Sluit de oogen en verbeeld je eens fel en heftig, dat ge Sancho Panza

zijt. Het zal je, dunkt mij, niet moeielijk vallen, want, ten eerste,

hebt ge ongetwijfeld wel eens den onsterfelijken Don Quichot, het

meesterwerk van Cervantes, gelezen, en ten tweede: als ik niet zeker

wist, dat ge de schildknaap eens edelen en drakenbekampenden ridders

zijt, dan sprak ik niet eens tot je, want ik vond je geen knip voor den

neus waard! Je kijkt me verbaasd aan: "ik de schildknaap eens

drakenbekampenden ridders?" Maar ik antwoord je kalmpjes weder: ja

zeker, jongelief, want dien je dan soms het socialisme niet? Dat je

met zwarte handen en gezicht alle dagen voor de schijf zit, dat is maar

nietswaardige en onwerkelijke schijn, zooals ook de dwaasheid en de

"droevige figuur" van Don Quichot maar voorbijgaande schijn waren; maar

dat je ziel in rood en hemelsblauw gekleed gaat gelijk het een

schildknaap van den Dagenden Tijd betaamt, dat is, mag ik vertrouwen, de

werkelijkheid, zooals ook de adeldom en de haat tegen onderdrukking,

gemeenheid en roof, in Don Quichot de werkelijkheid waren.--Sluit de

oogen, herhaal ik dus met hypnotischen nadruk; ik zèg je, je bènt Sancho

Panza, je zit voor den rijkgedekten tafel op het door je-zelf

bestadhouderd eiland, je tast toe ... ai! wat is dat?! Nauwelijks heb je

'n hapje gegeten, nauwelijks heb je gedacht: wat [p.219] smaakt dat eten

heerlijk, of de schotel wordt je uit de handen gegrist ....--Open nu

weer je oogen, beveel ik, en ga Pittah lezen; je hebt de eerste drie

hoofdstukken van het boek genoten--één hapje van den schotel gegeten--je

vind ze prettig, gezellig en boeiend, en ... ziedaar ... wèg is plots

het verhaal van Harry en Fort M'Gurry! Je vork, gretig omlaag prikkend,

vindt een heel ander gerecht....--Welnu, beste vrienden, met deze

modernisatie van Sancho's spijtig avontuur is meteen het

compositorisch-zonderlinge van Pittah's "Eerste Deel" aangewezen, de

diepe breuk in de samenstelling van het boek blootgelegd. Laat mij

pogen dit alles nu even door bewijsvoering te verduidelijken. De eerste

drie hoofdstukken verhalen van de lotgevallen en de daden van menschen

en dieren, en vele van de latere hoofdstukken doen hetzelfde, maar de

eerste drie doen het op een heel andere manier dan de latere. In de

eerste drie is de verhaaltrant zóó, dat wij, zooals we tot nu toe bij de

lezing van alle mogelijke werken gewend waren, nagenoeg heel onze

belangstelling mòesten concentreeren op de menschen en slechts een klein

overschotje dier belangstelling op de dieren; in de latere is precies

het tegenovergestelde het geval. Aanvankelijk denken wij een verhaal

over zekere menschen te gaan lezen, waarin, gelijk in zoovele boeken,

die reisbeschrijvingen of jachtverhalen bevatten, de dieren wel een

vrij gewichtige rol vervullen, maar de hoofdrol allerminst; hebben

wij echter het "Eerste Deel" achter den rug, dan merken we plots dat

"de rollen zijn omgekeerd." Of sterker en nog meer naar waarheid gezegd:

eerst zijn de dieren het decor en de menschen de spelers, later zijn de

dieren de spelers en de menschen het decor. En met zulk eene

geringschatting wordt van dan af het menschelijk materiaal door den

auteur beschouwd, dat hij de menschfiguren ook daar waar zij als

spelers optraden, achteraf als décor behandelt, zoodat je tot je

hevige verwondering--die dan ook helaas de lezing van het boek overleeft

en als iets hinderlijks met je schoonste herinneringen er aan blijft

vermengd--nooit meer één syllabe hoort van Harry of de mannen, die hem

redden. Ah! denk je spijtig en gekwetst: voor het verdere verloop van

het spel is het kasteel [p.220] Weedon-Scott[6] noodig, nu wordt in de

pauze de brug-Harry door de tooneelknechts op rollen weggeschoven en

achter de coulissen gebracht ....--En het gezicht dezer plots

openscheurende breuk tusschen het "Eerste Deel" en de latere

hoofdstukken schokt den aanschouwer zoo hevig, dat onze hongerige Sancho

Panza nauwelijks meer verbaasd en ontstemd kan zijn geweest, toen hem

voor zijn neus zijn bord werd weggekaapt. Maar deze ééne oorzaak van

ontstemming in den lezer is in werkelijkheid door drie factoren gevormd.

