"Soudic beten1) op dat velt, [1) Zou ik afstijgen]
Ghelijc enen wive die wint gelt
Dorperlyc1) met haren lichame, [1) snoodelijk]
Seker soe haddic cleine scame!
Dit en ware U niet ghesciet1) [1) Dat zoudt ge mij niet hebben voorgesteld]
Waerdi van dorpers aerde niet.1) [1) Indien ge niet de aard van een boersch-ruwen kerel hadt]
Ic mach mi bedinken onsochte,1) [1) Mij grieft die gedachte]
Godsat hebdi diet sochte!1) [1) Ge verdiendet dat God's haat U trof]
Swighet meer deser tale,1) [1) Houd voortaan zulke taal voor u]
Ende hort die voghele inden dale,
Hoe si singen ende hem vervroyen,1) [1) zich verheugen]
Die tijt sal U te min vernoyen.1) [1) De tijd (dat ge nog wachten moet) zal U dan minder verdrieten]
_Alsic bi U ben al naect
Op een bedde wel ghemaect,
Soe1) doet al dat U ghenoecht,2) [1) Dan. 2) aangenaam is]
Ende dat uwer herten voeght;1) [1) En dat U lust]
Ic hebs in mine herte toren
Dat ghijt mi heden leit te voren._
[p.247] Zie nu eens, vrienden, hoe zuiver-mooi dit alles is: in weinig
trekjes, louter in de woorden door Beatrijs-zelve gesproken, slaagt
onze dichter, zonder eenige toelichting zijnerzijds, erin, haar
geheele reine innerlijk ons te doen zien. Hij sprak van "vleescheliker
zonde" zooeven--wij verstaan nu, dat dit "vleeschelike" in haar, niet
sexueele lust beteekent, máár: lichamelijk verlangen, gewekt door de
geestelijk-menschelijke liefde tot haar lief! Sla nog eens op, hetzij
in mijn eersten bundel Over Literatuur, hetzij in Het Jonge Leven,
wat ik indertijd over Geertje schreef! En zie het onderscheid tusschen
sexueele lust en sexueele liefde. Zijn Geertje en Beatrijs geen
zusters? "Zondigen" zij beiden uit overgroote liefde niet. Vereenigen
zich hier over den afgrond der eeuwen de beide zuster zielen niet? Bij
beiden spreidt de heilige-in-hen over de zondares-in-hen één
waardigheid.... Dit wat het eerste cursief betreft. Wat het tweede
aangaat: dit is grof en plat, nietwaar?... Ja, het is bijna even grof en
plat--schoon op geheel andere wijze en in oneindig edeler
sfeer-van-gebeuren--als die mededeeling van Dante in zijn Hel, dat de
Overste der duivelen het sein voor zijne trawanten om op te trekken gaf,
doordat hij "van zijn achterste een trompet maakte." Onze dichter had
Beatrijs ditzelfde anders kunnen doen zeggen en Dante had ditzelfde
anders kunnen zeggen. Zij deden het niet. Waarom? Om deze eenvoudige
reden, denk ik: Als men iets weergeeft of afbeeldt, moet men dat op zoo
eenvoudige èn sterke wijze doen als maar mogelijk is, want mede
dáárdoor zal de uiting het best bij de geconcipiëerde waarheid
passen. De groote dichter, de groote schrijver handelt aldus van zelf;
moet aldus handelen. Waarom zou hij trouwens pogen het niet te doen?
Uit ethische overwegingen? Maar dat kàn toch niet: hij, die immers op
dien oogenblik de dingen op het verheven plan van noodwendigheid,
waarheid en schoonheid ziet, kan toch geen onreinheid bemerken,
daar op dat plan er geen onreinheid in wat ook aanwezig is. Ik sprak
van Dante in dit verband, maar had zeker met niet minder recht van den
Bijbel en àlle geweldig-groote literatuur kunnen spreken.--Keeren we tot
het verhaal terug. De jongeling schaamt zich en zweert, dat [p.248] hij
hiervan nooit meer spreken zal. Zij vergeeft het hem gaarne: al zou de
schoone Absalom nog bestaan, en zij er zeker van zijn, duizend jaren
gelukkig met hem te leven, zij zou voor hem haar lief niet laten. Ja,
zegt ze:
"Waric1) in hemelrike gheseten, [1) Ware ik]
Ende ghi in ertrike1) [1) Op 't aarderijk]
Ic quame tot U sekerlike.
