De oudste uitgave van Titus Andronicus, die tot ons gekomen is,
dagteekent van het jaar 1600. De titel dezer quarto-uitgave luidt als
volgt: _The most lamentable Romaine Tragedie of Titus Andronicus. As
it hath Sundry times beene playde by the Right Honourable the Earle
of Pembrooke, the Earle of Darbie, the Earle of Sussex, and the
Lorde Chamberlaine theyr Seruants. At London, Printed by J. R. for
Edward White, 1600_. Van de vier genoemde tooneelgezelschappen is
het laatste dat, waar Shakespeare zelf deel van uitmaakte. De tekst
is vrij nauwkeurig te noemen.
Een tweede uitgave in quarto verscheen in 1611; zij noemt op den
titel alleen het tooneelgezelschap van Shakespeare: _As it hath
sundrie times beene playde by the Kings Maiesties Seruants_, en
wijkt overigens niet noemenswaard van de vorige af. Deze uitgave
schijnt ten grondslag gelegd te zijn aan den druk, toen het stuk
in de folio-uitgave der gezamenlijke tooneelwerken van Shakespeare,
van 1623, werd opgenomen. Bij laatstgenoemden afdruk vindt men echter
afwijkingen, waarschijnlijk door vergelijking met het handschrift,
dat bij het tooneelgezelschap berustte, en zelfs een geheel tooneel,
het tweede van het derde bedrijf, dat in geen der beide quarto-uitgaven
voorkomt. Dit tooneel, dat de handeling niet vooruitbrengt, werd
waarschijnlijk bij de vertooning weggelaten en daarom niet in de
quarto-uitgaven opgenomen; dat het niet later bijgevoegd werd, maar
reeds dadelijk een deel uitmaakte van het stuk, is onbetwijfelbaar.
Op den titel der quarto-uitgaven wordt de naam des dichters niet
genoemd, maar dit is niets vreemds in dien tijd; in de eerste uitgaven
van den Richard II, Richard III, Hendrik IV (eerste deel), Hendrik V,
Romeo en Julia is evenzoo de naam van Shakespeare weggelaten. Dat
de vrienden en kunstgenooten des dichters, Heminge en Condell, die
de folio-uitgave van 1623 bezorgden, dit stuk, onder den titel van
_The lamentable Tragedie of Titus Andronicus_, onder de treurspelen
van Shakespeare opnamen, mag een bewijs gerekend worden, dat Sh. en
geen ander de schrijver is.
Hier is ondertusschen nog een ander en opmerkelijk bewijs voor aan
te halen. Een tijdgenoot, en waarschijnlijk een goede bekende van
Shakespeare, een man, met de letterkunde van zijn tijd welvertrouwd,
Francis Meres, schreef,--en niet in een later tijdperk van Sh.'s leven,
maar reeds in 1598,--dat Sh. uitblonk in het schrijven van tragedies en
haalde als bewijzen daarvan aan: "zijn Richard II, Richard III, Hendrik
IV, Koning Jan, Titus Andronicus, en zijn Romeo en Julia". Francis
Meres noemt dus zeer bepaald Shakespeare als schrijver van den Titus
Andronicus.
Daar de woorden van Meres van veel belang zijn voor de dagteekening van
eenige der oudste stukken van Sh., moge hier, in de aanteekeningen van
Sh.'s oudste stuk, zijn getuigenis woordelijk aangehaald worden. Het
is te vinden in zijn: _Palladis Tamia, Wits Treasury: being the Second
Part of Wits Commonwealth. London_ 1598.
"_As the soule of Euphorbus was thought to live in Pythagoras, so the
sweet worthie soule of Ovid lives in mellifluous and honey tongued
Shakespeare; witnes his Venus and Adonis, his Lucrece, his sugred
sonnets among his private friends._
_As Plautus and Seneca are accounted the best for comedy and
tragedy among the Latines, so Shakespeare among the English is the
most excellent in both kinds for the stage; for comedy witnes his
Gentlemen of Verona, his Errors, his Loue Labours Lost, his Loue
Labours Wonne_,--waarmee "Eind goed, Al goed" moet bedoeld zijn,--_his
Midsummer Night Dreame, and his Merchant of Venice; for tragedy, his
Richard the 2, Richard the 3, Henry the 4, King John, Titus Andronicus,
and his Romeo and Juliet_.
