EERSTE TOONEEL.

Een vlakte nabij Rome.

Lucius, Bevelhebbers en Krijgers der Gothen, met trommen en vaandels,

komen op.

LUCIUS. Beproefde krijgers en getrouwe vrienden,

Van 't groote Rome ontving ik brieven, die

Mij melden, hoe zij daar hun keizer haten

En vol verlangen zijn om ons te zien.

Weest daarom, heeren, als uw titels 't zeggen,

Grootmachtig, en geen krenking verder duldend;

En heeft u Rome schade toegevoegd,

Die moge 't nu drievoudig u vergoeden.

EERSTE GOTH. Gij dapp're spruit des grooten Andronicus,

Wiens naam, eens onze schrik, nu troost ons is,

Wiens groote diensten en roemruchte daden

't Ondankbaar Rome thans met hoon vergeldt,

Vertrouw op ons; wij volgen waar ge ons leidt,

Als angelbijën, die op 't heetst des zomers

De koningin naar bloemenbeemden voert;

En wreek u op de vloekb're Tamora.

ALLE GOTHEN. Wat hij zegt, allen zeggen wij 't met hem.

LUCIUS. Ik dank hem need'rig en ik dank u allen.--

Doch wie is 't, dien een kloeke Goth daar brengt?

(Een Goth komt op, met Aaron, die zijn Kind op de armen draagt.)

TWEEDE GOTH. Doorluchte Lucius, ik zwierf af van 't leger,

Om een vervallen klooster te bezien;

En toen ik op het halfvernield gebouw

Mijn oog aandachtig vestte, hoorde ik eensklaps

Daar onder 't muurwerk 't schreeuwen van een kind.

'k Ging af op het geluid, maar hoorde dra

Het schreeuwend wicht bekijven met de woorden:

"Stil, donk're schelm, half mij en half uw moeder,

Verried niet fluks uw kleur, wiens welp gij zijt,

Had u natuur begaafd met moeders uitzicht,

Dan, schurk, hadt gij een keizer kunnen worden;

Maar bij spierwitte kleur van stier en koe,

Wordt nooit een kalf, dat koolzwart is, gefokt.

Stil, deugniet, stil!"--zoo keef hij op het wicht,--

Ik moet u brengen naar een trouwen Goth,

Die, kent hij u als 't kind der keizerin,

U om uw moeders wille lief zal hebben."

Ik trok mijn zwaard en sprong fluks op hem toe,

Verraste hem en breng hem thans tot u,

Opdat gij met hem doet naar welgevallen.

LUCIUS. O wakk're Goth, dit is die bare duivel,

Die Andronicus' dapp're hand hem stal,

De parel, die de keizerin bekoorde,

Dàt van zijn vuige min de lage vrucht.--

Waarheen, witoogig monster, gingt gij 't brengen,

Dien jeugdige' afdruk van uw duivelstronie?

Kunt gij niet spreken? doof dus? wat! geen woord?

Een strik, mijn krijgers! hangt hem! daar! gezwind!

En aan zijn zij dat zwarte basterdkind!

AARON. Roer 't kind niet aan; het is van vorstlijk bloed.

LUCIUS. 't Lijkt op zijn vader en wordt nimmer goed.

Hangt eerst het kind; hij moog' het spart'len zien;

't Verhoogt de smarten zijner ziel misschien.

Vlug, brengt een ladder!

(Een ladder wordt gebracht en Aaron gedwongen die te bestijgen.)

AARON. Lucius, spaar het kind!

En zend het aan de keizerin van mij.

Als gij dit doet, meld ik u wond're zaken,

Waarvan het weten u veel voordeel brengt;

Wilt gij dit niet, 'k laat alles mij gevallen,

En spreek niets meer; maar wraak verdelge u allen!

LUCIUS. Zoo spreek dan; en behaagt mij wat gij zegt,

Dan blijft uw kind gespaard, ja, 'k voed het op.

AARON. Zoo 't u behaagt! neen, Lucius, wees verzekerd,

Het zal uw ziele grieven, wat gij hoort;

Ik moet van doodslag spreken, moord en schennis,

Van daden, zwart gelijk de nacht, afschuw'lijk,

Van samenspanning, schurkerij, verraad,

Voor 't hooren wreed, toch deerniswaard volvoerd;

Wat alles in mijn dood begraven wordt,

Tenzij, naar uwen eed, mijn kind blijft leven.

LUCIUS. Spreek, wat gij weet; ik zeg, uw kind blijft leven.

AARON. Neen, zweer het eerst; terstond begin ik dan.

LUCIUS. Waarbij? voor u, die aan geen god gelooft?

Is dit zoo, kunt gij dan een eed gelooven?

AARON. Stel, ik doe 't niet;--en zeker, 'k doe het niet,--

Doch wijl ik weet, dat gij geloovig zijt,

In u een ding hebt, dat geweten heet,

Met twintig papenfratsen en gebruiken,

Die ik u nauwgezet volbrengen zag,

Daarom eisch ik uw eed;--(Ter zijde.) dewijl ik weet,

Dat menig nar zijn zotskolf voor een god acht,

En de eeden houdt, gezworen aan dien god,

Eisch ik zijn eed;--(Overluid.) daarom zult gij beloven

Bij uwen god,--wat god het dan ook zij,--

Dien gij aanbidt en diep vereert, dat gij

Mijn knaap zult sparen, voeden, groot zult brengen,

Zoo niet, weet dan, dat ik u niets ontdek.