Om dan voort te gaan met deze psychologisch-prachtig door den dichter
aangebrachte wroegingswending:
Ay God, latet onghewroken
Dat ic dullyc1) hebbe gesproken [1) dwaselijk]
Der minster vroude1) in hemelrike [1) de minste vreugde]
En es hier ghene vroude ghelike;1) [1) Daaraan is nier geen vreugde gelijk.]
Waarna zij, na de hemelsche vreugde in nog eenige regelen geprezen te
hebben, in de innige, door mij gecursiveerde, vol van overvloeienden
weemoed en teederheid zich weer, als aanvlijend, tot haar lief keert:
"Diere om pinen die syn vroet:1) [1) Die er voor zwoegen (om den hemel te verwerven) die zijn verstandig]
Al eest1) dat ie dolen moet [1) is het].
Endemi te1) groten sonden keren [1) tot]
Dore U, lieve scone jonchere."
Terwijl nu het gesprek-der-verliefden tusschen hen heen en weder gaat,
vordert hun reis, en, zoo verhaalt nu de dichter kortelijk, komen zij
aan een stad, die schoon gelegen in een dal was. Zij bleven daar zeven
jaar en leidden er een weelderig leven. Maar eindelijk raakte het
medegenomen geld op, zoodat ze al hunne kostbaarheden moesten verpanden
of voor de halve waarde verkoopen, en toen ook dit alles was opgeteerd
wisten zij niet meer waarvan te leven. Zij verstond geen enkel
ambacht--teekenend is hier, hoe de dichter klaarblijkelijk [p.249]
als van zelf sprekend aanneemt dat de lezer wel zal begrijpen, dat de
rijke minnaar geen loonende bekwaamheden bezat!--en tot overmaat van
ramp, dreef schaarschte de prijzen der levensmiddelen omhoog. Hun trots
verbood hen, anderen om brood te vragen. En het weer zeer natuurlijke
en gewoon-menschelijke gevolg van dit alles was, dat:
Die aermoede maecte een ghesceet1) [1) scheiding]
Tusschen hen beiden, al waest hen leet.
(Een waarheid, die ook in den nieuweren tijd, blijkens het spreekwoord
"Leege kisten maken twisten" niet onbekend is). En toén bleek dat de man
niet die trouw en standvastigheid van ziel bezat, welke hij zich-zelf
had toegekend. Hij reisde terug naar zijn land en liet haar, in het
nijpendst gebrek, met "Twee uter maten scone kinder" achter.--En nu, o
mijne proletarische erfgenamen van dit schat-rijke legaat der
Middeleeuwen, vergunt, dat uw ietwat droge, boedelbeschrijvende notaris
hier zijn ceel onderbreke voor ditmaal!... Waarmede ik, in andere
woorden, zeggen wil, dat, schoon ik het betreur, middenin de behandeling
der middelnederlandsche Beatrijs te moeten pauseeren, dit nu eenmaal
niet anders kan, omdat ik al ver mijn ruimte heb overschreden.