_As Epius Stolo said that the muses would speake with Plautus tongue,
if they would speake Latin, so I say that the muses would speake with
Shakespeare fine filed phrase, if they would speake English._"
Hieruit blijkt tevens, dat de Titus Andronicus reeds in 1598
geschreven en ten tooneele gebracht was. Maar het stuk is zeker
ouder. In 1691 werd door zekeren _Gerald Langbaine_ uitgegeven
een _Account of the English Dramatick Poets_; daarin wordt gewag
gemaakt van een uitgave van _Titus Andronicus_ in quarto, van 1594,
waarvan thans geen exemplaar meer bekend is. Dat zijn mededeeling
juist kan zijn, en hij zulk een exemplaar kan gezien hebben, blijkt
uit het register van het boekhandelaarsgilde, waarin, op den datum
van 6 Februari 1593, ten behoeve van _John Danter_ is ingeschreven:
"_A booke entitled a noble Roman Historye of Titus Andronicus._" Op
deze inschrijving volgt: "_Entered also unto him, by warrant from
Mr. Woodcock, the ballad thereof._" De ballade, die, volgens deze
inschrijving, van het tooneelstuk of de geschiedenis gedrukt werd,
is hoogstwaarschijnlijk dezelfde, die door Percy in zijn _Reliques
of Ancient English Poetry_ onder den titel van "_The Lamentable and
Tragical History of Titus Andronicus_" is medegedeeld en ontleend
is uit een oude gedichtenverzameling zonder datum. (Ook in Delius
Sh.-uitgaaf is zij afgedrukt.) Dat zij _na_ het tooneelstuk gedicht
is, kan uit de eenvoudige lezing blijken; er wordt bij voorbeeld in
gesproken van het pijlen-schieten door Titus Andronicus, wat zonder
de kennis van het populaire tooneelstuk geheel onverstaanbaar zou zijn.
De Titus Andronicus moet dus vóór Febr. 1593 geschreven zijn. Een
opmerking van Ben Jonson noopt ons verder, het stuk voor nog eenige
jaren ouder te houden. Deze zegt in het voorspel van zijn blijspel
"de Bartholomeüs-mis", _Bartholomew Fair_, dat in 1614 werd opgevoerd:
"_He that will swear Jeronimo and Andronicus are the best plays yet,
shall pass unexcepted at here, as a man, whose judgment shows it is
constant, and hath stood still these five-and-twenty or thirty years._"
Hier wordt dus Titus Andronicus in één adem genoemd met _Thomas Kyd_'s
_Jeronimo_,--waarmede de Spaansche tragedie, _the Spanish tragedy or
Hieronymo is mad again_, bedoeld is,--en gezegd, dat hij, die deze
twee stukken nog voor de beste houdt, vijf en twintig of dertig jaren
in smaak ten achteren is. Zijn die 25 jaar letterlijk op te vatten,
dan is Titus Andronicus van het jaar 1589, misschien nog enkele jaren
vroeger. Bedenken wij nu, dat Shakespeare in April 1564 geboren
werd te Stratford aan den Avon, er in zijn 20ste jaar (Nov. 1582)
trouwde, er in 1583 een dochter kreeg en in 1585 tweelingen, dan zal
hij op zijn vroegst in laatstgenoemd jaar naar Londen gekomen zijn en
zich aan het tooneel verbonden hebben. Dat hij het handschrift niet
van Stratford heeft medegebracht, maar dat het stuk geschreven is,
nadat Sh. met de tooneelwereld bekend was geworden, is buiten allen
twijfel. Op zijn allervroegst kan het stuk dus in 1586 geschreven
zijn, doch waarschijnlijk is het eerst twee of drie jaar later gereed
gekomen. Met het oog op andere stukken zal het echter niet veel later
dan 1589 voltooid zijn, toen Shakespeare 25 jaar telde; veel vroeger
kan men het ook niet stellen, daar de dichter zich tooneelkennis
heeft moeten eigen maken. Men mag onderstellen, dat hij zich in het
