LAVINIA. O Tamora, 't gelaat hebt ge eener vrouw,--

TAMORA. 'k Wil haar niet hooren spreken; weg met haar!

LAVINIA. Smeekt, lieve prinsen, haar, één woord te hooren!

DEMETRIUS. Hoor haar, vorstin; het zij uw roem, haar tranen

Te aanschouwen; doch voor deze zij uw hart,

Wat harde keien zijn voor regendroppels.

LAVINIA (tot Demetrius). Gaf ooit een tijgerwelp zijn moeder les?

Leer haar niet boos te zijn, zij leerde 't u;

De melk, waarmee ze u zoogde, werd tot marmer;

Aan haren tepel dronkt ge uw wreedheid reeds.

Maar alle moederzoons zijn niet gelijk;

(Tot Chiron.) Smeek gij haar, deernis met een vrouw te toonen.

CHIRON. Wat! wilt gij, dat ik mij een basterd toon?

LAVINIA. 't Is waar, geen raaf broedt ooit een leeuwrik uit;

Maar toch, ik hoorde,--o vond ik 't nu gestaafd!--

Hoe zelfs de leeuw uit deernis heeft geduld,

Dat men zijn koningsklauwen kortte en wegnam.

Ook raven, zegt men, voed'ren vondelingen,

Al hong'ren dan hun jongen in het nest;

O wees voor mij, al zegge uw hard hart neen,

Zoo al niet vriendlijk, toch niet deernisloos.

TAMORA. 'k Weet niet, wat deernis is; thans weg met haar!

LAVINIA. Laat mij 't u leeren. Om mijns vaders wil,

Die u liet leven, toen hij u kon dooden,

Wees thans niet doof, maar leen mijn beden 't oor.

TAMORA. Al hadt gij in persoon mij nooit gekrenkt,

Om zijnentwille ben ik deernisloos.

Denkt, knapen, hoe 'k vergeefs mijn tranen plengde,

Opdat uw broeder niet geofferd wierd;

Maar Andronicus bleef toen onbewogen.

Dies weg met haar, en doet met haar uw wil;

Wie 't meest haar deert, zal mij het liefste zijn.

LAVINIA. O Tamora, verwerf den naam van goed,

En geef mij hier den dood met uwe hand.

Om 't leven heb ik niet zoo lang gesmeekt,

Ik arme stierf, toen Bassianus viel.

TAMORA. En waarom smeekt gij dan? dwaas schepsel, laat mij.

LAVINIA. Ik smeek een onverwijlden dood, en ook

Nog iets, dat schaamte mij belet te noemen.

O hoed mij voor hun lust, die meer dan dood

Mij dreigt, en werp mij in een vuilen poel,

Waar nimmer menschenoog mijn lijk aanschouwe;

Doe dit en wees een zachte moordnares.

TAMORA. Dan roofde ik aan mijn lieve zoons hun loon;

Neen, dat zij vrij hun lusten met u boeten.

DEMETRIUS. Kom, weg! gij hieldt ons veel te lang hier op.

LAVINIA. Geen hart? geen vrouwlijkheid? Beestachtig wezen!

Gij vlek en vijandin van ons geslacht!

Moge u 't verderf--

CHIRON. Thans stop ik u den mond.--Neem gij haar man;

In dien kuil zeide ons Aaron hem te bergen.

(Demetrius werpt het lijk van Bassianus in den kuil; daarop gaan

Demetrius en Chiron heen, Lavinia medesleurend.)

TAMORA. Vaartwel, mijn zoons; weest zeker, dat zij zwijgt.--

Geen echte vroolijkheid verheugt mijn hart,

Eer al die Andronici zijn verdelgd.

Thans, lieve Moor, kan ik tot u mij wenden,

En laat mijn zoons die deerne lustig schenden.

(Tamora af.)

(Aaron komt weder op, met Quintus en Marcius.)

AARON. Treedt, heeren, voort, den besten voet vooruit!

Terstond wijs ik den vuilen kuil u aan,

Waar ik den panter zag in diepen slaap.

QUINTUS. Mijn oog wordt plotsling dof; wat duidt dit aan?

MARCIUS. Voorwaar, ook 't mijne. Zoo ik mij niet schaamde,

'k Verliet de jacht en zou een slaapje doen.

(Hij valt in den kuil.)

QUINTUS. Wat! vielt gij daar?--Wat valsche kuil is dit,

Zoo overgroeid met wilde dorenstruiken?

En op hun blaad'ren droppels bloed, zoo frisch,

Als morgendauw, die bloemen overparelt?

Dit schijnt mij inderdaad een onheilsplek.

Spreek, broeder, zijt gij bij uw val verwond?

MARCIUS. Ach, broeder, ja, door 't zien van iets zoo gruwlijks,

Als ooit het oog door 't hart bejamm'ren deed.

AARON (ter zijde). Nu zorg ik, dat de koning hen hier vindt,

Opdat hij met waarschijnlijkheid vermoede,

Dat zij het waren, die zijn broeder doodden.

(Aaron af.)

MARCIUS. Wat draalt gij met vertroostend mij te helpen

Uit dit vervloekt, met bloed bezoedeld hol?

QUINTUS. Een vreemde schrik beving mij; 't kille zweet

Loopt tapp'lings langs mijn rillende gewrichten;

Mijn hart vermoedt meer dan mijn oog kan zien.

MARCIUS. Uw voorgevoel is juist; wilt gij dit zien,

Zoo blik met Aaron in dit hol eens neer,

En zie een gruw'lijk beeld van bloed en dood.

QUINTUS. Aaron is weg en mijn bewogen hart

Vergunt mijn oogen niet om dat te zien,

Waarvan 't vermoeden reeds mij rillen doet.