Ten eerste: het gevoel, alsof men drie hoofdstukken lang voor de mal is

gehouden, 't geen niet zoo heel kort voor een "gijntje" is! Ten tweede:

de omstandigheid dat breuklooze eenheid in den voedingsbodem elk

aesthetisch genotsgevoel zijn voornaamste voedsel en kracht geeft,

verbrokkeling daarentegen van dien bodem het verschrompelen doet. Ten

derde: dat de mensch in den lezer het nooit verdraagt, de

menschelijkheid in een boek achteruitgeschoven te zien voor iets

anders. Desnoods heeft hij er vrede mee, dat zij van den aanvang af,

vóór zijn aandacht in het geding kwam, aan iets anders ondergeschikt

werd gemaakt, mits dat andere hem dan maar hevig boeit; maar hare

vernedering onder zijne oogen, in zijn bijzijn duldt hij niet. Eens

zijne belangstelling gewekt door menschelijkheid op een zeker plan van

het werk, eischt hij onverbiddelijk, dat die menschelijkheid minstens op

dàt plan gehandhaafd blijft en zeker vergeeft hij niet, dat, zooals hier

met Harry e.s. gebeurt, zij wordt weggebezemd en weggespoeld naar een

ondergrondsch gootje. Want gebeurt dit wel, dan vindt hij den schrijver

ook een beetje kinderachtig, dat is: niet ernstig en met slechts

weinig verantwoordelijkheidsgevoel, en tevens acht hij zijn daad een

gevolg van een tekortkoming in zijn talent. Waarmee hij gelijk heeft,

ook hier. En daarmede ben ik van zelf aan het punt gekomen, waarop het

mij mogelijk is, te doen wat ik in mijn vorig artikel beloofde: te

spreken over "zekere karaktertrekken van London's schrijversfiguur" en

over [p.221] de "beminnelijke, kinderlijk-naïeve manier," waarop zich

bij hem "het blufferig-gewikste langs een omweg uit." Welnu: London

is--te oordeelen ook naar andere werken, die ik van hem las, De

Zeewolf en Elam Harnish[7]--nooit een werkelijk en groot

menschenschepper geweest. En houdt men dit in het oog, dan begrijpt

men tevens, hoe hij tot zoo zonderlinge en foutieve compositie als de

door mij gewraakte kwam. Want ware hij waarlijk een groot

menschenschepper geweest, dan had hij ook die wijd-omvattende,

onpersoonlijke menschheidsliefde moeten bezitten, die voor zulk een

volstrekt onmisbaar is, en hàdde hij die liefde bezeten, dan zou hij ook

nooit het element menschelijkheid in zijn werk op zoo

onbewust-geringschattende wijze hebben kunnen behandelen als hij

deed.--Maar na dit te hebben gezegd, zie ik wel aan jelui jong-open

schildknapen-gezichten, dat je 't nog heelemaal niet met mij eens zijt

en in je zelf denkt: "En die prachtig-machtige figuren van Wolf Larsen

en Elam Harnish, die u-zelf daar noemde, meneer v.C?" En ik antwoord:

beste vrienden, juist aan die twee figuren zie ik, dat hij geen

menschenschepper is; dat hij niet zoo zeer een beminnaar van

menschelijkheid is als wel een beminnaar van ééne menschelijke

eigenschap, die der kracht, der geestelijke en lichamelijke kracht.

Hij schept geen grooten mensch, maar hij personifieert groote

kracht, zulk eene die zoo groot is, dat zij heroïsche afmetingen

heeft aangenomen. De capaciteit aldus eene eigenschap te personifieeren,

is geen geringe; zij vooronderstelt in den bezitter-zelf heroïsche

kracht. Alleen: het is de kracht van den grooten menschenschepper niet,

want deze doet met alle of vele eigenschappen der menschelijke ziel, wat

gene slechts met een enkele doet. De menschenschepper van heroïeken

aanleg schept een Mensch, die toch een mensch is, d.w.z. een

veel-zijdigen Mensch, gelijk ook elke wiensch immers voor [p.222] den

liefdevollen begrijper veelzijdig zal blijken; een geniaal schrijver van

heroïeken aanleg, die echter geen menschenschepper is, als London,

schept daarentegen een eewzijdige personificatie. Een Balzac schept

Menschen, een London goden--goden, dat wil immers ook zeggen:

volstrekt- of relatief-eenzijdige personificaties van menschelijke of

natuur-krachten--en wat het aardige en kenschetsende is: onmiddellijk,

van hun geboorte af, worden die goden zìjn afgoden tevens! En ziedaar:

nu heeft ons meteen ons eigen pad naar het "omwegje" geleid, waarop "het

blufferig-gewikste zich op beminnelijke en naïeve wijze bij London uit."