* * * * *
IIIa
Vrienden! even een waarschuwing en een raad vooraf! De--ondiplomatieke
--waarschuwing is: dit artikel is wat moeielijk! De raad: lees je-zelf
de "moeielijke" plaatsen vóór, met strikte inachtneming mijner
accenten en cursiveeringen. Dan hoor je ongeveer, wat ook ik,
innerlijk, heb gehoord. Dan zal het net zijn, of de schrijver-zelf of
een ander, die het stuk volkomen verstaat, het je voorleest, en je zult
zien: het gaat open voor je. Maak den geschreven inhoud tot een
jùist-gesprokenen en--ge begrijpt hem! Hoe ervaar ik dat op den
leesclub-cursus! (Maar het is trouwens een vaak
proefondervindelijk-[p.250] bewezen feit). Door de juiste intonatie,
waarmede ik--overigens afgrijselijk leelijk--een moeilijk maar schoon
vers voorlees, wordt dit ook door hen begrepen, die er daarzonder
allicht niet veel van zouden hebben gevoeld. En ofschoon bij u dat
met-de-juiste-uitdrukking-lezen, aanvankelijk niet anders dan een
als-machinaal volgen mijner accenten en cursiveeringen kan zijn--let
op mijn woorden: het wordt dra een begrijpen! Maar komaan, nu
beginnen we:
Thans door haar minnaar verlaten, vervalt Beatrijs tot de diepste
ellende en vernedering. Eerst willens gezondigd hebbende, wordt zij nù
gedwongen dat zondige te doen. Wat genot wàs, wordt nu de straf
van het genot. Noodbezwaard, verlaagt zij zich thans tot een publieke
vrouw, die van de opbrengst harer ontucht leeft. Die straf echter zoude
geen delgende en weldoende straf zijn geweest, indien ten eerste,
zij-zelf die niet als zoodanig hadde gevoeld, en, ten tweede, niet de
samenhang ervan met hare daden, d.w.z. de rechtvaardigheid ervan,
hadde beseft. Want hoe zoudt ge kunnen worden gelouterd door een
straf, die niet dan wrokgedachten in U wekt? Derhalve--en alweer zei
ik u dit alles slechts om de nu volgende literair-critische opmerking te
maken:--indien dus de dichter niet ervoor had gezorgd, dat Beatrijs èn
het een èn het ander begreep, dan zou hij een slecht en onwaarachtig
dichter zijn geweest, want in plaats van een figuur te scheppen, die
heilige en zondares is, zooals hij bedoelde, zou hij er slechts eene
hebben geschapen, die alleen zondares is en dat blijft; en niet alleen
dat die figuur dan niet zou hebben geleefd voor ons, in de sfeer van
het verhaal waarin zij geplaatst is, maar ook--en ik wees u reeds de
vorige maal op iets dergelijks--de begenadiging van haar met een
mirakel zou ons volkomen onverstaanbaar zijn geworden. En al naar
onzen aard zouden wij hebben gedacht, òf: dit alles is
quasi-dichterlijke malligheid, òf dit is een van die goddelijke
willekeuren, die geenerlei weerklank in mijn menschelijk gemoed
wekken. Doch luister nu maar even, hoe onze zuivere dichter daar wèl
voor gezorgd heeft, onze dichter, die, hoe vreemd de moderne term
toegepast op dezen naïeven middeleeuwer ook moge klinken, tevens een
waarachtig menschenschepper was.
[p.251]
Si sprac: "Hets1) mi comen toe,2) [1) Het is 2) mij overkomen]
Dat ic duchte spade ende vroe1) [1) laat en vroeg = altijd]
Ic ben in vele doghens1) bleven:2) [1) lijden 2) achtergebleven]
Die ghene heeft mi begheven,
Daar ic mi in trouwen toe verliet.1) [1) Spitz vertaalt uitmuntend: "hy, op wien ik in volkomen overgave vertrouwd heb"]
Maria, vrouwe, oft ghi ghebiet,1) [1) indien het u behaagt]
Bidt vore mi ende mine jonghere1) [1)kinderen]
Dat wi niet en sterven van honghere.
Wat salic1) doen elendech wijf? [1) zal ik]
Ic moet beide siele ende lijf
Bevlecken met sondeghen daden.
