TWEEDE TOONEEL.

Rome. Het voorplein van Titus' huis.

Tamora, Demetrius en Chiron komen op, vermomd.

TAMORA. Aldus, in deze vreemde, somb're dracht,

Bezoek ik Andronicus nu, en zeg,

Dat ik de Wraak ben, uit de hel gezonden,

Om voor zijn jammer met hem recht te doen.

Klopt aan zijn boekvertrek; daar toeft hij, zegt men,

En broedt op plannen, vreemd en woest, van wraak;

Zegt hem, de Wraak kwam hier, om saâm met hem

Verderf op al zijn haters uit te storten.

(Zij kloppen aan.)

(Titus komt op, boven.)

TITUS. Wie stoort mij in mijn overdenking? Is dit

Een kunstgreep om mijn deur mij te doen oop'nen,

Opdat mijn wraakbesluiten zoo vervliegen,

En al mijn peinzen zonder werking blijv'?

Gij dwaalt, want wat ik voorgenomen heb,--

Zie hier,--ik schreef het neer met bloedig schrift;

En wat ik schreef, zal worden uitgevoerd.

TAMORA. Titus, om u te spreken kwam ik hier.

TITUS. Neen, neen, geen woord! hoe kan ik sierlijk spreken,

Nu ik een hand voor mijn gebaren mis?

Gij zijt te zeer in 't voordeel, dus niets meer.

TAMORA. Zoo gij mij kendet, zoudt gij met mij spreken.

TITUS. Ik ben niet dol; ik ken u al te goed;

Dit tuig' deze arme stomp, dit roode schrift,

De voren hier, die leed en zorg mij groeven,

Dit tuig' de moede dag, de lange nacht,

En al mijn jammer, dat ik goed u ken

Als Tamora, de trotsche keizerin.

Is 't om mijn and're hand, dat gij hier komt?

TAMORA. Neen, weet, bedroefde, Tamora ben 'k niet;

Zij is uw vijandin, ik uw vriendin.

Ik ben de Wraak, die, uit de hel gezonden,

Den gier, die aan uw harte knaagt, zal stillen,

Uw haters straffen zal met strenge wraak.

Kom af, en heet mij welkom aan het daglicht;

Pleeg over moord en doodslag met mij raad.

Geen schuilplaats is er en geen diepe grot,

Geen tastbaar duister en geen dompig dal,

Waar vloek'bre moord of vrouwenkracht, vol angst,

Zich bergen kunnen, of ik vind hen daar;

En galm mijn schrikb'ren naam hun in het oor:

Wraak, die den boozen zondaar sidd'ren doet.

TITUS. Zijt gij de Wraak? en hier tot mij gezonden

Ter martelstraf voor wie mijn vijand is?

TAMORA. Ik ben het; kom dus af en heet mij welkom.

TITUS. Doe mij een dienst dan, eer ik tot u kom.

'k Zie Moord en Vrouwenkracht daar aan uw zijde;

Zoo toon mij nu, dat gij de Wrake zijt:

Doorsteek hen of verplet hen met de raad'ren

Uws wagens, en ik kom en word uw waag'naar,

En jaag met u onstuimig door 't heelal.

Schaf u twee schoone rossen aan, gitzwart,

Om uw wraakgier'gen wagen vaart te geven

En moord'naars in hun holen op te sporen;

Is dan uw wagen van hun hoofden vol,

Dan stijg ik af en draaf ter zij van 't wiel,

Gelijk een lage knecht, den ganschen dag,

Van Hyperions opkomst in het oosten,

Tot hij verzinkt, verdwenen is in zee;

En dag op dag doe ik dit zware werk,

Verdelgt gij hen daar, Vrouwenkracht en Moord.

TAMORA. Zij zijn mijn dienaars, volgen mij alom.

TITUS. Uw dienaars? zij? en hoe is dan hun naam?

TAMORA. Zij heeten Vrouwenkracht en Moord, want weet:

Zij nemen wraak op zondaars van dien aard.

TITUS. Ach, ik dacht hen de zoons der keizerin,

En u hun moeder; doch wij aardsche wezens

Zien met armzaal'ge, dwaas bedriegende oogen.

O, lieve Wraak, thans kom ik tot u af;

En zoo ééns arms omhelzing u volstaat,

Dan wil ik u terstond er mee omarmen.

(Titus boven af.)