Naïef en beminnelijk--zeker: London is, niet zoo grof, voor eigen

persoonlijke kracht te knielen; evenmin zoo dwaas, de kracht,

gewikstheid en onoverwinnelijkheid en al dergelijk fraais juist het

volk, waarvan hij een zoon is, bij uitsluiting van alle andere naties

toe te kennen. Neen, hij heeft de beminnelijke en kinderlijke

naïveteit van den primitieven en <b>godenscheppenden</b> mensch. Hij

vindt kracht en ietwat blufferig vertoon ervan nu eenmaal

verrukkelijk--ook in het booze, en hij schept zich een waarlijk

vorstelijken Duivel: Wolf Larsen, en knielt voor hem. Hij vindt

kracht, gepaard aan een soort van heroïsche, bovenmenschelijke

gewikstheid nu eenmaal pràchtig--ook in het goede, en hij schept zich

een snelvoetigen handelsgod, een Mercurius, met de vuisten en de

gewelddadigheid van een Mars--maar hoe deze twee dan ook in

werkelijkheid één zijn, heeft ons niets zoo goed als dèze tijd

geleerd!--: Elam Harnish. Hij vindt kracht mooi--ook in der dieren

sfeer, en ziedaar: hij schept Pit-tah, den Heroischen Hond! Maar zoo

werd wat zijn zwakheid in dit boek is tevens zijn sterkte erin: wijl

hij geen groot en werkelijk menschenschepper is, was hij in staat zóó

beslist en voor zoo langen tijd zijn blik van de menschen af te

wenden, en omdat hij een verheerlijker van de kracht is, spoorde dit

mede hem aan zoo liefdevol het dier te bezien, dat hij gevoelde tot

haar levend Beeld te kunnen maken.--En nu ten slotte: dat hij knielt

voor alle drie, èn voor Larsen èn voor Harnish, èn voor Pittah

niet minder, en ze bewonderend zit te bekijken dag na dag en van den

ochtend tot den avond, dáárin kunt [p.223] ge een bewijs te meer zien,

zoo ge dit nog behoeft, dat zijn eigenlijke aard niet die eens

menschenscheppers is. Die is minnaar maar tevens beheerscher van zijn

wereld. Hij leeft wel er in, maar tevens er boven. Ook London heeft

zijn wereld lief en leeft erin, maar haar beheerscher voelt hij zich

niet. Hij is er niet "tevens boven," maar integendeel: er tevens

beneden: hij kijkt er tegen op.--Hiermede meen ik nu mijn

tweevoudige belofte te hebben vervuld. En een echt "verkwistende

diamantbewerker" als ik nu eenmaal ben, ga ik, na mijn eenen schuld te

hebben afgelost, onmiddellijk een tweeden aan: in nog een of twee

artikelen zullen wij het nu verder onverdeeld-prachtige Pittah, naar ik

mag hopen weder genietend bezien.

* * * * *

IV

De soort en hoedanigheden der psychologie. De dramatiek.

Gelijk London als schepper van eenzijdige personificaties als ware 't

een overgangsvorm vertegenwoordigt tusschen den van allen

figuur-scheppenden aanleg ontblooten schrijveren den grooten

menschenschepper, zoo blijkt ook in verreweg het grootste deel van zijn

zielkundigen arbeid in ons boek, zijne psychologie tot wat men eene

tusschensoort zou kunnen noemen te behooren. Men kan namelijk m.i. alle

in literair figuurscheppend kunstwerk voorkomende psychologie naar hare

herkomst in drie groepen verdeelen; met andere woorden: er blijkt ons,

dat psychologisch begrijpen op drie hoofdwijzen mogelijk is. Die, welke

wij de eerste wijze zullen heeten, omdat zij de schoonste en machtigste

want meest omvattende is, is de intuïtieve: het begrijpen uit het

onbewuste; het begrijpen zonder bewuste poging daartoe; de ontvangenis

van het inzicht als een geschonken openbaring. Deze wijze van

psychologisch doorgronden, zij moge als intermitteerende gave ook geen

enkelen der kleinere kunstenaars onbekend zijn, is toch, als eene

geheel het werk karakteriseerende eigenschap, slechts bij de

allergrootsten te vinden. Zoo mocht dan ook Balzac haar de zijne noemen,

en ik [p.224] spreek u juist van hem, eerder dan van een zijner

evenknieën, omdat niet alleen uit zijn wèrk blijkt, dat bij op dèze

wijze psychologisch-begreep, maar hij ook heeft medegedeeld, dat en hoe

hij 't vermogen daartoe bezat. Ik doel hier op eenige weinige, maar veel

van hetgeen ik hier zei practisch toelichtende woorden uit zijn Facino

Cane, en 't zij mij veroorloofd de vertaling daarvan even uit mijn

eersten bundel Over Literatuur over te schrijven:

