Parmenides is de grondvester der Eleatische leer. Door Melissus en
Zeno is ze verder ontwikkeld en verdedigd. Heraclitus had geleerd,
dat alles ontstond. De Ioniërs hadden de Grieken gemeenzaam gemaakt
met een steeds blijvende stof. Wij wezen er reeds op, dat de leer van
Thales aanleiding moest geven tot de vraag: maar we nemen allerlei
dingen waar, die gansch verschillend zijn, en er is toch maar éen
oerstof. Hoe zit dat? (Bladz. 14).
Parmenides stelde de vraag en kwam tot de slotsom, dat al de
verschijnselen slechts schaduwen, bedrieglijke beelden waren. Achter
heel die wereld, vol van allerlei kleur en vorm, is één wezenlijkheid:
het zijnde. Dat zijnde moet zijn kenmerken hebben.
Eeuwigheid: het is niet ontstaan en vergaat ook niet.
Onveranderlijkheid: het ondergaat noch verandering naar de
hoeveelheid, noch naar den aard.
Dit is de eenige leer van Parmenides: Het zijnde is. Verder kon hij
niets zeggen dan het hier gegevene, want, om de woorden van zijn
navolger Melissus te gebruiken: "We kunnen het zijnde aanschouwen
noch kennen."
In het tweede deel van zijn leerdicht behandelt hij "de meening,"
den schijn, zooals die zich aan ons voordoet, tegenover de waarheid,
die hij in in 't eerste deel behandeld had.
We vinden hier de merkwaardige poging om naast de leer van het
eigenlijke, er nog een te geven voor wat het dagelijksch leven
ons aanbiedt, in overeenstemming met wat onze zinnen waarnemen. We
zullen dergelijk streven later ontmoeten. Vele sceptici ontkennen
de mogelijkheid van het vinden der waarheid, slechts de kennis der
dingen, zooals die zich als schijn aan ons voordoen, kunnen we zoeken.