De betrekkelijk eenvoudige formule van Parmenides liet niet veel
verdere ontwikkeling toe. Gaan we van de Eleaten Melissus voorbij,
om nog even op Zeno, den Eleaat [10] te komen, niet vermeldenswaard
om de resultaten van zijn denkarbeid, maar wel om de methode zijner
bestrijding. Zeno is de vader der dialectiek.
Dialectiek.
Hieronder verstaat men letterlijk de kunst om een gesprek
wetenschappelijk te voeren, in ruimeren zin ook de ontleding der
begrippen.
De leer van het eene zijnde, van de onmogelijkheid van verandering,
was door velen met spotgelach begroet. Zeno stelt zich nu niet de taak,
die leer allereerst te verdedigen, maar hij valt zijn tegenstanders
aan en tracht te bewijzen, dat ruimte, beweging, veelheid, onmogelijk
is. Daarbij gebruikt hij zulke scherpzinnige vondsten, dat men in de
oudheid en in de middeleeuwen er verlegen mee heeft gezeten.
We geven er één, die betrekkelijk gemakkelijk is te begrijpen en te
weerleggen, uitvoeriger weer.
In zijn bestrijding van de betrouwbaarheid onzer zintuiglijke
waarneming zegt Zeno: Wanneer men een schepel koren uitstort, hoort men
een geruisch, maar als men dit korrel voor korrel doet, niet. Nu kan
toch niet uit de optelling van een groot aantal nullen iets ontstaan.
De nieuwere zielkunde geeft gemakkelijk een verklaring van dit
verschijnsel. Om een prikkel waar te nemen, moet die een zekere sterkte
hebben. De sterkte hangt ook af van onzen geestestoestand. Een zwakken
prikkel zullen we bij groote aanwending van onze opmerkzaamheid
wel waarnemen, bij toestanden van slapheid en zwakte niet. De
luchttrillingen door één korrel veroorzaakt, bestaan wel, maar zijn
niet sterk genoeg, om een gewaarwording teweeg te brengen. Vele
korrels tegelijk vallende, brengen meer luchttrillingen voort, die
samen sterk genoeg zijn om de gewaarwording te doen ontstaan. Deze
ontstaat dus niet uit de som van nullen, ze wordt opgewekt door een
prikkel, die zelf uit een aantal zwakkere is opgebouwd, welke elk op
zich zelf niet sterk genoeg zijn, om waargenomen te worden.
Zoo hebben we ook hier weer een voorbeeld, hoe de oplossing het
probleem volgt, als de wetenschap, in dit geval de zielkunde, maar
ver genoeg is. We zien meteen, hoe de opstelling van het vraagstuk
ook een prikkel is, om onderzoekingen in te stellen. Alleen reeds het
stellen van het probleem is de halve oplossing, zou Hume later zeggen.
Deze schijnbare tegenstrijdigheid door Zeno gesteld is dus
opgelost. Zijn andere bezwaren zijn moeilijker te behandelen.
Hiermee volstaan we. De merkwaardige methode van Zeno's bestrijding
is toegelicht. Op de problemen, in andere van zijne argumenten vervat,
komen we bij latere denkers terug.
We hebben nu gezien, hoe verschillende oerstoffen werden opgesteld,
(de Ioniërs) hoe eenerzijds het worden tot het alleen waarachtige
was verklaard (Heraclitus) anderzijds het zijnde (Eleaten).
We zullen thans twee denkers ontmoeten, die getracht hebben, de
beide begrippen van worden en zijn te vereenigen. De een door aan
te nemen dat er evenveel oerstoffen als zinnelijke kwaliteiten
zijn (Anaxagoras), de ander (Empedocles) door een bepaald aantal
grondstoffen aan te nemen, waaruit de wereld was opgebouwd.
§ 5b. Anaxagoras (500-± 428).
Leven.