Bij mij was het opmerken intuïtief geworden,[8] het drong door

tot in de ziel zonder het lichaam te verwaarloozen, of beter

gezegd: het doorgrondde zoo goed de uiterlijke détails, dat het ook

onmiddellijk hun keerzijde begreep; het gaf mij het vermogen zelf

het leven van het individu te leven, met wien het zich bezighield,

door mij te veroorloven mij in zijn plaats te stellen, zooals de

derwisch der Duizend en een Nacht lichaam en ziel aannam der

personen over wie hij zijn tooverformulier uitsprak.

Noemde ik deze wijze de schoonste en machtigste, de daaraan

tegengestelde is niet slechts haar contrast, omdat zij de minst machtige

van de drie is, maar vooral wijl zij die van het bewust-begrijpen is,

het eindelijk-bereiken van het inzicht na vele wel-bewuste pogingen

daartoe, en dus niet de ontvangenis van het inzicht maar de

verovering ervan. Bij de eerste is zien en begrijpen één--hoe goed

teekent Balzac het plotse en wonderlijke gebeuren ervan als hij

zegt: "zooals de derwisch lichaam en ziel aannam der personen over wie

hij zijn tooverformulier uitsprak"--bij de tweede ontstaat het

begrijpen pas uit een min of meer langdurig denkproces; bij de eerste

wordt de psycholoog degeen dien hij begrijpt: hij begrijpt dien ander

uit dien ander-zelf; bij de laatste vergelijkt de psycholoog

dengeen, dien hij wil begrijpen, met zichzelf en begrijpt dien

ander--natuurlijk veel minder volkomen--uit zich-zelf. En nu is het

zeer opmerkelijk te zien, hoe ook hier weer de wijze, welke tusschen

deze beide ligt, die van London is: hij doet als eerste van een zekere

reeks psychologische inzichten vaak eene intuïtieve vondst, maar dan

houdt weer voor een wijl alle intuïtie bij hem op [p.225] en op dien

eenen intuïtieven grondslag bouwt hij dan vervolgens, aldoor

klaarblijkelijk puttend uit vergelijking met eigen psychische werkingen

en uit wat hem van elders uit de zielkundige behandeling van een

soortgelijk onderwerp bekend is, zijne verdere inzichten op, en dat

soms in een betoogachtigen trant, die levendig herinnert aan de

werkwijze der wijsgeerige logica: daar als premisse: het axioma;

hier als premisse: het intuïtieve inzicht.--

Zoo is het psychologisch doorgronden, dat het jonge wolfje den ingang

van het hol als "een muur van witheid" ziet,[9] een geniale en

intuïtieve vondst, maar bijna al het overige wat, in verband daarmede en

buiten dat verband, over het zich ontwikkelende bewustzijn van het jonge

wolfje wordt vertèld, is een naar de sfeer van het dierleven

overgebracht stuk psychisch menschenleven, zooals men zich dat altijd

heeft voorgesteld te zijn in de allereerste maanden, de

zuigelingmaanden, der ontwikkeling. Er treft hier niets als een geniale

vondst, die je een schok van bewondering zou geven, maar men wordt eene

koele schoonheid van geleidelijke ontplooiing gewaar, waarin men zich

kalm vermeit. En zoodra men terdege zijne gevoelens ontleedt, dan merkt

men, dat men wel bij eene vondst, als die van den "muur van witheid,"

het trillende en emotionneerende mooi der intuïtieve psychologie heeft

ontmoet--bewonderenswaardig èn door haar adelaargelijke, bliksemsnelle

manier van ontdekken èn door wat zij ontdekt--maar bij al dat andere

niet anders heeft genoten dan de strakke schoonheid van het logisch

denken, en wel die bepaalde soort ervan, welke men het logisch

hèr-denken zou kunnen noemen, dat niet schoon is door het vreemde, het

nieuwe, het bijzondere van wat het vindt, maar louter door zijn wezen

van logisch-denken-zelf; zooals voor een dalbewoner, die met een

verrekijker gewapend, een bergbestijger naoogt, die bergbestijger niet

schoon is door de schoonheid van den berg dien hij bestijgt, maar door

het menschelijk mooi van moed, lenigheid, spierkracht, en zekerheid, dat

tot zijn wezen behoort en zich toont in zijn gang en houding. En als

[p.226] ge nu eens goed en duidelijk het onderscheid wilt voelen--ik

hóóp althans, dat ge 't zult kùnnen--tusschen het schokkende,

overstelpende schoon der intuïtief-psychologische vondst en het

kalme, zich geleidelijk ontplooiende mooi der logische redenatie, die

een psychologisch verhandelinkje ten beste geeft, dan moet ge even het

einde van blz. 48 en het begin van 49 lezen. Ziehier (het wolfje

staat--op het punt van in zijns moeders afwezigheid het hol te

verlaten--in den "muur van witheid", in den uitgang):

