felste helderziendheden bereikt, ontkomt hij niet aan eene
verblinding. Die verblinding en helderziendheid bestaan dan
gelijktijdig met elkaar. Hij is als een hemel die blind wordt aan zijn
zonneoog als zijn sterren-oogen gaan glanzen. Men spreekt van de
eenzijdigheid sommiger genieën; over de zedeloosheid, het heenloopen
over, en vertreden van alles--behalve hun kunst--van sommige groote
kunstenaars; maar dat eenzijdige en die zede- en gewetenloosheid, zij
zijn van niets anders het gevolg dan van die verblinding welke hunne
helderziendheid begeleidt. Men bewondert de groote mannen, van wie men
zegt, dat zij hun gansche leven lang heel hun wilskracht, heel hun
kunnen op één machtig doel concentreerden en door niets daarbuiten zich
lieten afleiden, máár--denkt men dan werkelijk, dat iets hen had kùnnen
afleiden? Begrijpt men dan niet, dat deze helderzienden van, en daardoor
geboeiden door, dit ééne, blind waren voor al 't andere? En ook elke
tijd--voor zoover hij niet middelmatig was--vertoont, als
complex-van-geestelijkheid beschouwd, die
helderziendheid-èn-verblinding. De negentiende eeuw, die eeuw van
wetenschappelijke stofvergoding, die tijd van weergalooze ontdekkingen
op het gebied der exacte wetenschappen en techniek: hàre helderziendheid
in de analyse werd vergezeld van blindheid voor de allerhoogste
synthese: al te gelukkig slagend in de ontleding--en niettemin voor hoe
klein een deel zelfs daar!--van het stoffelijk samenstel der wereld, had
zij bijna volkomen het innerlijk en innig-ziend gezicht op den Eenenden
Grond van 't Al verloren. Vandaar indertijd--als drab van toch heel
kostbaren wijn--uw vergoding van sommige Multatulianismen, ùw ontkenning
van alles wat ge niet stoffelijk zaagt bestaan.--Anders, neen juist het
tegenovergestelde, de middeleeuwen, waarheen ons huidig onderwerp ons
voert. Daar bestond juist de helderziendheid in het onderkennen van
den Eenenden Grònd, die tevens de innerlijke [p.235] Hèmel van de
menschenziel is, en de blindheid openbaarde zich, in de
geringschatting van, ja de minachting voor het aardsche-als-zoodanig,
het uiterlijke en vooral: het innerlijk-aardsche. Groote daden vlamden
op uit dien tijd, die het kenmerk van dèze helderziendheid-en-blindheid
droegen: de kruistochten, trots al hunne ontaarding; de kruistochten,
ònzaliger maar toch wel degelijk ook zaliger nagedachtenis, mengsel van
afgrijselijke bestialiteit en duivelsche wreedheid, maar ook van een in
onzen tijd bijna ondenkbare godsliefde als zij waren. En zoete gedachten
bloeiden op uit dien tijd ... ach neen, het zijn geen gedàchten, het is
een voelen, dat zwijmelt van liefde; het is een wierook, die maar één
vat ontstijgen kan: de reinste ziel. De groote Jan van Ruusbroec bouwt
er zijn cathedralen van proza, zijne tuinen van
proza--vergoddelijkt-geziene natuurbeelden--vàn én er om heen, en de
"hemellawerke" Hildewijch weeft er droomig en vurig-in-haar-droom, haar
zoete, stil-gestemde, wazig-glorende zangen van, ziet er, als scherp
omlijnde vlamfiguren uit een wemelend vuur, ook haar visioenen aan
ontstijgen.[2] Beiden spreken van, leven in en voor de "minne"; voor
beiden is het leven: liefde: tot God; liefde, die vaak door vreeselijken
strijd--als is dit niet bij Ruusbroec het geval--en uitputtende
worstelingen heen, God als 't ware noopt zich in de Hem lievende ziel te
verwerkelijken, zoodat zij één wordt met Hem, zoo niet "in naturen" dan
toch "in minnen"[3]; beiden spreken dezelfde taal, het woord dier zoete
erkentenis van 's menschen wordende goddelijkheid, waarvan alle volken
eens de waarachtigheid hebben gevoeld. Het is één [p.236] gevoel, dat
van de Indische Gîta, van den Hebreeuwschen Sjirha-Sjirim, van Ruusbroec
en van Hildewijch. Het is het gevoel der mystiek in zijn hoogste
potentie. Hoe begrijpt men dan ook, dat deze twee Grooten en Schoonen
juist door den Sjirha-Sjirim, het Lied-der-Liederen, zoo werden
verrukt.--
* * * * *
Het is het levensgevoel der mystiek, wat deze allen gemeen hebben, zei
ik. En tevens duidde ik vluchtig aan, hoè dat levensgevoel zich aan de