Anaxagoras werd in Klein-Azië geboren, bracht een tijdlang te Athene
door, ging vandaar, aangeklaagd wegens godslastering en vrijgesproken
naar Lampsacus, waar hij, hoog bejaard en zeer geëerd, stierf ±
428. Hij was een ernstig, nuchter denker, een streng onderzoeker, heeft
op de menigte door zijn zedelijken ernst, door zijn zelfstandigheid
wel diepen indruk gemaakt, maar door zijn, voor 't oog der menigte
bizarre theorieën, ook wel eens de vraag doen ontstaan, of hij wel
ten volle toerekenbaar was.
Leer.
Niet beïnvloed door de Eleaten--die 't zijnde als eenige werkelijkheid,
de verschijningswereld als schijn en droombeeld hadden verklaard--wel
echter bekend met de oerstof der oude Milesiërs, verklaart
Anaxagoras dat er eigenlijk zooveel stoffen zijn als er qualiteiten
bestaan. Ontstaan en vergaan is er niet: ontstaan is een verbinding van
stoffen, vergaan een scheiding. Het begrip van de onveranderlijkheid
der stof heeft dus ook bij hem post gevat.
Eigenaardig is het, dat hij de stoffen, die ons de huidige scheikunde
als eenvoudig heeft leeren kennen, 't samengesteldst vond; b.v. water,
lucht. We kunnen echter wel in zijn gedachtengang komen. Stel,
er is een brood. We eten dit en het gaat over in bloed, beenderen,
de huid enz. In het brood, denkt Anaxagoras, moeten dus wel al de
deeltjes zitten, waaruit bloed, beenderen enz. kunnen ontstaan. Maar
dan moeten die stoffen ook zijn in het graan, ook in den grond,
het water, de lucht, de zon, waaruit dat graan groeit. Dit inzicht
is ook juist. Alleen, omdat hij nu aannam, dat de deelen van ons
lichaam enkelvoudige dingen waren, het bloed, de beenderen, de huid
dus b.v. niet samengesteld waren, moest hij in water, lucht enz. wel
een massa elementen zoeken.
Aan het begin der wereldontwikkeling staat nu een chaos, waarin al die
elementen, "zaden," aanwezig zijn. De wereld, zooals wij die kennen
ontstaat nu, doordat er draaiing komt, eerst aan één punt, en dan in
steeds wijder kringen, de deeltjes worden door de beweging gescheiden,
van elkaar gerukt: het "dichte, vloeibare, koude en donkere" is daar
gekomen, waar nu onze aarde is, het luchtige, droge, warme steeg op
naar den ether.
De noes.
De groote vraag blijft nu: hoe ontstaat die allereerste beweging? Ze
wordt veroorzaakt door de "noes."
Het is moeilijk voor een 20ste eeuwer zich duidelijk te maken, wat
er met de noes bedoeld wordt.
Het Grieksche woord beteekent ook geest, vernuft, en men heeft daarom
in Anaxagoras den eersten opsteller van het "geestbegrip" willen zien.
Maar dit is niet geheel juist.
Anaxagoras denkt zich zijn "noes" als een soort stof: de fijnste van
alle. Maar toch is deze stof wel anders dan andere stoffen: ze is
bewegingwekkend, organiseerend. Daarom ook mag men in de noes-leer
een voorbereiding zien der leer, dat er iets gansch anders is dan
stoffelijke verschijnselen, het psychische.
Met zijn noes kan Anaxagoras de wereld opbouwen. Met één hypothese
verklaart hij een menigte feiten en toont daarmee een beginsel te
kennen, dat ook voor de huidige wetenschap van groot belang is.
§ 6. Empedocles (495-435).
Leven.
Een sterk contrast met den solieden Anaxagoras vormt Empedocles. Hij
werd ± 495 in Agrigentum, het huidige Girgenti op Sicilië, geboren,
behoorde tot een oud en invloedrijk adellijk geslacht, werkte mee
aan de verdrijving van den heerschenden tyran, bedankte voor den
aangeboden koningstroon en trok in bonte, opvallende kleeding het
land door, als priester, arts, ingenieur en wonderdoener, opgezocht
en bewonderd door duizenden.
