DERDE TOONEEL.

Aldaar. Een openbaar plein.

Titus komt op, pijlen dragend met brieven aan de spitsen; verder

Marcus en zijn zoon Publius, de jonge Lucius en andere Edellieden,

met bogen.

TITUS. Kom, Marcus, kom.--Hier, neven, komt hierheen.

Nu, knaap, laat thans eens kijken, hoe gij schiet;

Trek stevig aan, dan treft de pijl haar doel.

Terras Astraea reliquit:

Ja, Marcus, denk: ze is weg, zij is gevloden.

Gij, heeren, neemt uw werktuig. Neven, gij,

Doorzoekt den oceaan en werpt uw netten,

Of gij in zee haar vangt, hoewel--daar is

Niet meer gerechtigheid dan op het land.--

Neen, Publius en Sempronius, tijgt aan 't werk;

Gij moet gaan zoeken met houweel en spade,

En dringen door der aarde middelpunt;

En komt gij zoo in Pluto's rijk, wilt dan,

Ik bid u, hem dit smeekschrift overreiken;

Zeg, dat het hem om recht en bijstand smeekt

En van den ouden Andronicus komt,

Wien leed diep schokt in dit ondankbaar Rome.--

O Rome!--Ach, Rome, ik maakte u diep rampzalig;

Ja toen, toen ik de stemmen wierf van 't volk

Voor hem, die zulk een woestling is voor mij.--

Gaat, spoedt u, doet met zorg uw plicht, en laat

Geen krijgsschip ondoorzocht; misschien heeft haar

De booze keizer weggescheept, en, neven,

Dan kunnen we om gerechtigheid gaan fluiten.

MARCUS. O Publius, is dit niet overtreurig,

Uw eed'len oom zoo zinneloos te zien?

PUBLIUS. En daarom, heer, is 't onze dure plicht,

Hem dag en nacht zorgvuldig gâ te slaan

En staag zijn luim, zooveel het kan, te vieren,

Tot ons de tijd een heilzaam middel wijst.

MARCUS. Ach neven, voor zijn kommer is geen heeling.

IJlt tot de Gothen, en een krijg ter wrake

Doe Rome voor den snooden ondank boeten,

En straff' den valschen Saturninus streng.

TITUS. Publius, hoe is 't? en heeren, spreekt, hoe is 't?

Spreekt, hebt gij haar gevonden?

PUBLIUS. Neen, oom, doch Pluto laat u zeggen, dat

De hel de Wraak u toezendt, als gij 't wilt,

Maar de Gerechtigheid zooveel te doen heeft,

Hetzij bij Jupiter omhoog, 't zij elders,

Dat gij op haar een poosje wachten moet.

TITUS. Hij krenkt mij, door met uitstel mij te paaien.

'k Wil duiken in den hellepoel omlaag;

'k Haal bij de hielen haar uit de' Acheron.--

Marcus, slechts struiken zijn wij, geene ceders,

Geen forsche mannen van Cyclopenstal;

Maar, Marcus, van metaal, staal door en door;

Toch door meer leed dan torsbaar is, gebogen;

Daar aard noch hel Gerechtigheid nu huisvest,

Zoo smeeken wij ten hemel, dat de goden

Haar nederzenden om ons wee te wreken.

Aan 't werk nu, komt! Gij, Marcus, goede schutter,

(Hij geeft hun de pijlen.)

Ad Jovem, die voor u;--hier ad Apollinem;--

Ad Martem, die voor mij;--

Hier, knaap, aan Pallas;--aan Mercurius deze;

Deze aan Saturnus, vriend,--niet Saturninus,

Want dat waar' zeker schieten in den wind.--

Vlug, knaap;--gij Marcus, schiet, zoodra ik 't zeg.

Nu, op mijn woord, ik schreef niet te vergeefs.

En liet geen enk'len god onaangeroepen.