O zeg mij, wat het is; want nooit voor nu

Was ik een kind en vreesde 'k weet niet wat.

MARCIUS. Prins Bassianus, in zijn bloed gewenteld,

Ligt als een klomp, als een verslagen lam,

In dit vervloekt en donker, bloedig hol.

QUINTUS. Is 't donker daar, hoe weet gij, dat hij 't is?

MARCIUS. Aan zijn bebloeden vinger steekt een ring

Met kostb'ren steen, die heel het hol verlicht,

En, als een fakkel in een grafgewelf,

Des dooden vale wangen hel beschijnt,

En 't bloedig ingewand der grot onthult;

Zoo bleek scheen eens op Pyramus de maan,

Toen hij bij nacht in 't bloed der maagd gebaad lag.

O broeder, help mij met uw zwakke hand,--

Want licht heeft angst, als mij, ù zwak gemaakt--

Uit dit verslindend, vratig lijkenhuis,

Zoo schrikk'lijk als Cocytus' duist'ren mond.

QUINTUS. Reik mij uw hand, dan help ik u er uit;

En schiet mijn kracht te kort om u te helpen,

Dan storte ook ik in den begeer'gen schoot

Van 't diepe hol, het graf van de' armen prins.--

Ik heb geen kracht om u tot hier te trekken.

MARCIUS. En ik niet, om alleen omhoog te klaut'ren.

QUINTUS. Nog eens uw hand: ik laat die niet meer los,

Eer gij hierboven zijt, of ik beneden.--

Gij komt niet op tot mij; ik kom tot u.

(Hij valt mede in den kuil.)

(Saturninus en Aaron komen op).

SATURNINUS. Volg mij; zelf wil ik zien, wat kuil hier is,

En wie het was, die er zoo even insprong.

Spreek, wie zijt gij, die daar zijt afgedaald

In deze gapende oop'ning van den grond?

MARCIUS. De onzaal'ge zoon van de' ouden Andronicus,

Te boozer uur er heen gevoerd, om hier

Uw broeder Bassianus dood te vinden.

SATURNINUS. Mijn broeder dood! Nu zie ik, dat gij schertst;

Hij en zijn gade zijn in 't jagershuis,

Aan 't noordereind van 't schoone jachtgebied;

't Is nog geen uur, sinds ik hen daar verliet.

MARCIUS. Ik weet niet, waar gij 't laatst hem levend zaagt,

Maar, o helaas! hier vonden wij hem dood.

(Tamora komt weder op, met Gevolg; verder Titus Andronicus en

LUCIUS.)

TAMORA. Waar is de koning, mijn gemaal?

SATURNINUS. Hier, Tamora, door dood'lijk leed bedroefd.

TAMORA. Waar is uw broeder Bassianus?

SATURNINUS. Nu peilt gij juist den bodem van mijn wond;

Vermoord ligt hier mijn arme Bassianus.

TAMORA (aan Saturninus een brief overreikend).

Zoo breng ik dezen onheilsbrief te laat,

Die de' aanslag inhoudt van dit gruw'lijk treurspel,

En sta verstomd, dat eenig menschlijk aanzicht

Bloeddorst in lieve lachjes hullen kan.

SATURNINUS (leest). "Zoo wij hem niet geschikt ontmoeten kunnen,--

Wij meenen Bassianus, beste jager,--

Doe gij 't voor ons en delf hem dan zijn graf;

Gij weet thans wat wij wenschen. Zoek uw loon:

't Ligt onder netels aan den voet des vlierbooms,

Die de' ingang overschaduwt van den kuil,

Door ons tot Bassianus' graf bestemd.

Doe dit en maak ons eeuwig tot uw vrienden."

O Tamora! werd ooit zoo iets gehoord?

Hier is de kuil, en dit, dit is de vlierboom.

Zoekt, heeren, of gij ook den jager vindt,

Die Bassianus hier vermoorden moest.

AARON. En, beste vorst, hier is de zak met goud.

SATURNINUS (tot Titus). Twee van uw welpen, honden, heet op bloed,

Beroofden hier mijn broeder van het leven.--

Sleept, mannen, uit den kuil hen naar den kerker;

Sluit daar hen op, tot wij voor hen een martling,

Nog nooit vernomen, hebben uitgedacht.

TAMORA. Wat! zijn zij daar, in dezen kuil? O wonder!

Hoe ras wordt toch een moord aan 't licht gebracht!

TITUS. Mijn keizer, op mijn zwakke knieën smeek ik,

Met tranen, die ik moeilijk stort, de gunst,

Dat deze schuld van mijn vervloekte zoons,--

Vervloekt, indien hun schuld bewezen wordt,--

SATURNINUS. Bewezen wordt? gij ziet, zij is klaarblijk'lijk;--

Wie vond den brief? waart gij het, Tamora?

TAMORA. Neen, Andronicus zelf was 't, die hem opnam.

TITUS. Zoo is het, heer; doch laat voor hen mij borg zijn.

Ik zweer bij mijner vaad'ren heilig graf:

Op uwer hoogheid wenk staan zij bereid,

Al moog' het onderzoek hun leven gelden.

SATURNINUS. Geen borgtocht, neen; maar zorg, dat gij mij volgt.--

Gij, brengt den doode, gij de moord'naars na;

Laat hen niet spreken; duid'lijk is hun schuld;

En bij mijn ziel, bestond er boozer eind

Dan dood, dat erger eind viel hun te beurt.

TAMORA. Ik wil den keizer smeeken, Andronicus;

Wees zonder zorg om hen, het gaat wel goed.

TITUS. Kom, Lucius, kom; tracht niet met hen te spreken.

(Allen af.)

Titus Andronicus(#23676) · 第 13 / 32 题