Ongetwijfeld was hij een man van groote talenten. Zijn geboortestad
wist hij een beter klimaat te geven door een rotswand te laten
doorbreken, die een verfrisschenden noordenwind toegang gaf; een andere
stad verloste hij van de pest, door drooglegging van een moeras. Niet
ongeloofwaardige berichten verhalen ons van treffende genezingen.
Maar het is moeilijk, een juist oordeel omtrent zijn persoon te vormen,
en uit het pralende omhulsel van zijn groote beloften en aanstellerij
de kern te halen.
Hij stierf, een 60 jaar oud, in eigenlijk Griekenland. Een eenvoudige
dood echter scheen voor zulk een man niet mogelijk. Zoo verbreidden
zich allerlei sagen over zijn sterven: sommige lieten hem in den
vuurgloed van den Etna springen, andere in een vuurkolom ten hemel
varen.
Leer: de vier elementen.
Het is niet te verwonderen, dat de leer van Empedocles geen streng
systematisch geheel is. Er zijn elementen uit allerlei richtingen in
op te merken. Toch is ze, ondanks haar gapingen en inconsequenties,
veel meer dan een bloote compilatie [11] en heeft wezenlijk bijgedragen
tot den vooruitgang.
Empedocles' groote verdienste ligt in de opstelling eener leer,
waaraan drie beginselen ten grondslag liggen, welke men ook in de
hedendaagsche scheikunde kent:
1o. Er bestaan een beperkt aantal grondstoffen, die op zich zelf niet
veranderlijk zijn.
2o. Die stoffen gaan allerlei verbindingen met elkaar aan.
3o. Die verbindingen kunnen zoodanige zijn, dat er van de eene stof
meer is dan van de andere.
De uitwerking dezer beginselen is natuurlijk kinderlijk en
gebrekkig. Als vier elementen kent hij lucht, water, vuur en aarde
[12]. Bij de drie, ons reeds bekend, voegt hij dus een vierde. We
zien, dat de aarde overeenkomt met den vasten, het water met den
vloeibaren, de lucht met den gasaardigen toestand. Het vuur, dat
niet meer met een aggregaatstoestand overeenkomt, maar een proces is,
dat der verbranding, staat hier wat vreemd naast.
Deze elementen verbinden zich. Geen lichaam, of het bestaat uit een
vereeniging dezer vier.
Nam men nu aan, dat de stoffen in gelijke hoeveelheid bij een menging
voorkwamen, dan waren er slechts de volgende mogelijkheden:
4 lichamen uit één grondstof samengesteld.
6 ,, ,, twee grondstoffen ,,
4 ,, ,, drie ,, ,,
1 lichaam ,, vier ,, ,,
Het zoo verkregen getal (15) beantwoordt lang niet aan de groote
hoeveelheid stoffen, die ons de ervaring leert kennen. Daarom moet er
aangenomen worden, dat de verhouding ongelijk is, waarin die stoffen
zich kunnen verbinden. Ook hier is de voorstelling van Empedocles
naïef, vergeleken bij de tegenwoordige scheikunde.
Zoo meent hij te kunnen volstaan met eenvoudige verhoudingen, die
hij natuurlijk niet door onderzoekingen vinden kon: beenderen bestaan
b.v. voor 1/2 uit vuur, 1/4 uit aarde, 1/4 uit water.
Wereldvorming.
Oorspronkelijk waren alle 4 elementen vereenigd. Dit was het
eerste stadium. De kracht, die ze bijeenhield, noemt Empedocles de
vriendschap. Toen kwam de twist [13] als storend beginsel, tot alles
in deelen uiteenlag.
Daarna wordt alles weer vereenigd.
Tusschen deze beide stadiën nu van volkomen eenheid en volkomen uit
elkaar liggen, zijn twee stadiën van strijd tusschen vriendschap en
twist. In 't eerste gaat de twist de overhand krijgen, in 't andere
de vriendschap.
