I. 1. 494. _Begroeten wij met hoorn en hond uw hoogheid._ In 't
Engelsch: _With horn and hound we'll give your grace bonjour._ Het
_bonjour_ is de morgengroet en opwekking ter jacht, veelal _hunts-up_
geheeten. De jachthoorn is niet bijzonder antiek.--_Een dag van
verzoening_, wat voorafgaat, is in 't Engelsch _a loveday_, waarmee
een dag wordt aangeduid, voor het bijleggen van oneenigheden bepaald;
geestelijken waren dikwijls bemiddelaars; Chaucer zegt van een monnik:
"In lovedays there coude he mochel help."
II. 1. 7. _Haar baan doorrent._ In het Engelsch wordt als baan de
Dierenriem, Zodiak, genoemd.
II. 1. 37. _Nu kalm wat, kalm!_ In het Engelsch staat "_Clubs, clubs!_"
de gewone uitroep, om bij straatgevechten de handhavers der orde er
bij te roepen. Een paar regels later staat _dansrapier_; in Sh.'s
tijd werd er met een degen op zijde gedanst, vergelijk _Eind goed,
Al goed_, II. 1. 32.
II. 1. 47. _Nabij des keizers slot._ Het was in de middeleeuwen streng
verboden, in of nabij het paleis van den vorst het zwaard te trekken.
II. 1. 67. _Zoo de keizerin dien wanklank hoort._ In 't Engelsch:
_An should the empress know This discord's ground_; een woordspeling,
die ook in K. Richard III, III. 7. 49. voorkomt; _ground_ beteekent
zoowel "grond", "oorzaak", als "muzikaal thema"; bovendien beteekent
_discord_ zoowel "dissonant" als "tweedracht." Evenals hier vindt
men de beide beteekenissen te gelijk bedoeld in Troilus en Cressida,
I. 3. 110 en in Lucretia 1124.
II. 1. 89. _Vulcanus' tooi._ Shakespeare maakt ook elders van Venus
en Mars gewag; men zie Antonius en Cleopatra, I. 5. 18 en Venus en
Adonis, 97.
II. 1. 133. _Sit fas aut nefas_, "Zij het recht of onrecht", hij wil
en zal zijn doel bereiken, "al moest hij over den Styx en door de
schimmen heen." Het schijnt dat de Latijnsche uitdrukkingen aan de
treurspelen van Seneca ontleend zijn.
II. 3. 22. _De vorst, die zwierf._ Natuurlijk wordt Æneas bedoeld,
die hier als een dolend ridder wordt voorgesteld.
II. 3. 30. _Besture Venus uw begeerten_ enz. Aan de planeet Venus werd
een verhittende, aan Saturnus een bekoelende invloed toegeschreven
op wie onder haar gesternte geboren waren.
II. 3. 43. _Waarop zijn Philomela tongloos wordt._ Lavinia wordt om
de verminking, die haar wacht, met Philomela vergeleken. Philomela
was de dochter van den Atheenschen koning Pandion, de zuster van
Procne. De laatstgenoemde was door haar vader uitgehuwlijkt aan
Tereus, een Thracischen koning in Daulis (Phocis) en had dezen een
zoon geschonken. Na eenigen tijd verlangde zij zeer, haar zuster
Philomela weer te zien; Tereus begaf zich naar Athene en wist Pandion
te overreden, dat zijn dochter Philomela een korte poos bij haar
zuster zou mogen vertoeven en daartoe met haar schoonbroeder Tereus
zou medegaan. Deze, reeds dadelijk voor Philomela ontvlamd, bracht,
in zijn land aangekomen, haar naar een eenzaam gelegen huis in een
dicht bosch, deed haar geweld aan en sneed, toen zij in haar wanhoop
hem dreigde zijn schendige daad te zullen openbaar maken, haar de tong
uit, opdat zij niets zou verraden; aan zijn vrouw, Procne, bracht
hij het valsche bericht van Philomela's dood. Na een jaar ongeveer
gelukte het Philomela, aan Procne haar lot te berichten; zij deed haar
namelijk een gewaad toekomen, waarin zij woorden geweven had, die het
gebeurde meldden. Procne maakte van een Bacchusfeest gebruik, om in
het bosch te zwerven, tot haar zuster door te dringen en deze mede te
nemen naar haar paleis. Om op Tereus wraak te nemen, doodde Procne,
door Philomela bijgestaan, haar zoon Itys, en zette dezen aan haar
echtgenoot als spijze voor. Onder het maal verlangde hij zijn zoon Itys
te zien; hierop meldde hem Procne, wat hij gegeten had; en onmiddellijk
daarna sprong Philomela te voorschijn, die hem Itys' bloedig hoofd
toonde. Toen hij nu de wegijlende zusters vervolgde, werden zij in
vogels veranderd, de eene in een nachtegaal, de ander in een zwaluw;
Tereus zelf werd een hop.--Zoo verhaalt Ovidius in het zesde boek
zijner Metamorphosen (reg. 484 en vgg.) de geschiedenis.--Shakespeare
gewaagt ook in zijn Cymbeline II. 2. 45 van Tereus en Philomela.
II. 3. 62. _Actæon._ Deze was een kleinzoon van Cadmus, een beroemde
Thebaansche held en een bedreven jager; hij werd op de jacht in
het gebergte Cithæron door Diana in een hert veranderd en door zijn
vijftig honden verscheurd. Ovidius' Metamorph. III. 131 en vgg.
II. 3. 72. _Uw donkere Kimmeriër._ De Kimmeriërs der fabel bewoonden
een land, waar duisternis heerschte, de historische Kimmeriërs de
Krim. De Moor Aaron heet hier Kimmeriër om zijn donkere kleur, niet
om zijn afkomst.