LUCIUS. Ik zweer u bij mijn god, dat ik dit doe.

AARON. Weet eerst, ik won hem bij de keizerin.

LUCIUS. O onverzaad'lijk geil, wellustig wijf!

AARON. O Lucius, stil! dit was een liefdedaad,

Bij wat gij aanstonds van mij hooren zult.

Haar twee zoons waren Bassianus' moord'naars;

Zij kapten uwer zuster tong en handen,

Zij schonden haar en tooiden haar zoo op.

LUCIUS. Onzaal'ge schurk! noemt gij dat opgetooid?

AARON. 't Was wasschen, kappen, tooien dus, en 't was

Een tooipret voor de twee, die 't stuk volvoerden.

LUCIUS. Beestachtig ruwe schurken, als gijzelf!

AARON. Nu ja, ik was de meester, die hen leerde.

Hun geilheid was een gave van hun moeder,

Zoo zeker, als de hoogste kaart in 't spel;

Hun lust in bloed, ja, leerden zij van mij,

Zoo zeker als een bloedhond weet te pakken.

Nu, geev' mijn doen getuig'nis van mijn waarde.

Ik lokte uw broeders naar 't bedrieglijk hol,

Waarin het lijk van Bassianus lag;

Ik schreef den brief, dien toen uw vader vond;

Verborg, met Tamora en haar twee zoons

Verbonden, 't goud, dat in den brief vermeld was.

Ja, was er iets, dat gij bejamm'ren moet,

Waar ik de hand niet in had, u tot onheil?

'k Heb door bedrog uws vaders hand erlangd,

En toen ik die eens had, ging ik ter zij,

En kreeg een lachbui, dat mij 't hart schier berstte.

Ik tuurde door een muurspleet, toen hij voor

Zijn hand de hoofden kreeg van zijn twee zoons;

Ik zag zijn smart en moest zoo hartlijk lachen,

Dat mìjn oog even nat was als het zijn;

En toen ik Tamora de grap beschreef,

Viel zij van louter pret bijna in zwijm,

En gaf mij voor 't verhaal wel twintig kussen.

EERSTE GOTH. Kunt gij dit alles zeggen zonder blozen?

AARON. Ja, als een zwarte hond, naar 't spreekwoord zegt.

LUCIUS. En doen die gruweldaden u geen leed?

AARON. Ja, dat ik er niet duizend meer bedreef.

Zelfs nu vloek ik den dag,--maar toch ik meen,

Niet vele zijn er door mijn vloek te treffen,--

Waarop ik geen opmerk'lijk kwaad bedreef;

Geen man versloeg of niet zijn dood beraamde;

Geen maagd verkrachtte of 't plan er niet toe smeedde;

Geen eerlijk man betichtte en meineed zwoer;

Geen haat ten doode bij twee vrienden zaaide;

Het vee van armen niet den nek liet breken,

In schuur en schelf bij nacht den brand niet stak,

En de' eig'naars toeriep: "Bluscht hem met uw tranen!"

Vaak groef ik dooden uit hunne graven op,

En zette ze aan de deuren van hun vrienden

Rechtop, juist als het leed schier was vergeten,

En sneed, gelijk in boomschors, in hun huid

Dan in Romeinsche letters met mijn dolk:

"Uw droef'nis sterve niet, al ben ik dood."

O meer dan duizend gruweldaden deed ik,

Zoo lucht van hart als iemand vliegen doodt;

En niets doet mij zoo innig leed, dan dat

Ik niet er nog tien duizend meer kan doen.

LUCIUS. Omlaag weer met dien duivel, want hem wacht

Een erger dood; het hangen is te zacht.

AARON. 'k Wilde, als er duivels zijn, een duivel wezen,

En leven, branden in 't onbluschlijk vuur,

Had ik slechts uw gezelschap in de hel

Om u te mart'len met mijn bitt're tong.

LUCIUS. Stopt hem den mond en laat hem niet meer spreken.

(Een Goth komt op.)

GOTH. Daar is een afgezant uit Rome, heer;

Hij wenscht bij u te worden toegelaten.

LUCIUS. Hij trede voor ons.

(Æmilius komt op.)

Welkom, Æmilius, wat is 't nieuws uit Rome?

ÆMILIUS. U, Lucius, en u, oversten der Gothen,

Groet de Romeinsche keizer door mijn mond;

Hij, hoorend, dat gij in de wapens staat,

Vraagt in uws vaders huis een mondgesprek;

En zoo gij vordert, dat hij gijz'laars stelt,

Dan worden zij terstond u toegezonden.

EERSTE GOTH. Wat zegt ons legerhoofd?

LUCIUS. Æmilius, zoo de keizer aan mijn vader

En mijn oom Marcus goede borgen zendt,

Dan komen wij.--Trekt voort!

(Allen af.)

Titus Andronicus(#23676) · 第 24 / 32 题