voelers-zelve en door hun werken aan ons openbaarde. Maar zoo ge mij
zoudt zeggen, dat ge daaraan niet genoeg hebt en eene zuivere en
scherp-omlijnde definitie begeert, wel dan zou ik U moeten antwoorden,
dat ge een dwaas verlangen uit en ik wel een heel erg ijdele poseur en
droogstoppel zou moeten wezen, om aan dat verlangen toe te geven. Een
dergelijke definitie zou slechts den naam, niet het wezen definieeren,
en zij heeft groote kans, juist omdat hier het wezen zoo hoog en ver aan
zijn naam is ontgroeid, den weetgierige op een dwaalspoor te brengen.
Ja, zelfs al de etymologie van het woord, die terugvoert naar een
Grieksch, dat zooveel als ingewijde in een geheim-symbolischen
gods-dienst beteekent, zou u onmiddellijk aan de-hemel-mag-weten welken
hokuspokus en toovenaarachtige ritualiën doen denken. En nochtans--hoe
ver is de mystiek, waarvan we hier spreken, van dergelijke dingen
verwijderd. Indien ik al met nog ièts mijn woorden van zooeven op dezen
oogenblik kan verduidelijken, dan, dunkt mij, kan het alleen dit zijn:
de mystieke levensstaat is: te leven in zulk een allerzuiverste en
allerinnigste liefde tot God, dat de aldus in volle overgave lievende
mensch zieh zijn eigen wezen voelt ontglippen en verloren gaan in het
wezen Gods, en, in stede dus van zich-zelf langer te voelen of te
kennen, God kent. Dit is de Mystiek, dit is de mystiek van het
Lied-der-Liederen, van Ruusbroec en van Hildewijch.... En voor thans
zij er hier genoeg van gezegd. Want konden ook deze weinige woorden
moeielijk gemist [p.237] worden ter inleiding van de bespreking en het
begrijpelijk maken van het religieus gevoel, waaruit de wonder-teere en
zoete sproke van Beatrijs is opgebloeid, toch zijn diè mystiek en dat
religieus voelen, ofschoon men, en terecht, ook dat van mystischen aard
acht, niet één. Maar de eerste verhoudt zich hier tot het laatste,
zooals een ding zich tot het vermogen om dat ding te beelden
verhoudt, of een daad tot het vermogen om van die daad te
verhalen. Immers: de beelder van een ding en de verhaler van een
daad, moeten wel, verondersteld dat hunne beelding en hun verhaal goed
zijn, een zeer diep en klaar inzicht in de natuur van dat ding en die
daad hebben, maar daarom bezitten zij-zelf de eigenschappen van dat ding
nog niet, en daarom zijn zijzelf nog niet in staat die daad te doen. En
zoo nu, dunkt mij precies, de verhouding tusschen Ruusbroec en
Hildewijch eenerzijds en den onbekenden dichter der Beatrijs
anderzijds. De eersten zijn mystieken en hun werk is, in zijn hoogst
bereiken, een mystiek-gebeuren--dat is dus eene versmelting in liefde
van de menschenziel in God--; de laatste is een aanschouwer en
doorproever van een mystiek gebeuren en zijn werk is een beelding
daarvan, en goed beschouwd is het zelfs dit niet zuiver, maar beeldt het
voornamelijk een gevolg van een in een mensch ten deele zelfs
verleden en verwelkte mystieke liefde, zij het een allerschoonst en
heerlijk gevolg: een "mirakel," waarin een incarnatie van het
Goddelijke, de "soete en suivere Maghet" voor een zwak geworden en in
haar Godsliefde te kort schietende non, den last opneemt en het werk
verricht, door haar van zich geworpen en verlaten ....--Maar dan ook
juist daarom: omdat dit dicht--dat tot de schoonste nalatenschap der
middeleeuwen behoort--niet uit het allerhoogste mystieke
levensgevoel-zelf is geschreven, doch er niet meer dan een reine
nà-klank van is, leek het mij ook als uw eerste in-leiding in die meest
verheven sfeer der middeleeuwsche letterkunde niet al te zwaar. Waarbij
nog dìt komt: in de Beatrijs wordt vooral dàt moment in het mystieke
gebeuren gebeeld, waarop, zooals ik reeds zooeven aanduidde, de liefde
van een mensch tot het Goddelijke verflauwt, en het Goddelijke, in
overgroote genade, uit eigen onbegrensde [p.238] liefdeschat de
ontstane leegte vult, en welnu: dàt moment juist vindt zoo diepen
weerklank in het hart van ons: moderne menschen. De pure en
standvastige zielen van Ruusbroec en Hildewijch staan ver van ons ...
