Aldaar. Een vertrek in het paleis.
Van de eene zijde komen op: Aaron, Demetrius en Chiron; van de
andere zijde de jonge Lucius en een Dienaar, met een bundel wapens
en daarop geschreven verzen.
CHIRON. Demetrius, daar is de zoon van Lucius;
Hij komt een boodschap aan ons overbrengen.
AARON. Een dolle boodschap van dien dollen oude!
JONGE LUCIUS. Met allen mogelijken deemoed, heeren,
Breng ik u Andronicus' heuschen groet:--
(Ter zijde.) En bid, dat Rome's goden u verderven.
DEMETRIUS. Dank, goede Lucius, wat hebt gij voor nieuws?
JONGE LUCIUS (ter zijde). Het nieuws is, dat gij beiden zijt
ontmaskerd
Als schurken en verkrachters.--(Luid.) Het behage u:
Grootvader zendt na rijp beraad door mij
De beste klingen uit zijn wapenzaal
U hier, als hulde aan uw hoogeed'le jeugd,
De hoop van Rome; dit toch moet ik zeggen,
En doe dit thans, en bied u, eed'le heeren,
Zijn gaven aan, opdat gij steeds, zoodra
Gij dit behoeft, voortreff'lijk zijt gewapend;
'k Zeg u vaarwel, (Ter zijde.) als bloedig schurkenpaar.
(De jonge Lucius en zijn Dienaar af.)
DEMETRIUS. Wat zit daar om? een reep rapier, beschreven?
Laat zien.
"Integer vitæ, scelerisque purus,
Non eget Mauri jaculis, nec arcu".
CHIRON. Een vers is 't uit Horatius, ik ken het;
Ik las het in mijn spraakkunst, lang geleên.
AARON. Een vers is 't uit Horatius, ja juist.
(Ter zijde). Wat zijn er toch voor ezels in de wereld!
Dit is geen scherts; de grijsaard heeft hun schuld
Ontdekt en zendt hun wapens nu, met regels,
Die, zonder dat zij 't merken, diep verwonden;
Doch waar' de schrand're keizerin nu wèl,
Zij juichte 't plan van Andronicus toe;
Doch laten wij haar onrust nu in rust.
(Luid.) Was 't, jonge vrienden, niet een goed gesternte,
Dat ons naar Rome voerde, als vreemden, ja,
Als krijgsgevang'nen, en ons zoo verhoogde?
Het deed mij goed, voor 't slot hier den tribuun,
En in zijns broeders bijzijn, fier te trotsen.
DEMETRIUS. Mij nog meer goed, dat zulk een machtig heer
Zoo laf ons vleit, ons zulke giften zendt.
AARON. Nu, had hij, prins Demetrius, geen reden?
Hebt gij zijn dochter niet recht lief behandeld?
DEMETRIUS. O hadden wij van Rome een duizend schoonen
In zulk een val, om onzen lust te boeten!
CHIRON. Een vrome, liefdevolle wensch voorwaar!
AARON. Ware uwe moeder hier, zij sprak het Amen.
CHIRON. Dan deed zij 't wis voor twintig duizend meer.
DEMETRIUS. Kom, gaan wij, bidden wij tot alle goden,
Dat ze onze moeder bijstaan in haar nood.
AARON (ter zijde). Roept duivels aan; de goden haten ons.
(Trompetgeschal.)
DEMETRIUS. Wat blazen de trompetten daar des keizers?
CHIRON. Waarschijnlijk heeft de keizer thans een zoon.
DEMETRIUS. Stil, wie komt daar?
(Een Voedster komt op met een Moorenkind.)
VOEDSTER. Gegroet, gij prinsen! 'k bid u, mij te zeggen,
Waar Aaron is, de Moor, doch ras!
AARON. Komaan, wat is 't, wat roept gij moord en brand?
Aaron is hier; wat wilt gij nu van Aaron?
VOEDSTER. Ach, Aaronlief! verloren zijn wij allen!