landstadje Stratford door opmerkzaamheid de uitgebreide en nauwkeurige
kennis van dieren, planten en natuurverschijnselen heeft verworven,
waarvan zijn werken blijk geven, en verder slechts uit enkele boeken,
den bijbel b.v., Holinshed's kroniek, Ovidius' Metamorphosen [1],
zijn kennis verrijkt heeft, maar dat hij zijn bedrevenheid in de
letterkunde en in allerlei vakken van wetenschap, zijn inzicht in
maatschappelijke toestanden, zijn diepe menschenkennis vooral in Londen
heeft opgedaan. Daar, in de tooneelwereld verkeerende, kon hij eerst
tot het schrijven van een tooneelwerk komen, en geen wonder, dat de
jeugdige dichter een stof koos, die in overeenstemming was met den
smaak van het publiek en van zijn tijd. De fabelachtige geschiedenis
van Titus Andronicus was ongetwijfeld niet nieuw en waarschijnlijk
uit een novelle aan het publiek welbekend, want zulke verhalen, in
verzamelingen vereenigd, werden toen ter tijd vlijtig gelezen. Er is
ons geen novelle van Titus Andronicus bewaard gebleven, maar dat zij
bestaan moet hebben, blijkt uit de novellen-verzameling van _Painter_,
_The Palace of Pleasure_ geheeten; in het tweede deel er van, dat in
1567 het licht zag, wordt in het voorbijgaan van Titus en meer bepaald
van Tamora's wreedheid gewag gemaakt. Meer dan één voorbeeld kon aan
Shakespeare de overtuiging geven, dat deze stof hem een dankbaar
onderwerp zou wezen; met dergelijke toneelstukken was het publiek
hooglijk ingenomen. Een voorbeeld leveren ons twee stukken van den
boven reeds genoemden Thomas Kyd: deze trad in 1588 op met een stuk
_Hieronymo_ of _Jeronimo_, en eenigen tijd later met zijn Spaansche
Tragedie, ook genaamd _Hieronymo is mad again_, waarin Hieronymo dol
wordt om het verlies van zijn zoon. Dit laatste stuk vond toen ter
tijd een buitengewonen bijval en bleef, evenals de Titus Andronicus,
wel vijf en twintig of dertig jaar bij het publiek zeer geliefd,
zooals onder andere uit de ergernis van Ben Jonson blijkt.--Er is een
groote overeenkomst tusschen den Titus Andronicus en den Jeronimo;
in beide is de held een eerbiedwaardig grijsaard, die voor de groote
diensten, door hem bewezen, met de mishandeling en den moord der
zijnen beloond wordt, en die, om wraak te nemen op zijn belagers,
genoodzaakt is zich als een waanzinnige voor te doen. De slachting,
die in beide stukken aangericht wordt, is even groot; in beide blijven
er van de hoofdpersonen slechts weinigen in leven.--Wil men hier nader
van overtuigd worden, dan leze men slechts het slot van den Jeronimo,
een epiloog, die door een geest wordt uitgesproken:
"Ay, now my hopes have end in their effects,
When blood and sorrow finish my desires.
Horatio murdered in his father's bower;
Vile Serberine by Pedringano slain;
False Pedringano hang'd by quaint device;
Fair Isabella by herself misdone;
Prince Balthasar by Belimperia stabb'd;
The duke of Castille, and his wicked son,
Both done to death by old Hieronymo;
Then Belimperia fallen, as Dido fell;
And good Hieronymo slain by himself:
Ay, these were spectacles to please my soul."
Zulk een stuk geeft den Titus Andronicus niets toe in
bloederigheid. Het wordt bovendien nog opgeluisterd door een stomme
vertooning, een pantomime, _dumb show_, een vreemde toevoeging aan
een tooneelwerk, die toen zeer in zwang was; men vindt er gebruik
van gemaakt in den Pericles, en in het tooneelstuk, dat Hamlet ten
hove vertoonen laat.