We kunnen 't ook aldus voorstellen:
I. Overheersching van de |
vriendschap. |
II. V Optreden van den twist en
diens scheidende werking.
III. Overheersching van den twist.|
|
IV. V Optreden van de vriendschap
en haar verbinding.
In het tweede en vierde stadium alleen is organisch leven mogelijk.
Waarneming.
Het eerste denken neemt aan, dat het de dingen ziet, juist zooals
ze zijn. Ook Anaxagoras, al heeft hij zich over de beperktheid van
ons waarnemingsvermogen beklaagd, nam aan, dat de zinnen ons juiste
kennis geven van de buitenwereld.
De Eleaten verklaarden eenvoudig de ons door zinnelijke waarneming
gegeven kennis voor doxa, meening; niet voor waarheid.
Empedocles nu tracht na te gaan, hoe onze waarneming tot stand
komt. Hij begrijpt--en dit is weer een vooruitloopen op een moderne
gedachte--dat er een weg is tusschen de inwerking van het voorwerp
op onze zintuigen en de waarneming. Dat we er dus niet komen, met
eenvoudig de waarneming als zoodanig te verwerpen of aan te nemen,
maar moeten nagaan, hòe ze ontstaat. Ook hier zijn zijne oplossingen
kinderlijk-fantastisch.
Voorloper van Darwin.
Het oog b.v. bestaat voornamelijk uit water en vuur. Een voorwerp
zendt kleine deeltjes uit. Van ons oog gaan nu ook kleine deeltjes
door de poriën der omhullende wanden. Vlak bij 't oog raken nu de
deeltjes van 't oog en van 't voorwerp elkaar, en dit proces geeft de
gewaarwording. Het vuur (tevens het lichte) neemt het vuur, het water
't water waar. In zekeren zin mag men Empedocles ook een voorlooper
van Darwin noemen, in zooverre hij het doelmatige bij de dieren en
in de natuur hieruit verklaarde, dat de meest geschikte vormen waren
blijven bestaan en de ongeschikste te gronde gegaan. Hoogst naïef is
echter zijn voorstelling: Er zijn eerst pooten, koppen enz. gekomen;
door de aantrekkende werking der vriendschap vereenigden zich deelen:
men kreeg paarden met menschenkoppen, dieren met te veel of te weinig
pooten, enz. Dergelijke vormen gingen te gronde. Maar zoo er een
levensvatbare, goede, verbinding ontstond, dan bleef die en plantte
zich voort.
Empedocles is een rijke geest geweest en zijn groote algemeene
belangstelling blijkt wel hieruit dat hij ook trachtte de oplossing te
vinden van een aantal vragen, waarop ook de tegenwoordige wetenschap
nog geen afdoend antwoord vermag te geven. Zoo b.v. de vraag naar
de factoren, die bepalen, of een kind van 't mannelijk of van 't
vrouwelijk geslacht zal zijn.
§ 7. De Atomisten [14].
LEUCIPPUS en DEMOCRITUS.
Het groote stelsel, dat ons nu gaat bezighouden, is in zijn eerste
gedachten ontwikkeld door een tijdgenoot van Empedocles en Anaxagoras:
Leucippus, die misschien wel in Abdera gewoond heeft. Of hij geschreven
heeft is onzeker, bewaard gebleven is niets. Door Democritus van Abdera
(± 420) is het verder ontwikkeld. Het is een moeilijk probleem,
precies uit te maken, wat van Leucippus, wat van Democritus zelf
is. We behandelen de leer dus als geheel. Alleen zij opgemerkt, dat
Democritus één belangrijk inzicht ontleende aan een denker, dien we
straks zullen leeren kennen: Protagoras, en dat men dus zeker zeggen
kan, dat dit niet van Leucippus was.