Maria, Vrouwe, staet mi in staden!1) [1) Sta mij bij]
Al constic1) enen roc2) spinnen2) [1) kon ik 2) aan het spinrokken werken]
Ic en mochter niet met1) winnen [1) ik zou er niet mede kunnen]
In tween weken een broet,1) [1) brood]
Ic moet gaan dorden1) noet2) [1) door den 2) nood (gedwongen)]
Winnen buiten stat op toelt1) [1) buiten de stad op het veld]
Met minen lichame ghelt,
Daer ik met mach copen spise,1) [1) Waarmee ik voedsel kan koopen]
Ic en mach in ghere wise1) [1) in geen geval]
Mine kinder niet begheven."1) [1) hulpeloos laten]
Dus ghinc si in een sondech leven;
Want men seit ons over waer,
Dat si langhe seven jaer,
Ghemene wijf ter werelt ghinc,
Ende meneghe sonde ontfinc,
Dat haer wel was onbequame,1) [1) onaangenaam]
Die si dede metten lichame
Daer si cleine gheneuchte1) hadde in, [1) weinig genot, d.i.: in verband met het vorige "onbequame": geen genot]
Al dede sijt1) om een cranc2) ghewin, [1) Zij het 2) gering]
Daer1) si haer kinder met1) onthelt.1) [1) 1) Waarmee ... onderhield]
Wat holpt al vertelt,1) [1) Waartoe dient het te vertellen]
Die scamelike sonden swaer1) [1) Schaamtewekkende en zware zonden]
Daer si in was .XIIII. jaer?
En ongetwijfeld, de dichter ziet het weer zeer juist in: hij hoeft ons
dat alles niet te vertellen en hij mag het zelfs niet, want dàn zou
[p.252] dit zoet-teere, heilige mirakel-verhaal al te zeer vergroofd
worden en daarmede onze zachte stemming van niet-smarteloos en óók
niet-vreugdeloos meeleven worden gedeerd. Wij moeten namelijk, zoo wil
de dichter het natuurlijk, wel menschen blijven, maar toch menschen,
zoo weinig hartstochtelijk-geschokt, dat we den uit zijn
mirakelverhaal neerdauwenden goddelijken vrede kunnen genieten!
Intusschen, ge hebt nu in de cursieven van mijn citaat de juistheid
kunnen ontdekken van al wat ik tevoren had gezegd. Beatrijs begrijpt de
samenhang van het haar treffende leed met hare daden, zij--iemand van
hare levensbeschouwing--begrijpt het dus als rechtvaardige straf. Zij
voelt: ze heeft niet alleen haar kuischheidseed gebroken, maar ook--zij,
de religieuse!--te zeer op een mènsch vertrouwd. Tevens zegt ons de
dichter, hoezeer zij haar leven als leed en straf voelt. Zij schept er
geenerlei behagen in. Dat alles kunt gij vinden in mijne cursieven. Maar
in één dezer is nòg een voorname schoonheid, waarop ik u wel
afzonderlijk behoor te wijzen: doordat onze dichter Beatrijs beeldt als
eene, die de zwaarste zonde pleegt ter wille van haar kinderen,
slaagt hij er in, hier zulk eene allerinnigste versmelting van
heilige en zondaar te bereiken, als hij tot dan nog niet had
bereikt.--
En dàn komt de wondere keer in haar leven:
Als die .XIIIJ. jaer waren ghedaen
Sinde1) haer God int herte saen2) [1) Zond 2) spoedig]
Berouwenesse alsoe groet1) [1) groot]
Dat si met enen swerde1) al bloet2) [1) zwaard 2) bloot]
Liever liete haer hoet1) afslaen [1) hoofd]
Dan si meer sonden hadde ghedaen
Met haren lichame, alsi1) plach2) [1) 1) Zooals zij gewoon was]
Gij hebt dus nu deze twee dingen o.a., in ons gedicht zien gebeuren, die
ge, zoo ge u in het denkleven van onzen vromen dichter verplaatst,
aldus begrijpt: Beatrijs heeft genietend kwaad gedaan, en door
datzelfde kwaad wordt haar tot straf nu leed veroorzaakt. Beatrijs
heeft veel goeds bedreven--gebeden tot Maria; uit liefde gezondigd;
zich voor [p. 253] hare kinderen opgeofferd; haar hart kuisch
gehouden--en daarom wordt haar dit sterke berouw in 't hart gezonden.