Met de zoo even genoemde Spaansche tragedie van Kyd hadden vele
toenmalige stukken overeenkomst, en Shakespeare schikte zich, bij het
schrijven van zijn eersteling, naar den geest van zijn tijd; en niet
alleen in de keuze van het onderwerp, maar ook in meerdere opzichten
treedt hij in de voetstappen zijner voorgangers. Reeds hieruit zou
kunnen blijken, dat de Titus Andronicus zijn eersteling was, doch
men wordt hier nader van overtuigd, als men opmerkt, dat de dichter
in den loop van het stuk vorderingen maakt, en dat het eerste bedrijf
verreweg het zwakste van alle is. Na den Titus Andronicus begaf zich
de dichter aan het schrijven van zijn Koning Hendrik VI, van welks
drie deelen ook weder het eerste zwakker is dan de beide volgende. Wel
volgde hij meer en meer zijn eigen weg en overtreffen zijn stukken
die zijner tijdgenooten verre, maar bij alle verschil is er toch
genoeg overeenkomst met de laatste op te merken, dat de in ellende
wegstervende dichter Robert Greene, die zijn eigen tooneelwerken
en die zijner vrienden reeds zag tanen voor Shakespeare's luister,
hem in 1592 niet geheel en al ten onrechte een "opkomeling" noemde,
"gesierd met onze vederen." Een nieuweling, die geen academische
opleiding genoten had, stond in kennis niet bij hen ten achteren,
behandelde dergelijke stoffen als zij, wist die met mythologische
bloempjes op te sieren, schreef verzen, die niet minder goed klonken
dan de hunne! Men zie hierover de aanteekeningen in het derde deel op
Koning Hendrik VI. Met Koning Richard III kan men rekenen, dat deze
eerste periode van Shakespeare's leven gesloten wordt, die, behalve
de genoemde stukken, nog enkele blijspelen, verscheidene sonnetten
en Venus en Adonis heeft opgeleverd.
De overeenkomst, die zoo even werd toegegeven, is echter meer
schijnbaar dan wezenlijk, en bij nauwkeuriger toezien blijken de
verschillen zeer belangrijk te zijn. Dit gezegde vereischt een nadere
toelichting. Wanneer men den statigen gang der verzen, waarmede het
eerste bedrijf begint, nagaat, dan zou men meenen, dat de versbouw
van Marlowe wordt nagebootst, maar lezen wij verder, dan bemerken wij
weldra, dat de dichter zich geen boeien laat aanleggen, dat het hem
niet te doen is om de ooren zijner toehoorders met prachtig rollende
verzen te vullen, maar dat hij verscheidenheid brengt in de rusten,
het slepende einde der regels en zelfs afwijkingen van den gewonen
versbouw niet schuwt, kortom zijn stijl naar omstandigheden wijzigt. In
dit opzicht gaat hij niet alleen verder dan Marlowe, maar ook verder
dan Kyd, die wel is waar het majestueuze van Marlowe niet bereikt,
maar meer verscheidenheid in zijn regels wist te brengen. Er moge
nog aanmerkelijk verschil bestaan tusschen den versbouw van den
Titus Andronicus en van Shakespeare's latere stukken, wij kunnen
toch reeds hier het streven naar eenvoudigheid en natuurlijkheid in
de verzen ontdekken.
