Rome. De tuin van Titus' huis.
Titus en Marcus komen op, daarna de jonge Lucius, gevolgd door
LAVINIA.
JONGE LUCIUS. Grootvader, help! mijn moei Lavinia volgt
Mij overal en waarom weet ik niet.--
Oom Marcus, zie! o zie, hoe snel zij komt!--
Ach, lieve moei, ik weet niet wat gij meent.
MARCUS. Kom, Lucius, blijf! wees voor uw moei niet bang.
TITUS. Zij heeft u, knaap, te lief, om u te deren.
JONGE LUCIUS. Toen vader nog in Rome was, ja zeker.
MARCUS. Wat wil Lavinia toch met die gebaren?
TITUS. Ducht, Lucius, niets; zij heeft een doel hiermeê.
Zie, Lucius, zie, hoe zij op u gesteld is;
Zij wil, dat ge ergens met haar medegaat.
O knaap, Cornelia las niet vlijtiger
Haar zonen voor, dan zij met u gedichten
En Cicero's Orator heeft gelezen.
MARCUS. Kunt gij niet gissen, wat zij van u wil?
JONGE LUCIUS. Voorwaar, ik weet het niet en kan 't niet gissen,
Tenzij een vlaag van waanzin haar beving;
Want overmaat van smart,--dit zeide mij
Grootvader,--kan een mensch waanzinnig maken;
En 'k las ook wel, dat Hecuba van Troje
Van kommer dol werd, en dit bracht mij angst,
Hoewel ik weet, oom, dat mijn eed'le moei
Mij even lief heeft als mijn moeder ooit,
En nimmer, dan in woede, zou doen schrikken.
In de' angst wierp ik mijn boeken weg, en vlood,
Recht dwaas misschien.--Vergeef mij, lieve moei;
'k Beloof u, zoo oom Marcus met mij gaat,
Ben ik geheel en gaarne tot uw dienst.
MARCUS. Goed, Lucius, 'k wil wel.
(Lavinia slaat de boeken om, die Lucius liet vallen.)
TITUS. Hoe is 't, Lavinia?--Marcus, spreek, wat wil zij?
Er moet een boek zijn, dat zij wenscht te zien.--
Is 't een van deze, kind?--Doe ze open, knaap.--
Maar gij zijt meer belezen, hebt meer oef'ning;
Dus, doe een keus uit heel mijn boekerij,
En leid uw kommer af, totdat de hemel
Den gruwb'ren euveldader openbaart.--
Welk boek?--
Wat heft zij bij herhaling de armen op?
MARCUS. Ik denk, zij meent, dat aan de wandaad meerd'ren
Meêplichtig waren;--ja zeker, meerd'ren waren 't;--
Of wel, zij heft ze hemelwaarts om wraak.
TITUS. Welk boek is 't, Lucius, dat zij daar zoo aanstoot?
JONGE LUCIUS. Ovidius is 't, het boek Metamorphosen,
Dat mij mijn moeder schonk.
MARCUS. Uit de andre zoekt zij
Dit moog'lijk uit, ter liefde van de doode.
TITUS. Stil, zie, wat bladert zij er haastig in!
Help haar!--Wat zoekt gij?--Moet ik 't lezen, kind?--
Dit is 't verhaal van Philomela's jammer,
Van Tereus' boos verraad en vrouweschennis;
In schennis, vrees ik, wortelt uw ellend'.
MARCUS. Zie, broeder, zie, hoe ze op die bladen tuurt!
TITUS. Lavinia, heeft men u zoo overvallen,
Geschonden en gekrenkt als Philomela,
In 't onbarmhartig, groot en donker woud?--
Zie, zie!--
Ja, waar wij jaagden, was er zulk een plaats,--
O hadden wij er nooit, er nooit gejaagd!--
Geheel als die de dichter hier beschrijft,
Voor moord en schennis door natuur geschapen.
MARCUS. Hoe kan natuur zoo booze krochten scheppen,
Zoo gruw'len niet voor goden streelend zijn?
TITUS. Wijs aan, lief kind, want hier zijn niets dan vrienden,
Meld, welk Romein die daad bedrijven dorst;
Sloop Saturninus weg, zooals Tarquinius,
Ter schennis van Lucretia, 't kamp verliet?