MARCUS. Schiet, vrienden, al uw pijlen in het hof;

Dat zij den keizer krenken in zijn trots.

TITUS. Nu, vrienden, schiet! (Zij schieten.) O Lucius, goed geraakt!

Knaap, in den schoot der Virgo; dit geldt Pallas.

MARCUS. Ik mik een mijl nu hooger dan de maan;

Uw brief is nu alreeds bij Jupiter.

TITUS. O Publius, zie, wat hebt gij nu gedaan?

Gij schoot daar een van Taurus' horens af.

MARCUS. Zoo was de grap, heer: toen daar Publius schoot,

Stiet de vergramde Stier den ram zoo fel,

Dat 's Rams twee horens vielen in het hof.

Daar vond ze,--wie? de schurk der keizerin;

Zij lachte en zeide tot den Moor, dat hij

Die aan zijn heer moest geven als geschenk.

TITUS. Zoo gaat het goed! God schenk' zijn hoogheid vreugd!

(Een Boer komt op; hij draagt een mand met twee duiven.)

Nieuws! uit den hemel! Marcus, zie, een bode!--

Zoo, knaap, wat meldt gij? brengt gij brieven meê?

Krijg ik mijn recht? Nu, wat zegt Jupiter?

BOER. Wie? mijn buurman, de galgenmaker?

hij zegt, dat hij het dwarshout er afgenomen

heeft, want de man wordt niet voor de volgende

week gehangen.

TITUS. Maar wat zegt Jupiter? vraag ik nog eens.

BOER. Ach, heer, ik ken dien Jupiter niet;

ik heb nooit van mijn leven met hem gedronken.

TITUS. Wat, kerel, komt gij hier niet met een boodschap?

BOER. Ja, met mijn duiven, heer; met anders niets.

TITUS. Wat, komt gij dan niet van den hemel?

BOER. Van den hemel, heer? ach, daar ben

ik nooit geweest. God beware, dat ik het gewaagd

zou hebben, in mijn jonge jaren naar

den hemel te dringen. Neen, ik ga met mijn

duiven naar den Tribunal plebs, om een twist

bij te leggen tusschen mijn oom en een van

's keizers dienaars.

MARCUS. Wel, broeder, dit komt zoo goed,

als het kan, voor het indienen van uw geschrift,

laat hem de duiven uit uw naam aan den keizer brengen.

TITUS. Zeg mij, kunt gij een geschrift met

eenige gratie aan den keizer overreiken?

BOER. Neen, zeker niet, heer, want ik heb

van mijn leven nog geen gratie noodig gehad.

TITUS. Nu knaap, treed nader. Maak maar geen bezwaar,

En geef gerust uw duiven aan den keizer;

Door mij zult gij van hem uw recht verkrijgen.

Hier hebt ge intusschen voor uw moeite geld.--

Geef pen en inkt hier.--Knaap, hoe is 't? Kunt gij

Met gratie nu een smeekschrift overreiken?

BOER. Ja, heer.

TITUS. Dan hebt gij hier een smeekschrift voor

u. En als gij bij hem komt, moet gij beginnen

met voor hem te knielen, dan zijn voet kussen,

dan uw duiven overreiken, en dan op uw loon

wachten. Ik zal in de buurt zijn, man; zorg,

dat gij het er goed afbrengt.

BOER. Daar sta ik voor in, heer, laat mij maar begaan.

TITUS. Knaap, hebt ge een mes? Kom, laat het mij eens zien.--

Hier, Marcus, vouw 't verzoekschrift er om heen;

Gij schreeft het als een need'rig smeekeling;--

En klop, als gij 't den keizer hebt gegeven,

Bij mij eens aan, en meld mij, wat hij zegt.

BOER. Nu, God zij met u, heer; ik zal het doen.

TITUS. Kom, Marcus, laat ons gaan.--Kom, Publius, volg mij.

(Allen af.)

Titus Andronicus(#23676) · 第 21 / 32 题