Een woud. Horengeschal en hondengeblaf.
Titus Andronicus komt op, met Jagers, enz.; verder Marcus, Lucius,
Quintus en Marcius.
TITUS. De jacht is reê, de morgen licht en klaar,
De velden geurig en de wouden groen.
De honden los! laat hen recht luide blaffen;
Wekt zoo den keizer en zijn schoon jong vrouwtje,
Alsook den prins; en laat den jachtgroet schallen,
Zoodat geheel het hof den roep weerkaats'!
Mijn zoons, het zij uw taak, gelijk de mijne,
Voor den persoon des keizers goed te zorgen,
'k Werd in mijn slaap van nacht gestoord, ontrust,
Maar 't naad'ren van den dag gaf frisschen moed.
(Horengeschal en hondengeblaf.)
(Saturninus, Tamora, Bassianus, Lavinia, Demetrius en Chiron komen
op, met Gevolg.)
TITUS. Veel goede morgens, uwe majesteit;
Vorstin, ook u recht vele en even goede:--
Ik zeide een jachtgroet aan uw hoogheid toe.
SATURNINUS. En lustig hebt gij dien geblazen, heer,
Voor jonggehuwde vrouwtjes zelfs wat vroeg.
BASSIANUS. Lavinia, wat zegt gij?
LAVINIA. Ik zeg van neen;
Klaar wakker was ik reeds twee uur en meer.
SATURNINUS. Komaan dan, paarden, wagens voorgebracht;
En fluks naar 't woud. (Tot Tamora.) Vorstin, nu zult gij eens
't Romeinsche jagen zien.
MARCUS. Heer, honden heb ik,
Die zelfs den fiersten panter op doen rijzen,
En klaut'ren op het steilste voorgebergt'.
TITUS. Ik paarden, die het wild alomme volgen,
En als een zwaluw scheren over 't veld.
DEMETRIUS (tot Chiron). Wij, Chiron, jagen niet met paard en hond,
Maar grijpen 't reetje en rukken 't op den grond.
(Allen af.)