MARCUS. Zit naast mij, lieve nicht, en gij ook, broeder.--
Apollo, Pallas, Jupiter, Mercurius,
Beziel mij, dat ik 't wanbedrijf ontdekk'!--
Zie hier, mijn broeder;--zie, Lavinia, zie;
De zandplek hier is vlak en effen; kunt gij,
Zoo doe dit na.
(Hij schrijft zijn naam in het zand met zijn stok, dien hij met den
mond vasthoudt en met de voeten geleidt.)
Zoo heb ik hier mijn naam
Geschreven zonder een'ge hulp der handen.
Gevloekt zij hij, die tot den vond ons dwong!--
Schrijf gij nu, lieve nicht; onthul ons eind'lijk,
Wat God ter wrake wis onthuld wil zien.
De hemel leide uw pen tot duidelijk schrift,
Opdat wij 't schelmstuk en de daders kennen.
(Lavinia neemt den stok in haar mond, geleidt hem met haar stompen,
en schrijft.)
TITUS. O lees, mijn broeder, lees, wat zij daar schreef!
"Stuprum--Chiron--Demetrius".
MARCUS. Wat, wat!--de wulpsche zoons van Tamora
Bedrijvers van dit snood en bloedig doen?
TITUS. Magni dominator poli,
Tam lentus audis scelera? tam lentus vides?
MARCUS. O kalm, mijn vriend, blijf kalm, al weet ook ik,
Dat hier op de aard genoeg geschreven staat
Om 't zachtst gemoed tot oproer aan te prikk'len,
En kind'ren luide kreten te doen slaken.
Kniel neder, vriend, met mij; Lavinia, kniel;
En knaap, kniel ook, gij hoop van Rome's Hector;
En zweert met mij,--zooals met de' armen gade
En vader der onteerde kuische vrouw
Eens na Lucretia's schennis Brutus zwoer,--
Dat wij een dood'lijke, overlegde wraak
Op deze snoode Gothen nemen zullen,
Hun bloed zien,--of zelf sterven, laf, onteerd.
TITUS. 't Waar' zeker, ja, wist gij te zeggen, hoe;--
Pas op, als gij die berenwelpen jaagt;
Want de oude ontwaakt, als zij uw naad'ring ruikt;
Ze is eng verbonden met den leeuw en maakt
Hem spelend, liggend op den rug, in slaap;
En als hij slaapt, dan doet zij wat zij wil.
Laat af, gij zijt een jonge jager, Marcus;
En kom, ik wil een koop'ren blad gaan halen,
Met stalen stift die woorden er op griff'len,
En 't zoo bewaren. Noorderstorm verwaait
Dit zand ras, als de bladen der Sibylle,
En waar is dan 't vermaan?--Knaap, wat zegt gij?
JONGE LUCIUS. Ik zeg, dat, zoo ik man was, hunner moeder
Slaapkamer wis geen vrijplaats wezen zou
Voor deze aan Rome's juk ontglipte schurken.
MARCUS. Mijn jongen is hij! Knaap, uw vader heeft
Voor zijn ondankbaar land aldus gekampt.
JONGE LUCIUS. Nu, oom, zoo doe ik, blijf ik leven, ook.
TITUS. Kom met mij in mijn wapenzaal, daar rust ik
U, Lucius, kostlijk toe, want gij, mijn knaap,
Moet fluks aan beide zoons der keizerin
Geschenken brengen, die ik zenden wil.
Kom! vlug! Niet waar, gij wilt die boodschap brengen?
JONGE LUCIUS. Grootvader, ja, mijn dolk in hunne borst.
TITUS. Neen, knaap, niet zoo; ik leer u anders doen.
Lavinia, kom!--Marcus, let op mijn huis;
Lucius en ik, wij gaan ten hove pralen;
Wij willen 't, ja, en hulde brengt men ons.
(Titus, Lavinia en de jonge Lucius af.)
MARCUS. O Hemel! kunt ge een brave hooren jamm'ren,
En geen erbarmen toonen met zijn lot?
Marcus, let bij zijn waanzin goed op hem,
Wiens hart meer wonden heeft van bitter leed,
Dan zijn gebutste beuk'laar vijandsmerken;
En toch zoo vroom, dat hij geen wraak wil nemen!--
Neemt, heem'len, gij voor Andronicus wraak!
(Marcus af.)