Democritus, een man van zeldzame begaafdheid, had veel gereisd, veel
onderzocht, vestigde zich later blijvend te Abdera en schijnt alleen
een provinciale beroemdheid te hebben genoten.
Hij heeft veel geschreven over allerlei onderwerpen. De klaarheid
en kracht van zijn stijl worden door Cicero hoog geprezen. Zeer te
bejammeren is het dus, dat zijn werken zoo goed als geheel verloren
zijn gegaan, een verlies, dat slechts matig vergoed wordt door de
berichten, die we bij latere schrijvers over hem aantreffen.
Aanknoopingspunten.
De Atomistiek is niet uit de lucht komen vallen en haar opbouw door
de geniale grondleggers is niet een werk geweest, dat geen steun
of voorbereiding vond in vroeger uitgesproken meeningen. Met name
mag hier herinnerd worden aan de strenge opvatting van causaliteit,
aan het aannemen van een "zijnde" achter de verschijnselen, hoe dan
ook gedacht, aan de pogingen om onze waarnemingen te verklaren. De
voortgang der speciale wetenschappen had het vertrouwen op het denken
vergroot en speciaal was de werkzaamheid der Grieksche artsen niet
zonder vrucht gebleven. Waarneming en nauwkeurige bestudeering van
ziektesymptomen kwam voor. Vooral Hippocrates van Kos was een beroemd
geneesheer en is als schrijver zeer vruchtbaar geweest.
De overlevering verhaalt ook van persoonlijke aanraking tusschen
Democritus en Hippocrates en van een daarop gevolgde correspondentie.
Leer.
Gaan we nu over tot de hoofdbeginselen der atomistiek. Bijna
geen enkele leer der oudheid komt zoo overeen met huidige
begrippen. Bijzonder leent deze leer zich ook tot toelichting van
enkele voorname hoofdbegrippen uit de tegenwoordige wetenschap.
Uit niets kan niets ontstaan; niets, dat bestaat, kan vernietigd
worden.
We ontmoeten hier een gedachte van uiterst groot belang [15]. Zoo
spoedig we n.l. overtuigd zijn, dat niets vernietigd kan worden, is een
spoorslag gegeven, om te onderzoeken waar iets, dat schijnt te vergaan
dan blijft. Wat geschiedt er met dat, wat we verbranden? Wat met een
stof, die opgelost wordt in een andere? Wat met een organisch lichaam,
dat wegrot? Immers schijnbaar verdwijnt hier iets. Maar we hebben de
overtuiging, dat er niets verdwijnt: de stof, die de genoemde lichamen
samenstelt, mòeten we weer terug vinden. Zoo vinden we dat oplossen
niets anders is dan eene zeer fijne verdeeling en verspreiding der
deeltjes door die van een andere stof. Zoo verbranding: verbinding
met zuurstof, enz.
De beteekenis van deze stelling is echter grooter dan die van een
vruchtbaar beginsel alleen. Ze geeft ons eene belangrijke waarheid
uit het gebied van de theorie der kennis.
We hebben hier met een axioma te doen, dat, naar vele denkers aannemen,
niet uit de ervaring kan stammen. Immers, deze leert ons niet, dat er
niets verdwijnt. Tal van malen toch zien we iets verdwijnen, zonder dat
we kunnen nagaan, waar het gebleven is. We moeten dus aannemen, dat dit
inzicht ons vóór de ervaring gegeven, dat het aprioristisch is. Het is
er ver vandaan, dat de atomisten, die dezen regel opstelden, ook een
helder inzicht hadden in haar aprioristisch karakter. Dit element in
onze kennis is eerst door Kant met volledige klaarheid behandeld. Zoo
zien we, dat het menschelijk denken langen tijd met beginselen en
regelen kan werken, zonder zich van hun aard rekenschap te geven.
Het is duidelijk, dat dit beginsel min of meer voorbereid was door
het aannemen der eene oerstof of het eene zijnde der Eleaten. We
zagen, dat de Eleaten het veranderen loochenden, dat Empedocles
en Anaxagoras de verandering terugbrachten tot een verbinding en
scheiding van elementen.
