VIERDE TOONEEL.

Aldaar. Voor het Paleis.

Saturninus, Tamora, Demetrius, Chiron, Edellieden en Anderen komen

op, Saturninus met de pijlen in de hand, door Titus afgeschoten.

SATURNINUS. Hoe vindt gij zulk een krenking? wie zag ooit

In Rome een keizer zoo met overmoed

En trots bejegend en om onpartijdig

Rechtoef'nen op zoo grove wijs gehoond?

Gij, heeren, weet, gelijk de groote goden,

Dat,--wat ook vredestoorders mogen blazen

In 't oor des volks,--er met de drieste zoons

Van de' ouden Andronicus niets geschiedde,

Dan volgens wet en recht. En schoon nu ook

Zijn kommer zijn verstand hebbe overweldigd,

Is 't wel te dulden, dat zijn bitterheid,

Zijn wrok, zijn dolle waan ons zoo bedreigen?

Hij schrijft den hemel thans, dat die hem wreke;

Ziet, dit aan Jupiter, dit aan Mercurius,

Dit aan Apollo, dit aan de' oorlogsgod;

Fraai nieuws, om Rome's straten rond te fladd'ren!

Wat noemt gij dit, dan den senaat belast'ren,

Uitschreeuwen, dat wij onrechtvaardig zijn?

Een fraaie grap, vindt gij het ook niet, heeren?

Alsof men zeide, er is geen recht in Rome.

Doch zijn geveinsde waanzin zal voorwaar,

Leef ik, geen schuts hem zijn bij zulk een hoon.

Hij met zijn stam zal weten, dat het recht

Bij Saturninus leeft; en, mocht het slapen,

Hij zal 't zoo wekken, dat het, fel vergramd,

Den fiersten samenzweerder vellen zal.

TAMORA. Genadig vorst, geliefde Saturninus,

Mijns levens heer, gebieder van mijn geest,

Wees kalm, verdraag des ouden Titus' zonden,

Gevolg der droef'nis om zijn dapp're zoons,

Die hem in 't merg drong en zijn hart doorboorde;

Tracht liever hem zijn jammer te verzachten,

Dan dat gij hoog of laag voor dezen hoon

Vervolgt en straft.--(Ter zijde.) Zie, dit past Tamora,

Zich sluw bij iedereen schoon voor te doen;

Maar Titus, 'k heb in 't leven u geraakt

En tapte uws harten bloed.--Is Aaron wijs,

Dan zijn wij veilig, ank'ren in de haven.--

(De Boer komt op.)

Wel, goede vriend, verlangt gij iets van ons?

BOER. Ja, dat doe ik, zoo uwe edelheid keizerlijk is.

TAMORA. Ik ben de keizerin, daar zit de keizer.

BOER. Hij is het.--God en Sint Steven

mogen u een goeden avond geven. Ik heb u

hier een brief en een koppel duiven gebracht.

(Saturninus leest den brief.)

SATURNINUS. Gaat, neemt hem, hangt hem op, dit zij zijn loon.

BOER. Hoeveel geld krijg ik wel?

TAMORA. Loop, knaap; gij moet gehangen worden.

BOER. Gehangen! Bij onze lieve Vrouw, dan

heb ik een hals mooi aan zijn end gebracht!

(Hij wordt door een Wacht weggevoerd.)

SATURNINUS. 't Is schand'lijk, onverdraag'lijk, al die hoon!

Zou ik die monsterschurkerij verdragen?

Ik weet, aan wien ik dit te danken heb.

Onduldbaar is 't!--Alsof zijn schelmsche zoons,

Door 't recht gevonnisd om den moord mijns broeders,

Door mij geslacht zijn, tegen wet en recht!--

Gaat, sleept den booswicht bij de haren hier;

Geen roem noch leeftijd geev' hem eenig voorrecht

Voor dezen trotschen hoon doe ik u slachten;

Sluw-dolle schurk, gij hielpt mij aan de kroon,

Maar hopend over Rome en mij te heerschen.

(Æmilius komt op.)

Wat nieuws brengt gij, Æmilius?

ÆMILIUS. Te wapen, heer! Nooit drong de nood zoozeer.

De Gothen zijn vereend, en met een macht

Van koene krijgers, fel belust op buit,

Naar Rome op marsch, nabij reeds; aan hun hoofd

Staat Lucius, zoon van de' ouden Andronicus;

Hij dreigt, in zijne wraak niet minder ver

Te willen gaan dan eens Coriolanus.

SATURNINUS. De dapp're Lucius veldheer van de Gothen?

Die tijding knakt mij; als bevroren bloemen,

Of gras, door storm geslagen, buig ik 't hoofd.

Ja, thans begint mijn kwade tijd te naad'ren.

Hij is het, dien het volk zoozeer bemint;

Meermalen heb ik, als ik onbekend

De stad doorkruiste, zelf hen hooren zeggen,

Dat Lucius' ballingschap een onrecht was,

En dat zij Lucius zich als keizer wenschten.

TAMORA. Waarom beangst? is onze stad niet sterk?

SATURNINUS. Ja, maar de burgers achten Lucius hoog,

En vallen mij wis af, om hèm te helpen.

TAMORA. Wees keizer, heer, in denken als in naam.

Taant ooit de zon, wijl muggen in haar dansen?

Zie, de aad'laar laat de kleine vogels zingen,

En wat zij er mee meenen, deert hem niet;

Hij weet, dat reeds de schaduw van zijn wieken,

Zoodra hij 't wil, hun zang verstommen doet;

Dit doet ook gij het wuft Romeinsche volk.

Wees dus vol moed; want weet, mijn keizer: ik

Betoover u den ouden Andronicus

Met woorden, zoeter, doch gevaarlijker,

Dan aas voor visschen, klaver is voor schapen,

Schoon gene door den hoek verwond en deze

Een rotkwaal krijgen van het zoete voêr.

SATURNINUS. Doch nimmer smeekt hij tot zijn zoon voor ons.

TAMORA. Hij doet het wel, als Tamora 't hem smeekt;

Zijn oud oor kan ik vleiend zoo met gulden

Beloften vullen, dat, ware ook zijn hart

Schier onbestormbaar en zijn oor stokdoof,

Mijn tong zijn oor en hart zou overmeest'ren.--

(Tot Æmilius). Ga gij vooruit en wees onze afgezant;

Zeg, dat de keizer met den dapp'ren Lucius

Een onderhoud verlangt, en wensch als plaats

Het huis zijns vaders, de' ouden Andronicus.

SATURNINUS. Æmilius, breng die boodschap waardig over;

Dringt hij ter veiligheid op gijz'laars aan,

Dan zegg' hijzelf, welk onderpand hij wenscht.

ÆMILIUS. Ik zal met alle zorg uw last volbrengen.

(Æmilius af.)

TAMORA. Nu spoed ik mij naar de' ouden Andronicus,

En tracht met al mijn kunst hem zoo te stemmen,

Dat hij van 't Gothenleger Lucius scheide.

En nu, mijn keizer, wees weer welgemoed;

Begraaf in mijne listen al uw angsten.

SATURNINUS. Zoo ga met goed gevolg en spreek hem toe.

(Allen af.)

Titus Andronicus(#23676) · 第 22 / 32 题