II. 3. 107. _Een giftige ief._ De Ief of Taxisboom, vaak op kerkhoven
geplant, wordt meermalen als verderflijk en onheilbrengend aangehaald;
men zie: Koning Richard II, III. 2. 17. en Macbeth, IV. 1. 27.
II. 3. 118. _Semiramis._ Semiramis, de koningin van het oude Assyrische
rijk, wordt als een monster van wellust en wreedheid hier aangehaald.
II. 3. 231. _Zoo bleek scheen eens op Pyramus de maan._ De geschiedenis
van Pyramus en Thisbe is mede in Ovidius' Metamorphosen, IV. 55 vgg. te
vinden; zij speelt in Babylon. De ouders, die buren en vijanden waren,
wilden van een huwelijk niets weten. De gelieven spraken door een
spleet in den gemeenschappelijken muur af, dat zij 's nachts onder
een moerbezieboom zouden samenkomen. Thisbe was het eerst op de
afgesproken plaats, maar ontwaarde bij het maanlicht een leeuwin,
die juist een rund verslonden had en aan een naburig beekje haar
dorst kwam lesschen, nam de vlucht in een grot, maar verloor daarbij
haar mantel, die door de leeuwin stukgereten en met bloed bezoedeld
werd, waarna het dier weder in het bosch terugkeerde. Een oogenblik
later komt Pyramus, ziet met schrik de sporen van het roofdier, vindt
daarna den bebloeden mantel en steekt zich dood; Thisbe keert weldra
terug, om haar geliefde niet teleur te stellen, vindt zijn lijk en
drijft zich zijn zwaard in de borst, mede onder den moerbezieboom,
welks vruchten, overeenkomstig Thisbe's wensch, voortaan een donkere
bloedkleur hebben, ter herinnering aan dit treurig voorval. Shakespeare
heeft in den Midzomernachtdroom van deze geschiedenis een treffend
gebruik gemaakt en ook den Maneschijn niet vergeten.
II. 4. 51. _Gelijk voor Orpheus' voeten Cerberus._ In 't Engelsch _As
Cerberus at the Thracian poet's feet_. Ook in den Midzomernachtdroom,
V. 1. 49. wordt Orpheus eenvoudig als _the Thracian singer_
aangeduid. Toen zijn geliefde vrouw, Eurydice, door den beet van
een vergiftige slang gestorven was, daalde hij in de onderwereld af
en wist door zijn zang en snarenspel de Godin der Schimmen zoo te
betooveren, dat hij zijn vrouw weder naar boven mocht medenemen; zij
waren reeds de bovenwereld nabij, toen hij, tegen het verbod in, naar
haar omzag, zoodat hij haar weder, en nu voor goed, verloor. Ovidius'
Metamorph. X. 1. vgg.
III. 1. 212. _Of wij ontglansen 't hemelwelf met zuchten._ De
gedachte, dat uit zuchten wolken gevormd worden, vindt men meermalen
bij Shakespeare uitgedrukt, b.v. Romeo en Julia, I. 1. 139.
III. 1. 241. De tooneelaanwijzing "_Titus bezwijmt_" is door mij
ingevoegd, vgl. reg. 253.
IV. 1. 12. _Cornelia las niet vlijtiger._ Cornelia, de moeder der
Gracchen, die als voortreffelijke opvoedster harer zonen bekend staat
(zie Cicero in zijn Brutus, 58. 211). Verder wordt hier Cicero's boek
over de welsprekendheid, _De oratore_, bedoeld.
IV. 1. 20. _Dat Hecuba van Troje van kommer dol werd._ Zoo wordt Hecuba
ook in den Hamlet II. 2. 527. door een tooneelspeler voorgesteld;
zie ook Cymbeline, IV. 2. 313.
IV. 1. 28. _Ben ik geheel en gaarne tot uw dienst._ Om zijn vroeger
wegloopen weer goed te maken, is de knaap vleiend beleefd jegens
Lavinia. In 't Engelsch: _I will most willingly attend your ladyship._
IV. 1. 81. _Magni_ enz. Deze Latijnsche klacht, dat de beheerscher
des hemels zoo traag is in het hooren en zien van misdaden, is,
eenigszins gewijzigd, uit Seneca's treurspel Hippolytus ontleend.
IV. 1. 88. _Rome's Hector._ De Romeinsche Hector is de verbannen
Lucius, wiens hoop de jonge Lucius was, evenals Astyanax het was
van den Trojaanschen Hector.--De gade der onteerde kuische vrouw was
Lucretia's echtgenoot Collatinus; haar vader was Lucretius.
IV. 2. 20. _Integer vitae_ enz. Daar de regels uit Horatius
(Od. I. 22. 1.) zeggen, dat de reine en schuldelooze geen
"Mauretaanschen" pijl en boog, met andere woorden, geen wapenen
behoeft, is door de toezending van wapenen uitgedrukt, dat Tamora's
zonen niet rein en schuldeloos zijn. Als de slimme Tamora niet juist
door de zwangerschap onwel was, zou haar de schranderheid van den vond
toelachen. Men merke op, dat het adjectivische _Mauris_ van Horatius
hier in _Mauri_, "van den Moor", veranderd is.
IV. 2. 52. _Waar Aaron is, de Moor, doch ras!_ Men kan 't laatste ook
lezen: "Moord! och ras!" waarop dan Aarons zeggen: "moord en brand"
slaat. In 't Engelsch is de woordspeling tusschen _Moor_ en _more_.
IV. 2. 93. _Niet Enceladus._ Een der Giganten, die met rotsblokken
den hemel bestormden; ook Typhon was een monster, dat bij den strijd
tegen den oppergod zich geducht maakte. Alcides is Hercules.