Welnu, wat ge hier gezien hebt, is: een van de diepe begrippen der
godsdiensten, in een naief-schoon beeld belijfd. Het is het begrip dat
alles wat den mensch treft, tot hem wordt aangetrokken door zijn
eigen gesteldheid en zelfs iets van het aan-hem-zelf-ontstegene moet
zijn. Vergunt mij de poging, u dit alles duidelijk te maken door dìt
beeld: de regen, die op de aarde neerkomt, wordt aangetrokken door
haar; de regen, die op het dorstige land neerkomt, was ten deele eerst
dit land-zelf ontstegen, terwijl het dorren ging en onmachtig
werd. En toch, en niettemin, hoe schoon en diep eene gedachte dit zij:
in de denksfeer van sommige dierzelfde godsdiensten, welke, zich
veredelend, tot in het hart-zelve der Eeuwigheid schenen te dringen, is
er een veel zuiverder begrepenheid, in welks glans, de begrippen
"zonde", "straf" en "belooning" vale uiterlijkheden worden, een
vergane kleedij. En vóór het eind van dit artikel wil ik u toch ook
dáártoe iets nader brengen. Vervolgen we thans eerst nog ons verhaal.
Beatrijs bidt nu herhaaldelijk en vele dagen lang tot Maria en verlaat
daarop de stad van haar geluk en haar ellende.
Si nam een kint in elke hant
Ende ghincker1) met1) dor dat lant [1) 1) ging er mee]
In armoede, van stede te stede,
Ende levede bider beden1) [1) En leefde van aalmoezen]
Soe langhe dolede1) si achter2) lant, [1) doolde 2) door het]
Dat si den cloester weder vant1) [1) vond]
Daer si hadde gheweest nonne;
Ende quam daer savons na der sonne
In ere1) weduwen huus, spade2): [1) eener 2) laat]
Daer bat si herberghe dor ghenade
Dat si daer snachts mochte bliven.
"Ic mocht U qualyc verdriven,"1) [1) Het zou mij slecht passen, U weg te jagen]
Sprac die vrouwe, "met uwen kinderkinen;
Mi dunckt dat si moede scinen,1) [1) blijken]
Rust U, ende sit neder,
Ic sal U deilen weder1) [1) Ik zal met u deelen]
[p.254]
Dat mi verleent onse here,
Doer siene lieven moeder ere.1) [1) Zijn lieve Moeder ter eer]
Dus bleef si met haren kinden,
Ende soude gheerne1) ondervinden2) [1) gaarne 2) te weten komen]
Hoet inden cloester stoet1) [1) Hoe het met het klooster ging]
--"Segt mi," seitsi,1) "vrouwe goet, [1) sprak zij]
Es dit covent van joffrouwen?"1) [1) Is dat een nonnenklooster?]
"Jaet,"1) seitsi "bi miere trouwen2) [1) Dat is het 2) en ik geloof zeker]
Dat verweent es1) ende rike [1) Dat er zeer ruim wordt geleefd]
Men weet niewer1) sijns ghelike: [1) nergens]
Die nonnen diere1) abijt2) in draghen, [1) die er 2) kloosterkleed]
Ic hoerde nye1) ghewaghen2) [1) nooit 2) gewag maken]
Van hen negheen gherochte1) [1) eenig (kwaad) gerucht]
Dies1) si blame2) hebben mochten [1) waarvan 2) blaam]
Beatrijs verwondert zich natuurlijk grootelijks over deze mededeeling.