maar het vallen-en-opstaan van Beatrijs, het vallen-en-opstaan, dàt is
het ònze. In Beatrijs ontmoeten de heilige en zondaar elkaar ... in wien
onzer doen zij dit niet? Het is dan ook daarom een algemeen menschelijk
verhaal, deze vertelling van de non, die heimelijk haar klooster
verlaat, om de stem harer aardsche liefde te volgen; die later in de
laagste ontucht leven zal en voor wie in hare afwezigheid de "Fonteyne
boven alle wiven" Maria, in de gedaante der ontrouwe, veertien jaar lang
dier dagelijksche taak waarneemt, zoodat hare zonde "bedekt wordt voor
der menschen oogen" en zij later, zat van aardsche vreugde en leed,
weer, onverdacht van elke smet, tot haar oude klooster inkeeren kan en
een heilig leven hervatten. Het is een verhaal van háár, maar óók--van u
en mij; van háár tijd maar ook van de ònze. Het is een ééuwig
verhaal....--Luister! luister even, hoe het als ware 't de schoonst
denkbare verluchting is van dat troostrijk woord, dat vier eeuwen later
de groote Milton neerschreef:
. . . . . . . . . . . . . . . . .
Or, if virtue feeble were,
Heaven itself would stoop to her.
Dat is toch ook onze hoop, niet waar, of we 't ons willen bekennen of
niet, en wàt ons ook de hemel lijkt en wie ook onze God is: in onze
onvermijdbare zwakheid toch zóó sterk te blijven, dat we 't geschénk van
méérdere kracht niet onwaardig zijn. In onze onontkoombare slechtheid
toch zoo naar-'t-goede-strevend te blijven, dat we de ontkieming in ons
van zuiverder goedheid niet onwaardig zijn--gelijk in haar zwakte
Beatrijs streefde en bleef. Laat ons dan diep en geduldig in dezen
spiegel zien, vrienden.... De volgende maal zal ik een aanvang maken met
het verhaal-zelf te bespreken om dan vervolgens de Middel-Nederlandsche
Beatrijs met deze Navertelling en de Beatrijs van Boutens critisch
te vergelijken, en wellicht zult ge dit dan toch niet geheel
ongenietelijk vinden.
Noten:
[2] Men kan ze vertaald vinden in De Beweging, Juni en Juli '17, door
Albert Verwey. Bij het lezen harer "Geestelijke Liederen" kan de
dissertatie van Dr. Johanna Snellen van groote waarde zijn, en de
daarbij gevoegde woordenlijst doet zeker het eventueel gemis van een
Middelnederlandsch woordenboek minder gevoelen.
[3] Terloops zij hier even opgemerkt, dat met deze beperking: niet "in
naturen", Ruusbroec de opgaande lijn zijner mystiek breekt en haar
verhindert den top te bereiken, waarheen de groote mystiek van heel de
wereld altijd heeft gestreefd. Of zijn rede hem hiertoe bewoog, zooals
Prof. Kalff zegt, en niet veeleer de Roomsche kerkleer?...