TAMORA. Zóó met hem om te gaan past bij zijn waanzin.

Wat ik nu uitdenk voor zijn dolle vlagen,

Steunt gij dat, zet het voort door wat gij zegt;

Want hij gelooft nu vast, dat ik de Wraak ben;

En daar die waan hem lichtgeloovig maakt,

Doe ik hem Lucius, zijnen zoon, ontbieden;

Is bij een feestmaal die in mijn bereik,

Dan vind ik wel een sluwe list om fluks

De licht verdwaasde Gothen te verstrooien,

Of wel, hen tot zijn vijanden te maken,

Daar komt hij, ziet; nu speel ik weer mijn rol.

(Titus komt weder op, beneden.)

TITUS. Lang was ik raad'loos en alleen om u.

Wees welkom, Furie, aan mijn weevol huis!--

Gij, Vrouwenkracht en Moord, weest ook recht welkom!--

O, wat gelijkt gij op de keizerin,

Gij op haar zoons! Een Moor alleen ontbreekt;--

Kon heel de hel zoo'n duivel u niet leev'ren?

Want als de keizerin een voet verzet,

Dan heeft zij,--'k weet het goed,--een Moor steeds bij zich;

En zoo gij haar naar waarheid voor wilt stellen,

Dan moet er zulk een duivel bij u zijn.

Maar toch ook welkom zoo! Wat valt te doen?

TAMORA. Wat, Andronicus, wilt gij, dat wij doen?

DEMETRIUS. Wijs mij een moord'naar; 'k reken met hem af.

CHIRON. Wijs mij een schurk, die vrouwenkracht bedreef,

En ik ben hier, opdat de wraak hem treff'.

TAMORA. Wijs mij een duizendtal, dat u gekrenkt heeft,

En ik neem op hen allen felle wraak.

TITUS. Zie dan in Rome's booze straten rond,

En vindt ge een man daar, die op u gelijkt,

Doorsteek hem, lieve Moord; hij is een moord'naar.--

Ga gij met hem;--en hebt gij het geluk,

Dat gij een ander vindt, die u gelijkt,

Doorsteek hem, Vrouwenkracht; 't is een verkrachter.--

Ga gij met hen; gij vindt aan 's keizers hof

Een keizerin, verzelschapt van een Moor;

Aan uw gedaante kunt gij licht haar kennen,

Want zij gelijkt van top tot teen op u;

Ik bid u, breng hen gewelddadig om;

Zij deden mij geweld aan en de mijnen.

TAMORA. Uw voorschrift was recht goed; wij zullen 't doen.

Maar thans behage 't u, goede Andronicus,

Naar Lucius, uwen dapp'ren zoon, te zenden,

Die tegen Rome een Gothenleger aanvoert,

En hem ten feestmaal in uw huis te nooden;

Dan wil ik, als hij neerzit aan uw disch,

De keizerin er brengen met haar zoons,

Den keizer zelf, elk, die uw vijand is;

Zij zullen knielend u genade vragen,

En dan stilt gij aan hen uw toornig hart.

Wat antwoordt Andronicus op dit voorstel?

TITUS. Marcus, mijn broeder!--de arme Titus roept.

(Marcus komt op.)

Ga, lieve Marcus, naar uw neef, naar Lucius;

Vraag bij de Gothen, waar hij is, en zeg hem,

Dat ik hem spoedig bij mij wensch te zien,

Verzeld van enk'len der voornaamste Gothen;

Hij leeg're zijne krijgers waar zij zijn.

Meld, dat de keizer, met de keizerin,

Eet in mijn huis, en hij met hen moet spijzen.

Doe dit om mijnentwil; zoo doe ook hij,

Als hem zijns ouden vaders leven lief is.

MARCUS. Ik zal het doen en spoedig ben ik weer.

(Marcus af.)

TAMORA. Nu ga ik weg van hier, maar tijg terstond

Voor u aan 't werk, en neem mijn dienaars mede.

TITUS. Neen, neen, laat Vrouwenkracht en Moord bij mij;

Of anders roep ik nog mijn broeder weer,

En houd mij voor mijn wraak alleen aan Lucius.

TAMORA (ter zijde tot haar zoons). Wat zegt gij, knapen? wilt gij

bij hem blijven,

Terwijl ik aan den keizer melden ga,

Hoe ik in onze ontworpen scherts geslaagd ben?