Een groote vrees bekroop hem. Dat was nog meer van het vreeselijke

onbekende. Hij hurkte neer op het uiterste randje van het hol en

keek de wereld in. Hij was erg bang. Omdat het hem vreemd was, leek

het hem een gevaar. Daarom stond zijn haar op zijn rug overeind en

trok hij zijn lippen op in een poging tot een woest en

vreesaanjagend gegrom. Uit kleinheid en angst daagde hij de heele,

wijde wereld dreigend uit.

Hebt ge goed op dit stukje, hebt ge vooral goed op den door mij

gecursiveerden zin gelet? Op dat levende en levendige psychologisch

besef èn besef van verhouding? Trof u niet die laatste zin vooral, als

eene schitterende vondst, èn in doorgronding èn in zegging...?--Lees

nu even verder, een enkelen regel maar:

Er gebeurde niets.

Hij bleef kijken en in zijn belangstelling vergat hij te grommen.

Hij vergat ook bang te zijn. Vrees was tegelijk door Groei

overwonnen, terwijl Groei den vorm van Nieuwsgierigheid had

aangenomen.[10]

Dit laatste, niet waar, is louter het koeler mooi van het scherpzinnig

logisch-psychologisch verhandelen; de toon is interessant-doceerend en

gij-zelf komt in een staat van leerling-gewillig mooi-vinden. Deze

regels zijn dan ook voortzetting en slot van het een bladzij vroeger

gehouden betoogje: hoe "instinct en wet gehoorzaamheid van hem eischen,"

maar "de Groei, ongehoorzaamheid," zijn moeder en Vrees hem terughouden

van den "witten muur" en Groei daarentegen hem erheen drijft. En toch,

door uw koeler mooivinden heen voelt ge een warmer genot aanluwen: ja,

ziet ge, zooals ik reeds zei, ge hebt wel die ontleding der eerste

ontwikkelingsverschijnselen van het bewustzijn al zoo dikwijls gehoord,

maar wat ge nooit hadt gehoord of gelezen, is wat de schrijver hier

ermee doet: die ontleding toepassen op het bewustzijn van het dier.

Dit nieuwe, dit gewaagde en geslaagde nieuwe is het dat er die warmer,

die inniger bekoring aan geeft. Onze kunstenaar modelleert hier het

kostbare en zware kleed van oude logische schoonheid tot het

verrukkelijk past om de statuur van een nieuwen drager: een nieuw

gegeven....--Anders gezegd: de belichtende zon is helaas niet uit

zijn scheppershanden gekomen, maar de nieuwe vruchtvariëteit, die ge

ziet rijpen in 't licht, dankt wel degelijk aan zijn hovenierschap haar

ontstaan....--

* * * * *

Maar dan: heel dat koel docent- en verhandelaarsachtige verliest London,

zoodra hij gelegenheid krijgt zijne waarlijk-geweldige dramatische

kracht in 't spel te brengen; dan vergeet hij alles wat door anderen

geleerd is omtrent mensch- of dier-psychologie. Hij wordt de geniale

ontdekker en de stralend-levende beelder. Zie hem de sexueele

liefde dramatisch behandelen: het gevecht tusschen de drie

mannetjes-wolven om het wijfje. Hoe is hier alles leven en

waarachtigheid, in dien hoogen zin, dat het leven er zich in een nieuwer

en smetteloozer glans van waarheid ont-dekt; hoe krijgt hier het

vluchtig, hartstochtelijk en spannend moment een aspect van statig

eeuwigheidsleven, doordat de diepste grond der sentimenten wordt gezien.

Hier wordt niet geredeneerd, niet verhandeld; elke observatie van den

auteur is raak, want intuïtief en bliksem-hel door hem zelf gezien,

zóó gezien, dat in het uiterlijkheidsleven het innerlijk ligt onthuld.

Het is de waarlijk-lèvende, schèppende psychologie, die geen spraak

behoeft, omdat zij zichzelf beeldt; die geen logische denkmanier heeft

van noode, omdat zij de spontane logica, de logiek van het

natuurleven-zèlf is....