Duidelijk blijkt dat deze stelling ook behoort tot het stelsel der
atomistiek, zoodat we kunnen schrijven:
Alle verandering is verbinding en scheiding van deelen.
De vraag rijst nu: hoe moeten die deelen gedacht worden. De Ioniërs
hadden één stof, Anaxagoras kende een oneindig aantal stoffen,
Empedocles vier. De atomisten kwamen nu tot het aannemen van een
oneindig aantal stofdeeltjes, die ze atomen heetten. Deze atomen zijn
alleen verschillend in vorm, niet in aard.
Er zijn niets anders dan atomen, in oneindig aantal, en verschillend
van vorm.
Naar het aannemen van atomen heet deze leer atomistiek.
Stellen we ons een willekeurig lichaam voor, b.v. een stuk
krijt. We kunnen het in deeltjes verdeelen, deze weer verdeelen,
enz. tot de onvolmaaktheid onzer waarneming of van onze werktuigen
fijnere verdeeling onmogelijk maakt. De wetenschap heeft het zeer
zeker tot uiterst fijne verdeelingen gebracht. Met een mikrotoom
snijdt men in een botanisch laboratorium bladdoorsneden van 1 mikron
(1/1000 mM.) dikte. Hoe klein dit ook moge zijn, we kunnen ons toch
voorstellen, dat ook dit nog wel verder verdeeld zou kunnen worden,
enz. Het aannemen nu van vaste, niet verder deelbare atomen is
de grootste daad der atomisten. Met behulp van het begrip "atomen"
kunnen we ons den opbouw der lichamen denken. Zij zijn het blijvende;
de eeuwigheid en onveranderlijkheid van het Eleatisch stelsel vinden we
daarin: alle wisseling is niet anders dan eene verbinding en scheiding
van atomen.
In de moderne natuurkundige wetenschap heeft zich deze theorie
buitengewoon vruchtbaar bewezen. In den laatsten tijd is men nog
weer verder gegaan in de richting der atomenleer en heeft men het
atoom-begrip ook ingevoerd in de leer der electriciteit: ook deze
denkt men zich te bestaan uit vaste kernen, de electronen.
Zeer naïef is de voorstelling van de wijze, waarop de atomen nu samen
één lichaam vormen. Ze hebben heel verschillende vormen. Sommige
hebben haakjes, andere uitsteeksels, derden weer indeukingen, enz.:
daardoor kunnen ze aan elkaar vastblijven.
De wereld ontstaat door atoombeweging.
Democritus ging van het nu als onjuist gekende standpunt uit, dat
de lichamen niet even snel vallen. Bij dezelfde dichtheid zou een
grooter massa sneller vallen dan een geringer. De grootere atomen
haalden in hun val de kleinere in. [16]
De atomen hebben verschillende vormen. Een ingehaald atoom kreeg
een stoot, die wel gewoonlijk niet juist op 't middelpunt gericht
was. Daardoor kregen de atomen, die ingehaald werden, zijwaartsche
bewegingen en draaiïngen om hun as. Waren er in een bepaalde
laag eenmaal zijbewegingen ontstaan, dan werden die hoe langer
hoe ingewikkelder. Ook de steeds doorgaande val der zwaardere
atomen vergrootte de sterkte der beweging. Zoo kunnen er in een
bepaalde laag atomen heftige bewegingen tot stand komen, waaronder
ook teruggaande. Zoo verzamelden de zwaardere atomen zich beneden,
de lichtere bleven boven.
Zoo ongeveer kan men zich Democritus' meening denken, hoewel het
ontbreken zijner geschriften ons altijd eenigszins in 't onzekere
laten moet omtrent zijn juiste bedoeling.
Dat nu de lichamen zoo verschillend zijn ligt aan de verscheidenheid
der atomen: deze zijn ongelijk van vorm, grootte, getal en
ordening. Dit verschil kunnen we ons duidelijk maken met een eenvoudig
voorbeeld uit de oudheid.