* * * * *
[p.239]
III
De Middelnederlandsche Beatrijs
Ik ga dus thans allereerst van de Middelnederlandsche Beatrijs verhalen.
Zal ik sòms den inhoud wat kort moeten samenvatten, een ander maal zal
ik weer wat uitvoeriger kunnen zijn. Citaten zullen mijn verhaal
verlevendigen en om het verstaan dier Middel-Nederlandsche aanhalingen
te vergemakkelijken, zal ik naast den aangehaalden tekstregel, die
geheel of gedeeltelijk verklaring of vertaling behoeft,
woordverklaringen plaatsen. Vermeden wordt immers hiermede het lastig
en storend gekijk naar den voet der kolommen, waar anders soortgelijke
toelichtingen staan. Een cijfertje achter het te vertalen woord of den
geheelen regel, hetzelfde cijfer voor de vertaling of verklaring, op,
voor zoover althans typographisch mogelijk, dezelfde linie, en wij zijn
op 't makkelijkst geholpen.--Het spreekt vanzelf, dat, indien ge belang
mocht stellen in zekere bijzonderheden, die de herkomst van ons
verhalend dicht betreffen, zooals, bijvoorbeeld: wèlke naar alle
waarschijnlijkheid de boeken waren, waarvan, zooals ge onmiddellijk zien
zult, in den aanvang van het verhaal sprake is, ik volstaan kan met U
naar literatuurhistorici als Te Winkel en Kalff te verwijzen, of naar de
tekstuitgave, met toelichting en woordenlijst, van Jonckbloet. Hunne
desbetreffende mededeelingen hier over te schrijven, zou ruimte kosten
en heeft niet den minsten zin, daar zij uw begrijpen en genieten van het
aloude gedicht-zelf in geen enkel opzicht zouden kunnen versterken, en
juist dat begrijpend-genieten het eenige is, waarom het mij, thàns als
immer, te doen is. Welaan dan, luistert!
Na eene korte vermelding van de redenen, die hem tot dichten nopen,
verklaart de schrijver het mirakel van Beatrijs gehoord te hebben van
een "out ghedaghet man," die het verhaal in zijne boeken [p.240] had
gevonden. Beatrijs dan was "hovesch (beschaafd, welgemanierd) ende
subtyl (fijn) van seden," en de dichter meent, dat men haars-gelijke
tevergeefs zou zoeken. Nochtans dunkt het hem niet voegzaam over hare
lijfelijke schoonheid uit te weiden; liever vertelt hij van hare
dagelijksche taak in 't klooster. Na dit gedaan te hebben vaart hij
voort:
Dese joffrouwe en was niet sonder
Der minnen1), die groot wonder [1) de liefde]
Pleecht te werken achter1) lande.1) [1) 1) overal].
en schildert welsprekend de onweerstaanbare macht en dwang der liefde.
En, zegt hij, als men daaraan denkt, dan zal men wel inzien, dat:
Hier omne en darfmen niet veronnen1) [1) Men hierom niet mag hard vallen]
Der nonnen, dat si ne conste ontgaen1) [1) de non, dat zij niet kon ontkomen aan]
Der minnen, diese hilt1) gevaen;1) [1) hield gevangen]
Want die duvel altoes begheert
Den mensch te becorne1), ende niet en cesseert,2) [1) te verleiden. 2) en houdt niet op]
Dagh ende nacht, spade ende vroe,
Hine doetersine macht toe.1) [1) Doet hij er zijn best voor]
Met quader liste, als hi wel conde,1) [1) zoo goed hij kon)
Becordise1) met vleescheliker sonden, [1) bracht hij haar in verzoeking]
Die nonne, dat si sterven waende.
Ik heb twee woorden in den voorlaatsten versregel gecursiveerd: ge ziet,
onze dichter windt er geen doekjes om. Het is dan ook een der schoonste
eigenschappen van dit middeleeuwsche gedicht, dat het allerminst zijne
verhevenheid ontleent aan de wegdoezeling van de nooden en zorgen der
nederigste menschelijkheid en van het dagelijksche leven. Het laat het
licht van zijn mirakel schijnen over den gansch niet vermooiden bodem
der maatschappelijke en gewoon-menschelijke [p.241] realiteit. En schoon
deze eigenschap, gelijk nog zooveel anders, U wel het duidelijkst zal
opvallen, wanneer wij er aan toe zijn, deze Middelnederlandsche met
Bouten's Beatrijs te vergelijken, wilde ik er toch reeds thans uwe
aandacht op vestigen en zal ook daarmede voortgaan.