[p.228] Zie eens den ouden wolf in zijn ervaringswijsheid gebruik

maken van het oogenblik, dat zijn nog overgebleven jonge mededinger hem

onachtzaam de onbeschermde bocht van zijn hals toewendt, om in één

scheurenden ruk den grooten slagader door te bijten; zie de wolvin,

gevleid door het haar huldigende doodelijke minnespel "lachend"

zitten toekijken op het besneeuwde veld.... En is het u niet bij die en

de vele dergelijke tooneelen of op de u woest voorbij gezwaaide toorts

der dramatiek nu waarlijk de vlam der psychologie de verre

duisters doorschicht?

Let ook op de dramatiek der ouder- en kinder-liefde: de moeder roovend

de jongen uit het hol van de lynx, om in den tijd van hongersnood haar

nog overlevend wolfje te voeden; het gevecht met de lynx; of Pittah na

'n jaar zijn moeder weer ontmoetend: hij springt haar vroolijk tegemoet,

zij--een wolfmoeder vergeet haar jongen van een vorig jaar--herkent hem

niet meer en haalt hem vinnig den kop open. Lees, bij het allereerste

ontstaan van het jacht-instinct bij het jonge wolfje, zijn avonturen op

den eersten dag: na en nog midden-in al het docentachtige, geleerde

verhandelen over de eerste ontwikkelingsgang in het diertje, wordt door

de dramatische spanning van het door den kunstenaar London gebeelde

gebeuren, ook de kunstenaar in den psycholoog London gewekt: het vecht

en moord-genot in volle hevigheid van trillend leven in de ziel van het

wolfje voelt ge na: als hij het nest met de jonge vogels vindt, ze

verslindt en daarna den kamp met het moeder-sneeuwhoen onderstaat; zijn

schrik en zijn begrijpen van wat dit ook hem te leeren heeft, als hij

een "gevederde pijl", een havik, ziet neerschieten, het sneeuwhoen

grijpen en met het angstkrijschende dier in de klauwen opwaarts vliegen;

met nog op het einde dier magnifieke eerste-dag-episode, die scène van

moederliefde, als de wolvin haar kind, dat dreigt door een wezel te

worden doodgebeten, nog net bijtijds redt.--Bedenk ook wat een

prachtig-gave dramatiek en dus ook dramatisch zich uiten de

psychologie aan den dag treedt in dat tooneel tusschen den ouden wolf

Eénoog, verscholen achter pijnboomen, de lynx en het stekelvarken:

[p.229] Een half uur verliep--een uur--en er gebeurde niets. De

stekelbal had, wat onbewegelijkheid betreft, best van steen kunnen

zijn, de lynx van marmer; en de oude Eénoog had een dood dier

kunnen wezen. En toch waren de drie dieren vol intense spanning en

nooit waren zij meer levend geweest dan toen zij dood schenen.

Eénoog bewoog zich eventjes en staarde met toenemende spanning. Er

gebeurde iets. Het stekelvarken had eindelijk geloofd dat zijn

vijand was weggegaan. Langzaam, voorzichtig ontrolde het zijn

ondoordringbare wapenrusting--geen kwaad vermoedende.

Of let eens op heel dat hartstocht- en conflict-volle leven van Pittah

te midden der hem vijandige jonge honden in het Indianenkamp, en later

onder de tyrannie van den half-krankzinnigen, gedegenereerden "Mooien

Smit." Het is geen toeval dat juist de dramatiek in dit boek den

levenden en oorspronkelijken dierpsycholoog London pas in zijn

volle kracht doet verschijnen. Handeling van het dier lijkt ons

immers wel de eenige toegangspoort, waardoor wij tot zijn ziel kunnen

geraken, en wanneer die handeling culmineert in het conflict, staat

die poort wel het wijdst open. En dus, zoodra we dit bedenken, vergeven

we onzen schrijver graag, dat waar de felle, aan conflicten rijke

handeling nog ontbreekt, hij meer logische redeneeringspsychologie dan

levende, intuïtieve zielkunde geeft. We vergeven hem, maar--vergeten

daarom nog niet, dat de mèèst geniale intuïtie geenerlei toegangspoort

van noode heeft....--.

* * * * *

V

De "groote lijn" in het werk.