Dit zelfde geldt, wanneer men op de geheele uiting der gedachten
let. Bij een stuk met een inhoud als Titus Andronicus moet de
verleiding voor een jong dichter, om de personen in matelooze
jammerklachten, in afgrijselijke wraakkreten te doen uitbarsten, zeer
sterk geweest zijn, vooral in een tijd, dat zulk een taal door anderen
gebezigd werd en blijkbaar in den smaak van het publiek viel. En toch,
de jeugdige Shakespeare nam een zekere matiging in acht. Men oordeele:
in een stuk, _Lust's dominion_ geheeten, dat wel eens, schoon ten
onrechte, aan Marlowe is toegeschreven, komt ook een Moor voor, daar
Eleazar geheeten; van dezen kan men zeggen, dat hij spreekt op de
manier van Koning Cambyses (I K. Hendrik IV, II. 4. 425). Eleazar zegt:
"Now, Tragedy, thou minion of the night,
Rhamnusia, play-fellow, to thee I'll sing
Upon a harp made of dead Spanish bones,--
The proudest instrument the world affords--
When thou in crimson jollity shall bathe
Thy limbs as black as mine, in springs of blood
Still gushing from the conduit-head of Spain.
To thee that never blushest, though thy cheeks
Are full of blood, O Saint Revenge, to thee
I consecrate my murders, all my stabs,
My bloody labours, tortures, stratagems,
The volume of all wounds that wound from me,--
Mine is the stage, thine the tragedy."
Men vergelijke hiermede de uitingen van den Moor Aaron en men zal
Sh.'s streven naar eenvoud en natuurlijkheid erkennen.
De matiging, waarvan Shakespeare blijk geeft, mag inderdaad op
prijs gesteld worden. Als Tamora's zoon Alerbus ter slachting
wordt weggeleid, hooren wij slechts een enkelen uitroep van Tamora
(I. 1. 130); als Titus zijn zoon Mucius in drift doorstoken heeft,
zijn de woorden van Lucius (I. 1. 292) zeer eenvoudig en gematigd;
hetzelfde moet gezegd worden van Lavinia's woorden tot Tamora
(II. 3. 136), van Marcus' klacht bij het ontmoeten van de geschonden
Lavinia (II. 4. 11. en volgg.). Als Titus' zoons ter dood geleid
zijn en zijn verminkte dochter Lavinia tot hem gebracht wordt, barst
hij uit in roerende jammerklachten, maar geen stroom van vloeken en
verwenschingen komt er uit zijn mond (III. 1. 91); ja dit gebeurt
zelfs niet, als hij zijn hand heeft opgeofferd om zijn zonen te
redden; dan roept hij uit (III. 1. 207): "O, hier hef ik deze eene
hand ten hemel" en zijn klacht is niet eens bovenmatig, maar wordt
toch, als te overdreven, door zijn broeder gegispt. Als dan zijn
zonen toch geslacht zijn en zijn jammer ten top is gevoerd, zegt hij
(III. 1. 267) eenvoudig: "Ik heb geen tranen meer te storten over" en
denkt eerst daarna aan wraak. Als Titus aan Tamora heeft medegedeeld,
aan welk een gruwelijk maal zij zich te goed heeft gedaan (V. 3. 60),
spaart de dichter ons de jammerkreten der rampzalige moeder; haar dood
volgt oogenblikkelijk, evenals die van Titus en van Saturninus; een
matiging, die men bij weinige dichters van zijn tijd zal aantreffen.