Afgestreden, voelt Beatrijs nu, niet langer in het klooster te kunnen
blijven:
Ic moet leiden een ander leven,
Dit abyt1) moet ic begheven.2) [1) kloosterkleed. 2) afleggen]
Nu hort hoeter1) na verghinc: [1) hoe het haar]
Si sende om den jonghelinc,
Daer si toe hadde grote lieve,
Ootmoedelyc met enen brieve,
Dat hi saen1) te hare quame, [1) spoedig]
Daer laghe are sine vrame1) [1) Daaraan zou ook hem veel gelegen zyn.)
Die bode ghinc daer de jonghelinc was.
Hi nam den brief ende las,
Die hem sende sijn vriendinne.
Hoe was hi blide in sinen sinne!
Hi haeste hem1) te comen daer. [1) zich]
Sint dat si out waren .XII. jaer
Dwanc1) die minne2) dese twee, [1) Dwong. 2) liefde]
Dat si dogheden1) menech wee, [1) leden]
Ook hier weer--in mijn cursief--de onverbloemde menschelijkheid: met
eene aardsche en onverwonnen liefde in 't hart, is Beatrijs het
kloosterleven ingetreden, en zij heeft Jezus dus wel met den mond maar
niet met het hart tot Bruidegom verkoren....--Niet alleen, dat de mensch
ons hierdoor des te menschelijker wordt, maar het mirakel wordt er een
van des te gòddelijker genade.
De jongeling is dus haastig kloosterwaarts gereden. Daar zeggen zij
elkander, hij vóór het getralied venster, zij erachter, onder heftige
bewogenheid hunne durende liefde. Hij stelt haar voor, haar mede te
voeren uit het klooster: wil zij hem den tijd zeggen, dat hij daartoe
wederkome, dan zal hij middelerwijl te haren behoeve allerhande fraaie
kleeren en het schoonste reisgerief koopen. Hij belooft, haar [p.242]
nooit te zullen verlaten, wat hun beiden in de toekomst ook moge
overkomen. Het antwoord is wat ge denken kunt; maar om de kunst,
waarmede ook in dit antwoord alle vooze overspanning verre gehouden
is, en om de erin héérschende reine kalmte eener ook kuische en sterke
liefde, welke in hare meest supreeme oogenblikken het contact met het
gewone dagelijksche leven en hare zorgelijke voorzienigheid niet
verliest, noch, trots hare overgave, eene maagdelijk-schroomvolle
terughoudendheid, zal ik het even voor u afschrijven. De verzen waaruit
dat alles blijkt, cursiveer ik--in het laatste cursief vindt ge die
maagdelijke schroom vol teederheid--.
"Vercorne vrient," sprac die joncvrouwe,
"Die1) willic gherne van U ontfaen2) [1) Het pand zijner trouw, 2) ontvangen]
Ende met U soe verre gaen,
Dat niemen wete in dit covent1) [1) klooster]
Werwaert dat wi syn bewent.1) [1) heengegaan]
Van tavont over .VIII. nachte
Comt ende nemt mijns wachte1) [1) wacht mij]
Daer buten in den vergier1) [1) boomgaard]
Onder enen eglentier.
Wacht daar mijns, ic come uut
Endewille wesen uwe bruut
Te varene1) daer ghi begheert [1) te gaan]
En si1) dat mi siecheit2) deert, [1) tenzij, 2) ziekte]
Ocht1) sake die mi si te swaer, [1) of]
Ic come sekerlike daer,
Ende ic begheer van U sere
Dat ghi daer comt, lieve jonchere."