Is London's verdienste als psycholoog en dramatisch beelder van het

dierleven dus groot, hij zou er geen aanspraak op kunnen maken, de

grondlegger, en naast St. Mars, Chisholm e.a. een der meest beteekenende

schrijvers van het moderne dier-epos te zijn, indien hij niet [p.230]

waarlijk in Pit-tah een dier-epos hadde gegeven; indien hij niet

naast en doorheen de détails, ook de groote lijn in het oog hadde

gehouden en, niet tevreden met losse en, zooals de Engelschman ze noemt:

thrilling sketches uit het dierleven, een weloverwogen en, die eene fout

welke wij vroeger hebben opgemerkt daargelaten, uitstekend gecomponeerd

geheel had geschapen, dat opgang, middaghoogte en neergang van een leven

omsluit; een geheel, dat ook--en dit bedoel ik vooral met "de groote

lijn"--de geboorte, de stijging en den climax eener bepaalde gedachten-

en voorstellingengroep bevat. De gedachten-en voorstellingengroep

namelijk: hoe een natuurlijk-woest maar toch ook met liefdevollen aanleg

begiftigd dier, door de mishandeling der menschen en omstandigheden tot

een wezen van ònnatuurlijken en duivelschen haat vergroeit en hoe dan

weer de psychische verwrongenheid van datzelfde dier zich effent, recht

en opbloeit, onder den weldoenden invloed van goede menschen en gunstige

omstandigheden. Hierdoor heeft het boek een dieperen geestelijken

achtergrond gekregen, en men zal nimmermeer in verbeelding de vele

kleurige en boeiende tooneelen kunnen herzien, die zich afspelen vóór

dien achtergrond, zonder zich dien zelf als het allerschoonste te

herinneren. Want daar was, achter al dat wisselend en fel gebeur, een in

den aanvang nog ijl-wazig en vaag vertoonen, een vertoonen, dat zich

verduidelijkte al meer en meer, zoo dat het was, of elk tooneel, elke

figuur, als in bevallig spel, vóór te verdwijnen een lichtje neerzette

en achter liet, tot op het eind dat ijl-wazige en vage in den glans van

al die lichtjes hel-verklaard stond, en wij opgetogen begrepen wat het

ons wilde zeggen, neen wat het ons meer dan gezègd, wat het ons in en

door al die tooneelen had gebeeld: zich-zelf; want dóór heel dat

gebeuren bleek het nu voor onze oogen stillekens te zijn gegroeid, in

heel dat gebeuren zich langzamerhand te hebben verwerkelijkt, zoodat

wij eindelijk zagen wàt het is: de voorstelling, hoe en waardoor de

liefde ook in het meest hatende wezen dringt, hoe en waardoor zij dit

vervormt tot iets van zich-zelf, en het daarmee meteen al het hoogst

voor hem bereikbare geluk brengt.--

[p.231] Dit karakter van ons boek: een verhaal van <b>de overwinning der

liefde</b> te zijn, staat weliswaar in niet-prettige tegenstelling tot het,

betrekkelijkerwijs gesproken, kleine menschscheppend talent en den

geringen ernst, waarmede de figuur is gebeeld--de mijn-expert Weedon

Scott--die voor Pittah de personificatie dier zijn haat overwinnende

liefde is. Het is dan ook misschien wel het moeilijkste dat er bestaat:

de liefde, zelfs maar eenigszins, te personifieeren, zonder een tikje

zoetelijk te worden--de figuur van "Mooien Smit," den duivel van

Pittah's hel, is dan ook beter geslaagd--maar omdat deze minder gelukte

menschbeelding voorkomt in een dierverhaal, en het dier- en

natuur-verhaal in onze meer-onbewuste verbeelding aan het sprookje is

verwant, waarin wij, zooals van zelf spreekt, 't nooit zoo nauw met de

levenswaarheid der menschkarakters hebben genomen, oefent deze

omstandigheid zoo min als de slecht-romantische toevalligheid van de Jim

Hall-episode op het einde, een bepaald-storenden invloed uit; en op stuk

van zaak verhóógen déze tekortkomingen misschien nog wel de bekoring van

het verhaal, die immers over 't algemeen aan het kinderlijk-aanvallige

der naïveteit niet vreemd is.--En hiermee zij dan de behandeling van

Pittah de grijze Wolf beëindigd.

Noten:

[0] Men zie het Voorwoord bij het didactisch gedeelte van mijn eersten

bundel Over Literatuur, mede ter verklaring van den gemeenzamen stijl en

de moraliseerende uitweidingen in de volgende artikelen.--

[1] Pittah, De Grijze Wolf, door Jack London, naar het Engelsen door

S.J. Barentz-Schönberg.

[2] Een en ander heb ik indertijd in Het Jonge Leven aan één fabel uit

het Pancatantra en één uit Aesopus gedemonstreerd. De beschikbare ruimte

liet mij echter niet toe, ook hier beide verhalen te citeeren.

[3] Men zie hierover Herman Gorter's vermaarde essai: Kritiek op de

Literaire Beweging van '80 in Rolland.

[4] Cursiveering van den schrijver.

[5] ibidem.

