gaan we thans enkele sophisten even na.

Uit de ontwikkelingsgeschiedenis van het Menschelijk Denken, Deel 1 van 2 · 第 15 / 105 题