Dat wij in Titus Andronicus het werk bezitten van een echten dichter,
blijkt bij het aandachtig lezen van het stuk telkens meer. De personen,
die er in optreden, zijn geen tooneelpoppen, aan welke woorden in
den mond worden gelegd, maar menschen van vleesch en bloed. Tamora
is door de vereeniging van een doordringend en vlug verstand, door
zelfbeheersching, heftige hartstochten en zedelijke verdorvenheid,
een opmerkelijke schepping; haar levendige verbeelding leent haar
bekoorlijkheid en uit haar mond vernemen wij echt dichterlijke taal;
men zie slechts II. 3. 10-29, en in hetzelfde tooneel reg. 93-104;
IV. 4. 81 en vlgg.; V. 1. 30 enz. Men ga verder het karakter en de
handelingen van den ouden Titus na; men overwege, hoe de dichter den
onmenschelijken duivel Aaron door een enkelen trek, de liefde voor zijn
basterdkind (zie IV. 2. 175), tot een mensch gemaakt heeft, zoodat zijn
straf er des te rechtvaardiger door wordt en belang stelling inboezemt;
men herleze de woorden, waarmede Lucius zijn zoon aanmaant, om de
nagedachtenis van den ouden Titus, van den beminnenden grootvader, in
eere te houden, V. 3. 160 enz.;--en men zal tot de overtuiging komen,
dat er geen redenen bestaan, om de meening te verdedigen, dat dit
stuk al te onvolkomen is om een werk van den jeugdigen Shakespeare te
kunnen wezen. Integendeel, een nauwkeurig onderzoek bevestigt veeleer
de juistheid der verklaring van Francis Meres. Het blijkt dan tevens,
dat dit treurspel een werk is uit één stuk, dat er geen enkele grond
bestaat om er twee handen in aan te nemen; het is niet een ouder arbeid
van een ander, waar Shakespeare eenige veranderingen in gemaakt heeft,
maar wel degelijk zijn eigen stuk, dat door geen ander dichter zoo zou
gemaakt zijn en waarin men den jeugdigen leeuw reeds aan zijn klauw
herkent; de onvolkomenheden, die men er in opmerkt, zijn geen andere,
dan men verwachten kan in het eerste werk van een jongen dichter,
die, hoezeer hij later alle andere moge overschaduwd hebben, toch
ook een kind van zijn tijd geweest is.
Het behoeft ons, Nederlanders, niet moeilijk te vallen, de goede
eigenschappen van den Titus Andronicus te waardeeren. "In November
1641 werd in den schouwburg [te Amsterdam] een treurspel vertoond,
dat algemeen opzien wekte. Het stuk was getiteld: _Aran en Titus, of
Wraak en Weerwraak_. De dichter was een burgerjongen, een glazenmaker,
zonder eenige kennis der Grieksche of Latijnsche taal; zijn naam,
toen nog geheel onbekend, luidde Jan Vos. Professor Barlæus was zoo
met zijn werk ingenomen, dat hij hem gelijk stelde met Sofokles. Op
zijn aansporen gingen zijn vrienden het stuk zien: Hooft en Van der
Burgh stonden verbaasd, en Vondel verklaarde, dat de dichter een
genie was. Van Baerle zelf kon zich aan de tragedie niet zat zien:
hij ging zevenmaal achtereen zich daaraan vergasten. Hij was er
zoo vol van, dat hij er brieven over schreef aan zijn vrienden en
Huygens uitnoodigde over te komen om haar te bewonderen. De geheele
oudheid had volgens hem geen zoodanig treurspel aan te wijzen: het
wekte echt tragische aandoeningen op en was geschreven in de taal van
Hooft en Vondel. Eindelijk wijdde hij er een Hollandsch gedicht aan,
dat aldus eindigt:
Ik stae gelijk bedwelmt en overstolpt van geest,
De Schouwburg wort verzet, en schoeit op hooger leest.
Rijst Sophocles weer op? stampt Æschylus weer hier?
Of maekt Euripides dit ongewoon getier?
Neen, 't is een Ambachtsman, een ongelettert gast,
Die nu de gantsche rey van Helicon verrast,
Die noyt gezeten heeft aan Grieks of Roomsche disch,
Wijst nu de weerelt aan, wat dat een Treurspel is.