[6] De laatste meester van Pittah, een ingenieur, die een liefdevol dier

van hem maakt.--

[7] Uitsluitend in Het Volk, dus in vertaling, maar kon ik derhalve,

zooals ik op blz. 213 zei, niet met afdoende zekerheid beslissen aan

wien, schrijver of vertaalster, de toen gesignaleerde beeld- en

taalmalligheden waren te wijten, het is duidelyk, dat de thans

aangewezen schrijverseigenaardigheden onmogelijk die der vertaalster

zouden kunnen zijn.

[8] Cursiveering ran mij.--

[9] Cursiveering van mij.

[10] Cursiveering van mij.

* * * * *

[p.232]

BEATRIJS [1]

Inleiding

I

Welk een enorme sprong! Van Pittah, de grijze Wolf, naar--de sproke

van Beatrijs.... Van den modernen Amerikaan uit het land van

fabelachtige weelde en den ongebreidelden levenshonger der felle

aarde-genieters, naar den middeleeuwschen smachter-naar-God, den

hemel-verwachter en -verlanger, den sobere van zeden en behoeften; van

den dichter van het dier-epos naar dien van het God-verheerlijkend

dicht. De afstand moge hem het grootst lijken, die gewend is de dingen

louter naar hun uiterlijk te waardeeren, toch: wat 'n sprong! En ik wil

je allen wel zeggen, dat ik hem 'n twintig jaar geleden niet zou hebben

gewaagd, bevreesd als ik zou zijn geweest, dat ik, na mijne heldendaad

mij omwendend, mijn heele mij zoo dierbare gezelschap van volgelingen

zou hebben gezien, zich wringend van 't lachen aan de overzijde van den

oversprongen afgrond, en, in stede van mij te volgen, mij uitjouwend om

mijn malle daad. "Wie heette jou te springen, jij nar," zoo zouden mijne

geliefde vakbroeders en -zusters mij ongetwijfeld achterna-gehoond

hebben, "wie heette jou te springen [p.233] van uit ons moderne

goed-beloopbaar landje, òns

landje-van-Multatuli-Büchner-kracht-en-stof-Dageraads-atheïsme, enz.

enz. enz., naar dat ongelukkige strookje drijfzand van middeleeuwsch

bijgeloof, waar je je dood om kan gieren als je 'r alleen maar 'an

denkt; dien dommen tijd, toen ze zoo niks wisten en aan God en den

duivel, aan spoken en heksen geloofden. Dag! We groeten je, veramuseer

je in je eentje!" ....--En nòg, nù, nà die twintig jaar, en terwijl het

plàt- en stòm-materialistisch getij zoo heerlijk aan het verloopen is,

nòg zou ik geaarzeld hebben; want, moge er al eene enorme verbetering

zijn ontstaan, woont niet nog altijd de arbeider aan den zelfkant van

het geestelijk leven? Welk een storm moet niet zelfs heden ten dage in

het centrum opsteken, wil hij daar aan dien uitersten zoom, een vleugje

voelen tegen het hoofd! Maar, lieve vrienden en vriendinnen, schoon ik

derhalve wel weet, dat velen uwer nog altijd veel te vol van eene

zonderlinge levenszekerheid zijn; dat het leven hen nog immer al te

raadselloos is, en dat hunne zekerheid òf door eene naïeve

onwetendheid wordt gedragen, òf door de, overigens natuurlijke, pratheid

op het jonge bezit van wat uitsluitend practisch-maatschappelijke kennis

wordt gestut, wat kennis, die vaak--en hoe kan 't anders na zoo

zorgelijke jeugd!--zoo weinig om het lijf heeft, dat ze zich heel het

leven precies zoo naakt, zoo open en duidelijk denkt als

zichzelf--ofschoon ik dit alles wel weet ... daar werd me een boekje

gezonden met de vraag: "Zou je dat niet eens willen behandelen in Het

Jonge Leven?" Ik bekeek het boekje en toen, onmiddellijk, werd mij de

verzoeking al te groot: òf ik 't wilde, en hoe graag! En bovendien: ik

bekeek ook den breeden rug van den zender en bedacht plots met gnuivend

genoegen, dat die best de helft zou kunnen dragen van mijne misdaad, te

spreken over mystiek, middeleeuwsch godsgeloof en een middelnederlandsch

gedicht. En zoo besloot ik, u met dit alles--schoon niet dan

betrekkelijk vluchtig--op het lijf te vallen. Hoe het boekje heette, ja

dat weet ge nu al; uw nieuwsgierig gezicht geldt natuurlijk den breeden

rug.... Welnu ... maar sjt! hoor ... die rug was van Henri Polak....--

Noot:

[1] Naar aanleiding van: "Beatrijs, Het Middelnederlandsch Gedicht in

Proza naverteld" door B.J. Spitz. "De Zonnebloem" Apeldoorn, 1916.

* * * * *

[p.234]

II

Over literatuur Critisch en didactisch, tweede bundel · 第 17 / 22 段