DERDE TOONEEL.

Aldaar. Een open gebouw in Titus' tuin.

Lucius, Marcus en Gothen komen op, met Aaron als gevangene. Er

staat een tafel gereed voor een feestmaal.

LUCIUS. Oom Marcus, daar mijn vader het verlangt,

Dat ik naar Rome kom, vind ik dit goed.

EERSTE GOTH. En wij met u; geschiede wat er wil.

LUCIUS. Goede oom, bewaar dien woesten Moor hier binnen,

Dien fellen tijger, dien gevloekten duivel.

Laat hem geen voedsel reiken; kluister hem,

Tot hij voor 't oog der keizerin gevoerd wordt,

Om van haar booze daden te getuigen.

Draag zorg, dat de verholen vrienden sterk zijn;

De keizer heeft niets goeds voor, naar ik vrees.

AARON. Een duivel fluist're vloeken mij in 't oor,

En help' mijn tong, dat zij met kracht het gif

Van mijn door wrok gezwollen hart moog' uiten!

LUCIUS. Van hier, bloedgier'ge hond, vervloekte schurk!--

Gij mannen, helpt onze' oom; voert hem naar binnen!--

(De Gothen met Aaron af.--Trompetgeschal.)

Dat schallen meldt, dat daar de keizer is.

(Saturninus en Tamora komen op, met Tribunen, Senatoren en

Anderen.)

SATURNINUS. Wat! heeft de hemel meer dan ééne zon?

LUCIUS. Waar dient het toe, dat gij uzelf de zon noemt?

MARCUS. Gij Rome's keizer, en gij neef, laat af;

Wat u verdeelt, moet kalm besproken worden.

Het gastmaal is gereed, dat zorgvol Titus

Heeft aangericht tot goed en eervol einde,

Voor Rome's eendracht, vrede, vriendschap, heil;

Treedt, bid ik, nader, neemt uw plaatsen in.

SATURNINUS. Dat zij zoo, Marcus.

(Muziek van hobo's. De Gasten nemen plaats.)

(Titus komt op, als kok gekleed, verder Lavinia, gesluierd, de

jonge Lucius, en Anderen. Titus plaatst de schotels op tafel.)

TITUS. Wees welkom, vorst; wees welkom, keizerin;

Welkom, krijgshafte Gothen; welkom, Lucius;

En welkom, allen! Zij 't onthaal eenvoudig,

't Zal voedzaam zijn; ik bid u dus, tast toe.

SATURNINUS. Waarom in zulk een kleeding, Andronicus?

TITUS. Ik wilde zeker zijn, dat mijn onthaal

U en uw keizerin zou waardig zijn.

TAMORA. Wij zijn, goede Andronicus, u recht dankbaar.

TITUS. Dit waart gij wis, vorstin, zaagt ge in mijn hart.

Mijn heer en keizer, zeg mij eens uw oordeel:

Was 't wèl gedaan, dat eens Virginius heftig

Met eigen rechterhand zijn dochter doodde,

Wijl zij verkracht, onteerd was en bezoedeld?

SATURNINUS. Ja, Andronicus.

TITUS. En uw reed'nen, heer?

SATURNINUS. Zoo overleefde zij haar schande niet,

Vernieuwde door haar leed niet steeds zijn jammer.

TITUS. Een sterke, machtige en voldoende grond;

Een voorbeeld, een vermaan, een ware volmacht

Voor mij, onzaal'ge, om evenzoo te doen.--

Sterf, sterf, Lavinia, en uw smaad meteen;

Vaar' met uw smaad uws vaders kommer heen!

(Hij doodt Lavinia.)

SATURNINUS. Wat doet gij daar, gij onmensch, meer dan wreed?

TITUS. Haar doodde ik, om wier lot ik blind mij kreet.

'k Ben even weevol als Virginius was,

En heb wel duizendmaal meer grond dan hij

Tot zulk een wandaad;--en ze is nu gedaan.

SATURNINUS. Wat! werd ze onteerd? O meld mij, wie dit deed!

TITUS. (tot Saturninus). Neem nog wat spijs!--

(Tot Tamora.) Ga voort, uw hoogheid, eet!

TAMORA. Waarom versloegt ge uw een'ge dochter dus?

TITUS. Niet ik, 't was Chiron met Demetrius;

Die hebben haar onteerd, de tong ontrukt;

Door hen ging ze onder naamloos wee gebukt.

SATURNINUS. Ga, haal hen, stel hen voor ons, en terstond.

