Een eenzaam gedeelte van het woud.
Aaron komt op met een buidel vol goud.
AARON. Wie zijn verstand heeft, denkt dat ik het mis,
Omdat ik zooveel goud bij dezen boom
Begraaf om 't nooit weer in bezit te nemen.
Nu, wie zoo min van mij mocht denken, wete,
Dat mij dit goud een aanslag munten moet,
Die, als hij met beleid wordt uitgevoerd,
Een allerprachtig boevenstuk verwekt;
Rust dus, lief goud, opdat gij onrust brengt
Aan wie de kist der keizerin u schenkt.
(Hij verbergt het goud.)
(Tamora komt op.)
TAMORA. Mijn lieflijke Aaron, waarom ziet gij ernstig,
Terwijl wedijv'rend alles blijde kijkt?
Uit ied'ren struik klinkt voog'lenmelodie;
De slang ligt in den zonn'schijn saâmgerold;
De blaad'ren trillen in den koelen wind,
En teek'nen schaduwplekken op den grond.
Kom, gaan wij, Aaron, onder 't loofdak zitten,
En luist'ren wij,--terwijl de bauwende echo
't Welluidend horenschallen schril bespot,
En, daar een dubb'le jacht vernomen wordt,
De honden fopt en tergt,--naar 't luid geblaf,
Om na een strijd,--zooals vermoed wordt, dat
De vorst, die zwierf, en Dido eens genoten,
Toen heilaanbrengend hen een storm verraste
En met een grot, die zwijgen kon, omsloot,
Dan, door elkanders armen dicht omstrengeld,
Na 't spel der minne een gouden slaap te doen,
Waarbij het hondgeblaf, het hoorngeschal,
't Zoet vogellied de wiegezang ons zijn
Der voedster, die haar liev'ling in doet sluim'ren.
AARON. Vorstin, besture Venus uw begeerten,
Saturnus' invloed is 't, die mij beheerscht.
Of wat beduidt mijn dood'lijk starend oog,
Mijn zwijgen en mijn diep zwaarmoedig voorhoofd,
Mijn wollig hoofdhaar, dat zich nu ontkroest,
Gelijk een adder, als hij zich ontrolt
Om fel een onontwijkb'ren dood te brengen?
Neen, neen, vorstin, dit zijn geen Venusteekens;
Wraak is er in mijn hart, dood in mijn hand;
Bloed zijn 't en wraak, die haam'ren in mijn hoofd.
Hoor, Tamora, vorstinne mijner ziele,
Die op geen hemel hoopt dan dien in u,
't Is heden Bassianus' oordeelsdag,
Waarop zijn Philomela tongloos wordt,
Uw zoons haar kuischheid rooven tot een buit,
En in het bloed haars mans hun handen wasschen.
Gij ziet hier dezen brief? hier, neem hem, bid ik,
En geef den koning dit verderflijk schrift.--
Vraag thans niet meer, wij worden reeds bespied;
Daar komt een deel des buits, waarop wij hopen,
Die van het nakend doodsuur nog niet droomt.
TAMORA. O lieve Moor, mij liever dan het leven!
AARON. Vorstin, geen woord meer; Bassianus komt;
Zoek twist met hem; uw zoons haal ik er bij,
Om, wààr ook uw krakeel om zij, te helpen.
(Aaron af.)
(Bassianus en Lavinia komen op.)
BASSIANUS. Wie zien wij hier? is 't Rome's keizerin,
Verstoken van 't gevolg, dat haar betaamt?
Of is 't misschien, in haar gewaad, Diana,
Die haar gewijde dreven eens verlaat,
Om hier in 't woud de groote jacht te zien?
TAMORA. Gij driest bespieder van mijn stille gangen,
Hadde ik de macht, Diana, zegt men, eigen,
Dan plantte ik oogenblikk'lijk op de slapen
U horens, als Actæon had, opdat
Uw honden uw veranderd lijf besprongen;
Indringende onbeschaamde, die gij zijt!
LAVINIA. Vergeef mij, lieve keizerin, men schrijft u
Een groot talent van hoornopzetten toe;
En 't wordt vermoed, dat zich uw Moor en gij
Afzonderden tot oef'ning in die kunst.