Viert gij zijn luimen, vleit hem, houdt hem bezig,

En toeft bij hem, totdat ik wederkeer.

TITUS (ter zijde). 'k Heb hen herkend, al wanen zij mij dol,

En ik verstrik hen in hun eigen plannen,

Die vloekb're twee helhonden en hun moêr.

DEMETRIUS. Het zij zoo, moeder; ga en laat ons hier.

TAMORA. Vaar, Andronicus, wel; de Wrake tracht,

Wat vijand is, te leev'ren in uw macht.

TITUS. Ik weet, dit doet gij; lieve Wraak, vaarwel!

(Tamora af.)

CHIRON. Spreek, oude man, welk werk hebt gij voor ons?

TITUS. Geduld maar! ik heb werks genoeg voor u.--

Publius, kom hier! komt, Cajus, Valentinus!

(Publius en Anderen komen op.)

PUBLIUS. Wat is uw wensch?

TITUS. Spreek, kent gij deze twee?

PUBLIUS. Ik meen, het zijn de zoons der keizerin,

Demetrius en Chiron.

TITUS. Wat, Publius! o foei, foei! nu dwaalt gij zeer;

Deze een heet Moord, die ander Vrouwenkracht;

En daarom, boeit hen, beste Publius, boeit hen;

Gij Cajus, Valentinus, grijpt hen aan;

Dit uur, hoe vaak hebt gij 't mij hooren wenschen!

Nu is het daar; dus boeit hen stevig; stopt

Den mond hun, als zij schreeuwen willen.

(Titus af.--Publius en de Overigen grijpen Chiron en Demetrius

en boeien hen.)

CHIRON. Schurken,

Laat af, wij zijn de zoons der keizerin.

PUBLIUS. Juist daarom doen wij, wat bevolen werd.--

Stopt hun den mond, dat zij geen woord meer spreken.

Is hij geboeid? Zorgt, dat gij stijf hem knevelt!

(Titus komt terug, met Lavinia, hij met een mes, zij met een

bekken.)

TITUS. Lavinia, zie, geboeid zijn uw belagers.--

Stopt hun den mond, dat zij geen woord mij zeggen,

Maar zelve luist'ren naar mijn schrikb're taal.--

Gij schurken, Chiron en Demetrius,

Dit is de bron, door u met vuil besmet,

De lieve zomer, door uw vorst bedorven.

Gij dooddet haar gemaal, en voor die wandaad

Verloren twee van hare broeders 't hoofd,

En ik de hand; een scherts, waarom gij lachtet.

De tong en beide handen, en,--wat kostb'rer

Dan tong of hand is,--de onbevlekte reinheid,

Ontmenschte schurken, hebt gij haar ontroofd.

Wat zoudt gij zeggen, als ik u liet spreken?

Gij kondt uit schaamte geen genade vragen.

Hoort, schurken, hoe ik u te mart'len denk.

'k Hield één hand om uw kelen af te steken,

Terwijl Lavinia met haar stompen 't bekken

Zal houden, dat uw schuldig bloed ontvangt.

Gij weet, uw moeder wenscht bij mij te spijzen;

Zij noemt zich Wraak en mij houdt zij voor dol.--

Hoort, schurken! uw gebeent' maal ik tot stof,

En 'k meng daarvan en van uw bloed een deeg,

En uit dit deeg maak ik pasteienkorsten,

En bak van uwe hoofden twee pasteien;

Dan zal die slet, uw eervergeten moeder,

Als de aarde doen, verslindend wat zij voortbracht.

Dit is het feestmaal, waar ik haar op noodde,

Dit het gerecht, waaraan zij smullen zal.

Mijn kind leed erger smaad dan Philomela,

En erger zij mijn wraak dan Procne's wraak.

En nu, hier met uw kelen!--

(Hij snijdt hun kelen af.)

Kom, Lavinia;

Vang gij dit bloed nu op, en als zij dood zijn,

Wil ik hun beend'ren malen tot fijn stof,

Het mengen met dit walg'lijk nat, en dan

Laat ik hun hoofden bakken in dat deeg.--

Komt, komt, dat nu een elk volijv'rig zij

Voor dit onthaal, dat gruw'lijker moog' blijken

En bloediger dan der Centauren feest.

Vlug, draagt hen binnen; ik speel nu voor kok,

Opdat zij klaar zijn, als hun moeder komt.

Titus Andronicus(#23676) · 第 25 / 32 题