_Athenen_ las het spel, en sprak: ik schrijf niet meer;
Die ons door glas verlicht, verduystert al ons eer." [2]
Wanneer men in het eerste deel der gedichten van Jan Vos (Amsterdam
1862) den vrij uitvoerigen inhoud van den Aran en Titus leest, ziet
men onmiddellijk, dat het geheele beloop van het stuk, op enkele
kleinigheden na, evenzoo is als bij Sh.'s Titus Andronicus. Men zou
hieruit vermoeden, dat het stuk een eenigszins omgewerkte vertaling
is van het Engelsch origineel. Wanneer wij dan tot de lezing van
den Aran en Titus overgaan, blijkt ons echter, dat er veel grooter
verschil is, dan men naar de inhoudsopgave zou verwachten. Het stuk
is geen vertaling van Shakespeare's treurspel, maar toch heeft Jan
Vos dit gekend en nagevolgd, zoodat er hier en daar overeenstemmende
passages in voorkomen, niettegenstaande men er zeker van kan zijn,
dat Jan Vos geen enkele vreemde taal machtig was. De verklaring
hiervan is zeer eenvoudig. Tegen het einde der zestiende eeuw had
de tooneelkunst in Engeland een groote hoogte bereikt en was in
westelijk Europa, waar zij nog op een lagen trap stond, zeer goed
aangeschreven. Vandaar, dat Engelsche tooneelgezelschappen meermalen
ondernamen Nederland, Duitschland en Denemarken te bezoeken. Dat bij
deze reizende troepen zich juist de uitstekendste acteurs bevonden,
valt wel niet te denken; toch hadden zij veel toeloop. Telkens vindt
men van zulke gezelschappen gewag gemaakt; reeds in 1591 verschenen
zij in ons land, verder in 1597, 1604, 1605, 1607; tot 1629 kwamen
zij vrij geregeld en ook later nog, tot 1644 of 1645. Evenzoo werd
Duitschland bezocht, en daar is omstreeks 1600 de Titus Andronicus
door Engelsche komedianten opgevoerd. Een vrije proza-bewerking er
van bevindt zich in een bundel: "Englischen Komödien und Tragödien"
(die in 1620 het licht zag) en draagt den titel: "Eine sehr klägliche
Tragoedie von Tito Andronico und der hoffertigen Keyserin, darinnen
denkwürdige _actiones_ zu befinden"; zij is in Tieck's "Deutsches
Theater" (1817) en in Albert Cohn's "Shakspeare in Germany" (1865)
overgedrukt.--Daar Titus Andronicus onder de stukken behoorde,
die door reizende Engelsche tooneelgezelschappen vertoond werden,
zal ongetwijfeld door zulke voorstellingen Jan Vos er bekend mee
geworden zijn. Men wordt daarin bevestigd, als men opmerkt, dat
de Duitsche vrije bewerking in menig opzicht met den Aran en Titus
overeenkomst heeft, zoowel in wat uit Shakespeare is weggelaten als
in wat breeder is uitgewerkt, en dat beide als het ware wedijveren om
al wat naar karakterteekening zweemt, al wat fijn bedacht, liefelijk,
echt dichterlijk is bij Shakespeare, er uit te werken; in dit opzicht
steekt de Duitscher den Hollander de loef nog af.
Als men in den Aran en Titus de verwijten van Titus' dochter aan
de overspelige Tamora, of liever het gekijf der twee wijven, leest,
als men Aran hoort stoffen op zijn misdaden, Tamora hoort weeklagen,
dat zij haar eigen zoons "zoo gierig" heeft "ingeslokt", als men
Titus hoort wenschen, dat hij Tamora's "darmen" mocht "ophasp'len op
zijn armen", als men de koren leest, die van Baerle nog wel als een
proefje aan Huygens zond om hem te doen watertanden, dan staat men
niet alleen verbaasd, dat een man als van Baerle dit kon bewonderen,
maar zal meer dan ooit gestemd zijn, om aan de dichterlijke waarde
van Shakespeare's Titus Andronicus volle recht te doen wedervaren
[3], al moet men toegeven, dat het in een geheel anderen geest dan
zijn overige stukken, in een vroegeren stijl geschreven is.
I. 1. 8. [4] _Mijn voorrang_. In het Engelsch staat _age_, waarmede
Saturninus bedoelt, dat hij ouder is dan Bassianus en naar het
recht van eerstgeboorte den voorrang moet hebben.--Als Bassianus
zich, twee regels verder, Cæsars zoon noemt, bedenke men, dat alle
keizers den naam van Cæsar droegen; hij wil den weg naar het kapitool
bezet houden, opdat de Romeinen zich niet aan het eerstgeboorterecht
behoefden te onderwerpen, maar vrij konden kiezen; Bassianus meent
door zijn verdiensten meer aanspraak te hebben op den troon.