TITUS. Zij zijn daar beide' in die pastei; hen vond

Hun moeder pas een lekk're spijs; zij at,

Wat ze in haar schoot eens droeg, heeft liefgehad.

't Is waar, 't is waar, dit tuig' mijn scherpe dolk.

(Hij doodt Tamora.)

SATURNINUS. Sterf, dolle schurk; die vloekdaad krijg' haar loon!

(Hij doodt Titus.)

LUCIUS. Daar vloeit mijns vaders bloed; dat duldt geen zoon!

Hier hebt gij dood voor dood en loon voor loon!

(Hij doodt Saturninus. Groote opschudding. Marcus, Lucius en

Anderen bestijgen de trappen voor Titus' huis.)

MARCUS. Ontstelde mannen, Rome's volk en zonen,

Verstrooid door 't oproer als een vogelzwerm,

Dien wind en stormgeloei uiteen doen spatten,

Laat mij u leeren, die verspreide halmen

Op nieuw tot ééne garve saam te voegen,

Die stukgereten leden tot één lijf,

Opdat niet Rome een vloek zij voor zichzelf,

En zij, voor wie zoo groote rijken buigen,

Niet, als een arm verstoot'ling, zonder hoop,

Tot eeuw'gen smaad de hand sla aan zichzelf.

Doch zoo mijns winters sneeuw, mijn diepe groeven,

Eerwaarde borgen voor mijn rijpe ervaring,

U niet bewegen naar mijn woord te luist'ren,--

(Tot Lucius.) Spreek, Rome's vriend, als onze stamheer eens,

Toen hij met plechtige' ernst aan 't luist'rend oor

Der ademlooze, liefdekranke Dido

't Verhaal deed van die gruwelnacht des brands,

Waarin der Grieken sluwheid Troje nam;

Meld, welke Sinon 't oor ons heeft betooverd,

En wie 't noodlottig werktuig hier bracht, dat

Ons Troje, ons Rome burgerwonden sloeg.

Mijn hart is niet uit staal of steen gevormd,

En al ons bitter wee kan ik niet uiten;

Een tranenvloed zou mijne taal verdrinken,

En mijne stem zou breken, ja, juist dan,

Als zij u smeeken moest goed toe te luist'ren

En uwe zachte deernis ons te schenken.

Hier staat een veldheer, die 't verhaal moog' doen;

Uw hart zal snikken, weenen als gij 't hoort.

LUCIUS. Dan, eed'le hoorders, zij u thans bericht:

Die vloekb're Chiron en Demetrius,

Zij waren 't, die des keizers broeder moordden,

Zij waren 't ook, die onze zuster schonden.

Voor hunne gruw'len stierven onze broeders,

Werd onzes vaders diepe smart gehoond,

Hem door bedrog die brave hand ontfutseld,

Die staâg voor Rome's roem gestreden had,

Haar vijanden ten grave had gezonden,

En eind'lijk ik, ikzelf, met smaad verbannen,

En Rome's poorten weenend uitgedreven,

Om hulp bij Rome's vijanden te zoeken,

Die hunnen haat verdronken in mijn tranen,

Met open armen mij als vriend omhelsden.

En ik ben 't, de uitgestoot'ne,--weet dit, vrienden,--

Die Rome's welzijn redde met mijn bloed,

En 's vijands zwaard afkeerde van haar borst,

Zijn staal een scheê gaf in mijn waagziek lijf.

Gij allen weet, dat ik geen pocher ben;

Litteekens mogen stom zijn, toch getuigen

De mijne, dat ik zuiv're waarheid spreek.

Doch stil! mij dunkt, te verre dwaal ik af,

Mijn luttel doen zoo roemend;--o, vergeeft,

Elk prijst, is hem geen vriend nabij, zichzelf.

MARCUS. Nu is 't aan mij, te spreken. Ziet dit kind;

Aan dezen knaap schonk Tamora het leven;

De telg is 't van een godvergeten Moor,

Den hoofdontwerper, smeder dezer jamm'ren.

De booswicht is in Titus' huis nog levend,

En moet getuigen, dat dit waarheid is.

Gij, oordeelt nu, wat reden Titus had

Om al dit onuitspreek'lijk leed te wreken,

Dat meer is, dan een mensch ooit dragen kan.

En nu gij alles weet, spreekt nu, Romeinen:

Is iets door ons misdreven? Toont ons dit,

En van de plaats, waar gij ons hier ziet staan,

Zal 't luttel overschot der Andronici

Voorover, hand in hand zich nederstorten,

Op 't ruw gesteente zich het brein verplett'ren

En saam een einde maken aan hun stam.