Help ons, of wee op wee dale op uw hoofd!
AARON. Welnu, wat mauwt en schreeuwt gij zoo? wat houdt gij
Daar zoo omhuld, verborgen in uw armen?
VOEDSTER. Wat ik voor 's hemels oogen liefst verborg;
De schande der vorstin, de smaad van Rome.--
Zij is verlost, mijn heeren, ze is verlost.
AARON. Van wat?
VOEDSTER. Zij kwam in 't kinderbed, bedoel ik.
AARON. God geev' haar zoete rust! Wat zond Hij haar?
VOEDSTER. Een duivel.
AARON. Nu, dan is zij 's duivels moêr; Een vroolijk
wicht!
VOEDSTER. Een vreugd'loos, aak'lig, zwart en droevig wicht.
Hier is het kind, zoo leelijk als een pad
Te midden van de blanken van ons land;
De moeder zendt het u, uw beeld en zegel,
En wil, dat gij het met uw dolkspits doopt.
AARON. Foei, slet! is zwart een zoo gehate kleur?--
Zoet bekje', een lieflijk bloempje zijt gij, ja.
DEMETRIUS. Schurk, wat hebt gij gedaan?
AARON. Wat gij niet ongedaan maakt.
CHIRON. Smaad deedt gij onze moeder aan.
AARON. Vreugd deed ik uwe moeder aan.
DEMETRIUS. En daardoor, helsche hond, deedt gij haar smaad aan.
Wee 't booze lot! vervloekt haar zwarte keus!
Vervloekt de spruit van zulk een boozen duivel!
CHIRON. 't Wicht zal niet leven.
AARON. Sterven zal het niet.
VOEDSTER. 't Moet sterven, Aaron; zoo beveelt de moeder.
AARON. Wat! moet het, voedster? dan zij ik 't alleen,
Die beulsplicht oefen aan mijn vleesch en bloed.
DEMETRIUS. Ik rijg de donderpad aan mijn rapier;
Hier, voedster, geef; mijn zwaard maakt fluks het af.
AARON. Eer tornt dit zwaard uw ingewanden op.
(Hij neemt aan de Voedster het kind af en trekt zijn zwaard.)
Stil, moordgeboefte, wilt ge uw broeder dooden?
Nu, bij des hemels kaarsen, die zoo helder
Licht gaven bij 't verwekken van dit jongsken,--
Wie hem, mijn oudsten zoon en erfgenaam,
Aanroert, sterft op mijn scherpe degenspits.
Ik zeg u, knapen, niet Enceladus,
Met heel zijn felle Typhonsbroedsel-bende,
Noch groote Alcides, noch de god des krijgs,
Rukt uit zijns vaders handen hem als prooi.
Wat, wat! gij roodgetinte, laffe knapen,
Gij witte wanden, bierhuisuithangteekens!
Koolzwart is beter dan elke and're kleur,
Omdat het weigert and're kleur te dragen;
Want al het water van de zee kan nimmer
Den zwarten voet des zwaans in wit verand'ren,
Al wascht hij uur op uur dien in den stroom.
Zeg aan de keizerin, 'k ben mans genoeg
Om 't mijne te behoeden; dit gedoog' zij.
DEMETRIUS. Verraadt gij zoo uw eed'le meesteres?
AARON. Zij is mijn meesteresse, dit ikzelf;
De kracht is 't en de beelt'nis mijner jeugd;
Dit schat ik hooger dan de gansche wereld;
Kwam ook de wereld in verzet, dit hoede ik,
Of veler bloed in Rome dampt er voor.
DEMETRIUS. Dit werpt op onze moeder eeuw'gen smaad.
CHIRON. Haar booze misstap maakt haar Rome's afschuw.
VOEDSTER. In woede doemt de keizer haar ter dood.
CHIRON. Ik bloos, wanneer ik aan haar schande denk.