De hemel hoede uw man thans voor zijn honden,
't Waar' boos, als zij hem hielden voor een hert.
BASSIANUS. Geloof me, uw donkere Kimmeriër doet
Vorstin, uw eer gelijk zijn huid, bevlekt,
Zwart en verfoeilijk, afschuwwekkend zijn.
Waartoe zijt gij van uw gevolg gescheiden,
En afgestegen van uw sneeuwwit ros,
En afgedwaald naar deze duist're plek,
Van een barbaarschen Moor alleen verzeld,
Zoo booze lust u hier niet heeft gebracht?
LAVINIA. En nu gij wordt gestoord in uw vermaak,
Moet gij,--dit spreekt van zelf,--mijn eed'len gade
Om driestheid gispen!--Lieve, gaan wij heen;
Laat haar 't genot van haar raafkleur'gen boel;
Dit donk're dal voldoet aan haar bedoeling.
BASSIANUS. Den koning, mijnen broeder, doe ik 't kennen.
LAVINIA. Juist; lang reeds was hij kenn'lijk door hun doen;
Een vorst, zoo goed en toch zoo boos bedrogen!
TAMORA. Waarom heb ik 't geduld om dit te dragen?
(Demetrius en Chiron komen op.)
DEMETRIUS. Wat, waarde keizerin, doorluchte moeder,
Hoe ziet uw hoogheid zoo ontdaan en bleek?
TAMORA. Heb ik geen reden, denkt ge, om bleek te zien?
Die twee daar hebben mij hierheen gelokt;
Gij ziet, het is een woest, afschuwlijk dal,
De boomen, trots den zomer, schraal, ontblaard,
Geheel met mos bedekt en boozen mistel.
Nooit schijnt de zon hier en geen vogel broedt er,
Dan dagschuwe uilen en onzaal'ge raven.
Zij toonden mij dit schrikverwekkend dal,
En zeiden, dat in 't holste van de nacht
Een duizend booze geesten, duizend slangen,
Tien duizend egels en gezwollen padden,
Dooreen, er zulke gruwb're kreten slaakten,
Dat ieder sterflijk wezen, dat ze hoort,
Terstond waanzinnig wordt of plots'ling sterft.
En nauwlijks was dit helsch verhaal verteld,
Of zij bedreigden mij, dat ze aan den tronk
Mij binden zouden van een giftige' ief,
Ter prooi aan zulk een jammerrijken dood.
Toen noemden zij mij schaamt'looze overspeelster
En wulpsche Gothenvrouw, kortom, al wat
Het oor van bitt're smaadtaal ooit vernam;
En had geen wonder u hierheen gevoerd,
Dan hadden zij hun dreiging waar gemaakt.
Wreekt dit, is u uw moeders leven lief,
Of ik erken niet langer u als zoons.
DEMETRIUS. Dat ik uw zoon ben, moge dit getuigen.
(Hij doorsteekt Bassianus.)
CHIRON. Ook dit is raak en tuige voor mijn kracht.
(Hij doorsteekt hem eveneens. Bassianus sterft.)
LAVINIA. O kom, Semiramis,--
Of neen, barbaarsche Tamora, kom gij,--
Geen naam dan de uwe past bij uw natuur.
TAMORA. Geef mij uw dolk, en gij zult zien, mijn knapen,
Uw moeders hand wreekt uwer moeder smaad.
DEMETRIUS. Neen, toef, vorstin, meer komt haar toe dan dit;
Dorsch eerst het graan, en dan, verbrand het stroo.
Dit popje droeg op hare kuischheid roem,
Haar huwlijkseed, haar trouw, en zij braveerde
Met dien schijnschoonen waan zelfs uwe macht;
En zal zij dien met zich ten grave nemen?
CHIRON. 'k Moge een gesneed'ne zijn, eer zij dit doet.
Neen, sleep haar gade naar een heimlijk hol;
Tot peluw strekk' dat lijk bij onzen lust.
TAMORA. Maar als gij den begeerden honig hebt,
Laat dan die wesp niet leven, dat ze ons steek'.
CHIRON. Nu 'k zweer, vorstin, wees hieromtrent gerust.
Kom, liefje, wij genieten met geweld
Thans uwe preutsch beveiligde eerbaarheid.