Een ander gedeelte van het woud.
Demetrius en Chiron komen op, met de geschonden Lavinia; de
handen zijn haar af gehouwen, de tong uitgesneden.
DEMETRIUS. Indien uw tong kan spreken, ga dan nu,
Zeg, wie de tong u uitsneed en u schond.
CHIRON. Schrijf neder wat gij weet, onthul het zoo;
Speel, laten dit uw stompen toe, voor schrijver.
DEMETRIUS. Zie, hoe zij schrappen, teekens krabb'len kan.
CHIRON. Ga huiswaarts, roep om water, wasch uw handen.
DEMETRIUS. Voor 't roepen mist ze een tong, voor 't wasschen handen,
Dus laat haar nu haar stille wegen gaan.
CHIRON. Waar 't mijn geval, ik ging en hing mij op.
DEMETRIUS. Ja, als gij handen hadt om 't koord te knoopen.
(Demetrius en Chiron af.)
(Horengeschal achter het tooneel. Marcus komt op, van de jacht.)
MARCUS. Wie is dat daar?--mijn nicht, die ijlings vlucht?
Geef antwoord, nichtje; zeg, waar is uw man?
Zoo 'k droom, 'k geef al mijn have, om weer te ontwaken!
Zoo 'k waak, bestraal' terstond me een booze ster
En vell' mij om den eeuw'gen slaap te sluimren!--
Spreek, lieve nicht, wat ruwe wreede hand
Verminkte uw lijf en hieuw dat zoet sieraad
U af, de beide takken, in wier schaduw
Zich vorsten gaarne hadden neergevlijd,
Die toch het hooge heil niet mochten smaken
Van uwe liefde? Waarom spreekt gij niet?--
Helaas, een purp'ren stroom, warm bloed,--een bron,
Die opwelt en door stormen trilt, gelijk,
Rijst, daalt daar tusschen uwe rozenlippen,
Komt, gaat met elken zoeten ademtocht.
Ach, zeker heeft een Tereus u geschonden,
En, straffe duchtend, u de tong ontrukt!
Ach! thans wendt gij 't gelaat af, diep beschaamd!
En schoon u al dit kostlijk bloed ontstroomt,
Als uit een drietal spruiten wellend water,
Zien toch uw wangen rood als Titans aanschijn,
Die bloost, als hem een wolk te tarten waagt.
Zal ik voor u het woord doen? zeggen, "'t is zoo?"
O kende ik thans uw hart! kende ik het beest,
Dat ik het smaadde om mijn gemoed te koelen!
Verholen leed,--als een gesloten oven,--
Verbrandt het hart, waarin het woont, tot asch.
Slechts tongloos werd de schoone Philomela;
Zij stikte in 't droevig weefsel haar gemoed;
U, lieve nicht, sneed men dit middel af;
Een sluwer Tereus was 't, die u belaagde;
En die sneed u die fijne vingers af,
Wier arbeid Philomela hadd' beschaamd.
O, had het monster ooit die leliehanden
Als espenblad zien trillen op een luit,
Zoodat de zijden snaren teêr die kusten,
Zelfs niet voor 't leven had hij ze aangeroerd;
Had hij de hemelmelodie gehoord,
Die stroomde van die zoete tong, zijn mes
Waar' hem ontvallen, hij in slaap verzonken,
Gelijk voor Orpheus' voeten Cerberus.
Kom, gaan wij om uw vader blind te maken;
Want zulk een aanblik blindt eens vaders oog;
Eén uur van storm verdrinkt een geur'ge beemd;
Kan 't vaderoog dan maanden weenens lijden?
Wijk niet terug; wij willen met u klagen;
O, hielp u onze kracht de ellende dragen!
(Beiden af.)