De jongeling gaat been, koopt de schoone kleederen en geschenken,
voorziet zich ook van vijf honderd pond zilver, rijdt op den afgesproken
tijd 's nachts weer naar het klooster en wacht daar Beatrijs in den
boomgaard.--De dichter zegt nu van hem te zullen zwijgen en te willen
verhalen, wat zij tezelfder tijd deed. Nadat zij hare gewone taak had
verricht en heel het klooster te ruste was gegaan,
[p.243]
Bleef si inden coer1) alleene, [1) hof]
Ende si sprac haer ghebede,
Alsi te voren dicke1) dede. [1) dikwijls]
Si cnielde vorden outaer1) [1) altaar]
Ende sprac met groten vaer:1) [1) vrees]
"Maria, moeder, soete name,
Nu en mach mine lichame
Niet langer in dabijt1) gheduren2) [1) het kloosterkleed. 2) rustig blijven]
Ghi kint wel in allen uren
Smenschen herte ende syn wesen:
Ic hebbe ghevast ende gelesen,
Ende genomen discipline1) [1) en mij gekastijd.]
Hets1) al om niet dat ick pine2) [1) Het is. 2) mij pjjnig.]
Minne worpt1) mi onder den voet, [1) De liefde werpt mij]
Dat ic der wereld dienen moet.
Alsoo waerlike als ghi, here lieve
Wort gehangen tusschen .IJ.1) dieven, [1) twee.]
Ende aent cruce1) wort gerecket,2) [1) kruis. 2) uitgerekt, gemarteld]
Ende ghi Lazaruse verwecket,
Daer hi lach1) in den grave doet,2) [1) lag. 2) dood]
Soe moetti1) kinnen minen noet,2) [1) moet Gij. 2) nood.)
Ende mine mesdaet mi vergheven;
Ic moet in swaren sonden sneven!"
Na desen ghinc si uten core
Tenen1) beelde, daer si vore [1) naar een]
Cnielde, ende sprac hare ghebede,
Daer Maria stont ter stede.
Si riep: "Maria," onversaghet,
"Ic hebbe u nachtende dag geclaghet
Ontfermelike mijn vernoy,1) [1) verdriet, ongeluk.].
Ende mi nes niet te bat een hoy!1) [1) en het heeft my niets geholpen]
Ic werde mijns sins te male quijt1) [1) Ik zou mijn verstand geheel verliezen]
Blivic1) langher in dit abijt2) [1) Bleef ik. 2) Kloosterkleed]
Die covel1) toech si ute al daer [1) kloosterlingen-hoofdkap]
Ende leidse op onse vrouwen outaer.1) [1) altaar]
Doe dede si ute hare scoen.
Nu hort watsi sal doen.
Die slotele vander sacristien
Hinc si vor dat beelde Marien;....
[p.244]In mijn cursieven vindt ge--en gelieve daar ter dege op te
letten--den heftigen strijd tegen de aardsche liefde in Beatrijs. Hier,
zooals ik u reeds zei, worstelen de heilige met den zondaar ... de
arme hartstocht-gezweepte mensch, die zoo gaarne heilig en onbevlekt zou
willen zijn en het niet kan!....--Slechts met een schamel onderkleed
aan, treedt zij nu ten klooster uit, en vindt haar lief in den
boomgaard;--hij geeft haar de medegebrachte kleederen en sieraden, zij
verkleedt zich, dan rijden zij heen. Aanschouw nu even die heenvaart,
beluister de overdenkingen, die zij wekt in Beatrijs, zooals zij gebeeld
en gezegd worden in het hier geheel door een gedempt-flonkerenden gloed
van oude schoonheid overwaasde, en zoet-melodieuse, bijbelsch-naïeve
verhaal van onzen dichter:
Doe1) cussese die jhonghelinc [1 Toen]
Vriendelike aen haren mout.
Hem dochte, daer si voer hem stont,
Dat die dach verclaerde.
Haestelic ghinc hi tsinen1) paerde. [1) naar zijn]
Hi settese1) vor hem int ghereide.2) [1) zette haar. 2) zadel]
Dus voren si henen beide
Soe verre, dat begon te daghen,
Dat si hen nyemen1) volghen saghen. [1) niemand]
Doet1) began te lichtene int oest2) [1) Toen het. 2) oosten]
Si seide: "God, alder werelt troest,1) [1) troost]
Nu moeti1) ons bewaren, [1) moet Gij]
Ic sie den dach verclaren!