AARON. Nu ja, dit is het voorrecht uwer schoonheid;
't Is een verraderskleur, die,--foei!--door blozen
Des harten roersels, ieder plan onthult;
Dit is een jonge knaap van ander uitzicht;
Zie, hoe de zwarte schelm zijn vader toelacht,
Als was zijn zeggen: "Vader, ik ben de uwe."
Hij is uw broeder, prinsen; blijkbaar voedde
Hem 't eigen bloed, dat u het leven schonk;
En uit dien schoot, die u in hechtnis hield,
Werd hij bevrijd en aan het licht gebracht;
Uw broeder is hij van den zeek'ren kant,
Ofschoon zijn aangezicht mijn stempel draag'.
VOEDSTER. Aaron, wat meld ik aan de keizerin?
DEMETRIUS. Schaf, Aaron, raad, wat er gedaan moet worden;
Wij geven allen aan uw raad gehoor;
Beveilig 't wicht, als wij slechts veilig zijn.
AARON. Nu, zetten wij ons dan, om raad te plegen.
Mijn zoon en ik slaan nauwgezet u ga;
Blijf daar, en spreek naar lust van veiligheid.
(Zij gaan zitten.)
DEMETRIUS. Hoevele vrouwen zagen dit zijn kind?
AARON. Ja, goed, mijn prinsen; zoo wij ons verbinden,
Ben ik een lam; maar--poog den Moor te trotsen,
En Aaron stormt, meer dan de woedende ever,
Dan de leeuwin der bergen, de oceaan.--
Maar spreek, hoe velen hebben 't kind gezien?
VOEDSTER. Cornelia slechts, de vroedvrouw, en ikzelf,
En ook de keizerin, maar niemand meer.
AARON. De keizerin, de vroedvrouw en gijzelf;
Twee zwijgen wel, wanneer de derde ontbreekt.
Ga naar de keizerin; ziehier uw boodschap;
(Hij doorsteekt de Voedster.)
Quèk, quèk!--zoo schreeuwt een big, voor 't spit gekeeld.
DEMETRIUS. Wat wilt gij, Aaron? waarom deedt gij dit?
AARON. Wel man, voorzichtigheid gebood die daad.
Wat! zou zij leven, deze schuld verraden?
Dat praatziek, dat langtongig wijf? Neen, neen!
En nu zult gij geheel mijn plan vernemen.
Hier dicht bij woont mijn landsman Muliteus,
Wiens vrouw de voor'ge nacht bevallen is;
Het kind gelijkt op haar, is blank als gij;
Gaat, praat met haar en geeft de moeder goud;
Vertelt dat paar 't beloop der gansche zaak,
En hoe hierdoor hun kind verhoogd zal worden
En als des keizers erfgenaam erkend,
En voor dit wicht van mij in plaats gesteld,
Om dezen storm ten hove te bezweren;
Dat wiege dan de keizer als zijn zoon.
Hoort nog, gij ziet, ik gaf haar artsenij.
(Op de Voedster wijzende.)
En nu moet gij voor de begraaf'nis zorgen;
't Veld is nabij en gij zijt forsche knapen.
Is dit gedaan, zorg dan niet lang te dralen,
Maar zend terstond de vroedvrouw naar mij toe.
Is, als de min, de vroedvrouw uit den weg,
Dan mogen vrouwen praten wat zij willen.
CHIRON. 'k Zie, Aaron, aan de lucht zelfs niet vertrouwt gij
Geheimen toe.
DEMETRIUS. Om deze zorg voor haar
Zijn Tamora en wij u zeer verplicht.
(Demetrius en Chiron af, het lijk der Voedster medesleepend.)
AARON. Nu naar de Gothen met een zwaluwvlucht,
Om daar den schat, dien ik hier houd, te bergen,
En stil de vrienden der vorstin te groeten.--
Kom hier, diklippig wicht, ik breng u weg;
Want gij doet al die vonden ons bedenken.
Van beziën en van wortels zult gij leven,
Van melk en wrongel, zuigen van een geit
En wonen in een grot; ik voed u op
Tot krijgsman en gebieder van een leger.
(Aaron af, met het Kind.)