Romeinen, spreekt! en is 't uw welgevallen,

Ziet mij en Lucius, hand in hand, hier vallen.

ÆMILIUS. Neen, kom! eerwaardige Romein, en stell'

Veeleer uw hand ons onzen keizer voor,

Den keizer Lucius; want ik weet, met mij

Roept elk, als ik: "Dat Lucius keizer zij!"

Allen. Heil, Lucius, heil! heil, Rome's eed'le keizer!

(Lucius, Marcus en de Overigen dalen af.)

MARCUS (tot eenige Dienaars). Gaat thans in 't rouwhuis van den

ouden Titus,

En sleur dien godvergeten Moor hierheen,

Opdat een ongehoorde marteldood

Als straf bepaald zij voor zijn gruw'lijk leven.

(Eenige Dienaars af.)

ALLEN. Heil, Lucius, heil! heil, Rome's eed'le keizer!

LUCIUS. Romeinen, dank! en, goden, hoort mijn beê,

Dat ik genezing brenge en heil na wee!--

Doch lieve vrienden, gunt mij thans nog rust;

Eerst eischt natuur van mij een zwaren plicht.--

Wijkt gij terug;--maar, oom, treed nader, pleng

Meê vrome tranen dezen doode.--Ontvang

(Hij kust Titus.)

Mijn warmen kus op uw koudbleeke lippen,

Op uw bebloede wang mijn weemoedsdruppels,

Als laatste trouwe hulde van uw zoon.

MARCUS. O traan voor traan en liefdekus voor kus

Biedt hier uw broeder Marcus aan uw lippen;

O waar' hun som, die ik betalen moest,

Ontelbaar, eindloos, toch betaalde ik die!

LUCIUS. Kom, knaap, kom hier, en leer van ons, hoe liefde

In tranen smelt. Grootvader had u lief,

En vaak liet hij u dansen op zijn knie,

Zong u in slaap, zijn trouwe borst als kussen;

En vele dingen heeft hij u verteld,

Geschikt en juist gekozen voor uw jonkheid;

Herdenk dit en vergiet, als minnend kind,

Dan een'ge droppen uit uw teed're bron,

Want vriendlijk heeft natuur als wet gesteld,

Dat in het leed een vriend zijn vriend verzelt;

Zeg hem vaarwel, vertrouw hem aan zijn graf,

Bewijs dien liefdeplicht en neem dan afscheid.

DE JONGE LUCIUS. Grootvader! ach, grootvader! o, hoe gaarne

Stierf ik, zoo gij dan weer herleven mocht!

O god! door 't weenen kan ik niets meer zeggen;

Ik stik in tranen, open ik den mond.

(De Dienaars komen terug, met Aaron.)

EEN ROMEIN. Staakt, treurende Andronici, thans uw rouwklacht!

Maar spreekt het vonnis van den onverlaat,

Die al deez' gruweldaden heeft verwekt.

LUCIUS. Begraaft hem tot de borst om te verhong'ren;

Zoo sta hij vast, en woede, en schreeuwe om spijs;

Zoo iemand hem verkwikt, hem deernis toont,

Die sterft voor deze schuld. Dit is ons vonnis;

Zorgt, dat hij goed in de aard bevestigd wordt.

AARON. O, waarom zouden wrok en woede zwijgen?

Ik ben geen kind, dat ik met laf gebed

De gruw'len zou betreuren, die ik deed.

Tien duizend erg're dan ik ooit bedreef,

Zou ik begaan, zoo ik naar lust kon hand'len;

En deed ik één goed werk in heel mijn leven,

Dan is het dit, wat mij van harte rouwt.

LUCIUS. Den keizer mogen trouwe vrienden halen

En in zijns vaders graf ter aard bestellen.

Mijn vader en Lavinia voeren wij

Terstond naar 't grafgewelf van ons geslacht.

Aan Tamora, de felle tijgerin,

Wordt uitvaart, noch gevolg in rouwgewaad,

Noch klokgebrom gegund; werpt haar in 't veld

Aan 't wild gedierte en 't roofgevogelt' voor.

Beestachtig was haar leven, zonder deernis;

Zij vinde na den dood bij niemand deernis.

Voert Aaron nu ter straf, den vloek'bren Moor,

Die de oorsprong was van al ons naamloos wee;

Dan reeg'len wij den staat, zoodat voor goed

Een ramp en nood als deze zijn verhoed.

(Allen af.)

Titus Andronicus(#23676) · 第 26 / 32 题