Waric met U niet comen uut,
Ic soude prime1) hebben gheluut,2) [1) priemtijd. 2) geluid]
Als ic wilen1) was ghewone [1) vroeger]
Inden cloestere van religione.1) [1) In het Godgewijde klooster]
Ic duchte mi1) die vaert sal rouwen; [1) Ik vrees]
Die werelt hout soe cleine trouwe,1) [1) de trouw der wereld is zoo gering]
Al hebbic mi ghekeert daer an;1) [1) al heb ook ik mij tot haar gekeerd]
Si slacht den losen1) coman2) [1) sluwen. 2) koopman]
Die vingherline1) van formine2) [1) ringen. 2) waardeloos metaal]
Vercoept voer guldine."1) [1) goudene]
[p.245] Gij ziet hier weer--. in mijn eerste cursief--hoe Beatrijs
zich tot God wendt. Zij is niet als die dwazen, die zeggen: ik heb te
zwaar gezondigd, ik kan nooit weer terugkeeren; doch niet alleen dat zij
voelt, dat eene zonde, die een mensch voor altijd van den Grond der
Wereld zou kunnen scheiden, niet bestaat, maar sterk in het
bewustzijn, dat zij met alle kracht heeft gestreden, doch nu eenmaal
door de liefde mòest overwonnen worden, vraagt zij God haar zelfs op den
zòndigen tocht te beschermen! Dit is diep Godsvertrouwen en diepe
wijsheid meteenen, en als wij ons dit later herinneren, dan zullen wij
ook des te makkelijker begrijpen, waarom juist Beatrijs de redding door
een mirakel had verdiend, hetgeen tevens zeggen wil,--en dáárom vestig
ik, uw letterkundig onderrichter, uw aandacht op dit alles--dat wij dan
ook verstaan, welk een sterk compositeur en psychologisch bouwer
onze dichter is. De plechtige muziek der twee gecursiveerde regels,
beginnend met "Nu moeti"--wat deze betreft: ik kan u slechts waarschuwen
dat zij er is ... verder sta ik machteloos ... men hoort dat of men
hoort dat niet. En zoo is 't ook gesteld met de beide regels van mijn
tweede cursief; ik weet niet welk een donkere weemoed van betreurend
terugzien hen ontstijgt en zich breidt over hen.... Is het de
sonoor-diepe klank der beide O's, vergalmend in de wegduisterende
uit-gang van het vrouwelijk rijm?... Is het 't archaistisch
in-het-verleden-verlorene van het woord "religione"? Ik weet niet,
maar wat ik wel weet is, dat de beelden, de muziek en het weergeven van
Beatrijs' betreurenden twijfel--let op mijn derde en vierde
cursief--volmaakt zijn.--Intusschen, Beatrijs heeft natuurlijk niets
liever, dan van haar twijfel en angst te worden bevrijd, en daar zorgt
haar minnaar dan ook wel voor. Hij werpt de in hare woorden besloten
verdenking verre van zich: zij kan er zeker van zijn, dat niets hen zal
scheiden dan de dood; ware hij eene keizerin waardig, sinds hij Beatrijs
lief heeft, zou hij zelfs zulk een hooge Vrouwe niet begeerd hebben. Zij
zullen ook nooit gebrek behoeven te lijden: de "Vc pont wit
selverijn", (de vijf honderd pond blank zilver) die hij heeft
meegenomen, zijn haar eigendom. (Merk ook hier [p.246] weer, hoe het
verhaal zich, in de beelding van het menschelijk gebeuren, op den bodem
der werkelijkheid blijft handhaven). De gelieven komen nu op hun rit
schoone landen en bosschen voorbij, en, alweer zuiver menschelijk door
den dichter gezien: den jongeling wordt zijn verlangen te sterk:
Die jonghelinc sach op die suverlike1) [1) zuivere, kuische maagd]
Daer hi gestade minne toedroech;
Hi seide: "Lief, waert U ghevoeh,1) [1) welgevallig]
Wi souden beten1) ende bloemen lesen: [1) afstijgen]
Het dinct mi hier scone wesen;
Laet ons spelen der minnen spel."1) [1) het spel der liefde]
Waarop Beatrijs hem dit verontwaardigd antwoordt: