I. 1. 88. _Aan den oever van den Styx._ Zoolang de lijken onbegraven
zijn, moeten de schimmen omdwalen bij den Styx zonder rust te vinden;
zie Homerus' Odyssea XI. 51. Het Latijn, dat volgt, _ad manes fratrum_,
aan de schimmen hunner broeders, is niet van het beste.
I. 1. 136. _Die aan Hecuba._ In het Engelsch staat: de Koningin
van Troje, waarmede Hecuba gemeend is. Volgens den Griekschen
treurspeldichter Euripides had Priamus, Troje's val voorziende, zijn
jongen zoon Polydorus aan zijn gastvriend Polymestor, koning op de
Thracische Chersonesus (thans het schiereiland van Gallipoli of der
Dardanellen) met vele schatten toevertrouwd. Polymestor echter doodde
na Troje's val den jongeling en het lijk werd door Priamus' weduwe,
die als gevangene door de Grieken werd medegevoerd, op het strand
gevonden. De rampzalige moeder wist door list den moordenaar tot zich
te lokken en zij krabde hem, door de andere gevangen Trojaansche
vrouwen bijgestaan, de oogen uit. Ovidius verhaalt de geschiedenis
in zijn Gedaanteverwisselingen (XIII, 432 vgg.) en uit dezen dichter
zal zij aan Sh. bekend zijn geworden.
I. 1. 177. _Daar zij 't geluk van Solon heeft erlangd._ Solon zeide
tot koning Croesus van Lydië, dat niemand voor zijn dood gelukkig te
noemen was.
I. 1. 185. _Wees alzoo candidatus_, d. i. met de witte toga bekleed,
waarin zij zich wikkelden, die bij de overheid en het volk naar
openbare ambten dongen; het Latijnsche woord beteekent hier dus
kroonpretendent. De voorgangers van Sh. spreidden gaarne hun
geleerdheid ten toon en bezigden Latijnsche en zelfs Grieksche
woorden. [5] Sh. treedt hier in hun voetstappen en brengt later
(I. 1. 280) het zeggen "Suum cuique", "Aan ieder het zijne", te pas:
zoo wordt ook (I. 1. 325) het huwelijksfeest "Hymenæus" genoemd;
met die klassieke herinnering is weinig in overeenstemming, dat het
huwelijk in het Pantheon met gebruik van wijwater en waskaarsen (in
het oorspronkelijke staat _tapers_, de vertaling heeft _toortsen_)
gesloten wordt.