A en N verschillen door vorming; AN en NA door ordening; N en een
gekantelde N door ligging.
We hebben gezien, dat de Eleaten de wereld der verschijnselen voor
doxa hielden. Ook Democritus gebruikt dit woord. Hij steunt daarbij
op een door Protagoras gewonnen opvatting der qualiteiten.
Nemen we de kleur van een ding. We weten tegenwoordig, dat kleur
iets is, dat onze geest aan de dingen toekent, een bijzondere wijze,
waarop we reageeren op bepaalde prikkels. In de werkelijkheid zijn
er geen kleuren. Er zijn alleen ethertrillingen, met verschillende
golflengtes en onderscheidene snelheid. Treft eene ethertrilling met
een golflengte van 0,56 mikron ons oog, dan ontstaat er een andere
kleurgewaarwording, dan wanneer die lengte b.v. de helft is.
De kleur is dus een eigenschap, die de dingen niet zelf hebben,
maar die wij ze toekennen. Waren onze organen anders ingericht,
dan zouden we misschien geheel andere gewaarwordingen krijgen, als
ethertrillingen ons oog troffen. Desgelijks is het met het geluid. We
hebben gewaarwordingen van hooge en lage tonen, maar in werkelijkheid
zijn er luchttrillingen van meerdere of mindere snelheid.
Onze tegenwoordige wetenschap, erkent dus, dat sommige eigenschappen
der dingen de wijzen zijn, waarop wij ze opvatten. Deze subjectiviteit
der eigenschappen is in den nieuweren tijd vooral door John Locke in
't licht gesteld. Kleur noemde hij een secundaire eigenschap. Maar
geen ding kon hij zich denken zonder vorm en grootte. Dit waren dus
primaire eigenschappen (§ 46).
Zonder te steunen op onze moderne wetenschap en zonder Locke's scherpe
onderscheiding te geven had Protagoras toch ook een inzicht in de
subjectiviteit van sommige eigenschappen. Democritus zegt dan ook
met hem, dat het bittere, het zoete, het warme als zoodanig niet
bestaat! Het is er slechts door onze opvatting, het bestaat in de
meening, in de doxa. Wat alleen bestaat, dat zijn de atomen.
Toch zou men hier eene bedenkelijke gaping kunnen
constateeren. Immers: wat ons het allereerst gegeven is, zijn juist
onze gewaarwordingen. Deze tot schijn te verklaren, is eigenlijk het
meest reëele ontkennen.
Descartes is het in 't bijzonder geweest, die vaststelde, dat de
eerste, ons gegeven werkelijkheid onze bewustzijnsverschijnselen
waren (§ 40). Maar ook reeds eerder zullen we deze meening aantreffen
(bl. 86).
De erkenning der subjectieve zijde van de eigenschappen behoeft niet
mee te brengen een ontkenning hunner werkelijkheid.
Zielenleer.
Voor de natuurverschijnselen heeft Democritus dus een streng
mechanische verklaring gegeven: atomen, door druk en stoot op elkaar
werkend, zijn er; anders niets. Deze verklaringswijze past hij ook
toe op 't geestelijk bestaan. Ook dáár erkent hij niets anders dan
werking van atomen. Dat psychische verschijnselen iets anders zijn
dan physische, is hem niet bewust geworden. De ziel bestaat uit ronde,
gladde, fijne atomen.
In de zedeleer is Democritus eudaemonistisch. Het hoogste doel is
gelukzaligheid. Deze echter stelt hij zich heel hoog voor: we moeten
streven naar zielerust, en de hoogste zielerust vergelijkt hij bij de
stilte der zee. Alleen door heerschappij te voeren over onze heftige
begeerten kunnen we die rust verkrijgen.
Niet uit vrees voor straf of uit hoop op belooning, maar om het loon
dat de deugd in zichzelf draagt, zullen we hiernaar trachten.