Zij denkt immers, dat hare schande: ter wille van een man het klooster
te hebben verlaten, wijd en zijd is bekend geworden, en
behoedzaam--merk hoe natuurlijk-levendig ook hier de dialoog is, en
overeenkomstig de situatie--poogt zij door tegenspraak eenige
opheldering van haar gastvrouw te krijgen. Zij had toch gehoord, zegt
ze, dat veertien jaar geleden een non, die kosteres was, heimelijk het
klooster verliet en men nooit vernam, in welk land zij leefde of
gestorven was. Maar nauwelijks heeft zij dit gezegd, of haar gastvrouw
wordt zeer boos en zegt, dat Beatrijs haar wel voor krankzinnig moet
houden, dat zij tegenover háár zóó durft lasteren: juist die kosteres,
van wie ze zoo schandelijk spreekt, is de deugdzaamste en
geestelijkst-levende non van alle kloosters, die maar tusschen de Elbe
en Gironde staan. Als Beatrijs het nog éénmaal mocht wagen, zoo iets te
zeggen, zal ze haar de deur wijzen. Beatrijs, hier voor 'n voor haar
onoplosbaar raadsel staande, verzoekt haar gastvrouw, haar de namen van
vader en moeder dier voortreffelijke kosteres te noemen. En dàn hoort
zij--die van hare eigen ouders!--Dien nacht eenzaam op haar kamer,
versmelt zij in tranen en gebed, en midden haar bidden door slaap
overvallen ziet zij een visioen, en een stem spreekt,tot haar:
[p.255]
"Mensche, du heves1) soe langhe gecarmt2) [1) ge hebt 2) gekermd, gesmeekt]
Dat Maria dijns1) ontfarmt; [1) zich over U]
Want si heeft di verbeden1) [1) Zy heeft vergiffenis voor U afgebeden]
Ganc1) in den cloester met haestecheden: [1) Ga]
Du vints1) die doren2) openwide, [1) Gij vindt 2) de deuren]
Daer du uut ginges ten selven tide
Met dinen lieve, den jhonghelinc,
Die di inder noet ave ghinc.1) [1) Die U in den nood verliet]
Al dijn abijt1) vinstu2) weder [1) Kleederen 2) vindt ge]
Ligghen opden1) outaer1) neder: [1) 1) op het altaar]
Wile,1) covele2) ende scoen [1) Sluier 2) hoofdkap]
Moeghedi1) coenlyc2) ane doen. [1) kunt gij 2) moedig, rustig]
Des1) danc hoeghelike2) Marien, [1) Daarvoor 2) hoogelijk]
Die slotele1) van den sacristien, [1) Sleutels]
Die du vor tbeelde1) hincs1) [1) Het beeld hingt]
Snachs, doe1) du ute ghincs, [1) toen]
Die heeft si soe1) doen bewaren, [1) zoo]
Dat men binnen .XIIII. jaren
Dijns nye en ghemiste, [1) U nooit miste]
Soe dat yemen daer af wiste. [1) Zoodat niemand er iets van wist]
Maria es soe wel dijn vrient,
Si heeft altoes vor die ghedient
Min no meer na dijn ghelike,1) [1) Geheel in uwe gedaante]
Dat heeft de vrouwe van hemelrike,
Sonderse1) dor2) di ghedaen. [1) Zondares 2) voor]
Si heet1) di inden cloester gaen; [1) beveelt]
Du en vints nyeman1) op dijn bedde [1) Gij vindt niemand]
Hets1) van Gode dat ic di quedde2) [1) Het is 2) aanspreek]
Beatrijs, ontwaakt, twijfelt eraan, of het niet de duivel was, die haar
met bedrieglijk-hemelsche stem heeft toegesproken, om haar daardoor des
te dieper in het verderf te storten. Zij smeekt daarom God, dat indien
die stem waarlijk van Zijnentwege en ten goede tot haar kwam, zij zich
andermaal en ten derden male haar doe hooren. Dit gebeurt, weer verneemt
zij het troostend bevel, maar zij durft nog niet, zij kan het nog niet
wagen: de zaligheid en het wonder zijn haar te groot. Ten derden nacht
blijft zij nu wàken, en dan, terwijl [p.256] zich de nu veel dringender
bevelende stem weer doet hooren, wordt tevens de kamer van een geweldig
licht vervuld. Nu twijfelt zij niet langer, en dan schrijft de
eenvoudig-zuivere dichter dit stukje, waarvan ik u het schoonste en
diepst-ontroerende cursiveeren zal.
Si seide: "Nu en darf mi1) niet twien2) [1) Nu mag niet ik meer 2) twijfelen]
Dese stemme comt van Gode,
Ende es1) der maghet Marien bode, [1) is]
Dat wetic1) nu sonder hone; [1) weet ik]
Si comt met lichte soe scone.
Nu en willic1) des niet laten: [1) wil ik]
Ic wille mi inden cloester maken;
Ic saelt1) oec2) doen, in goeden trouwen, [1) zal het 2) ook]
Opten troest1) van onser vrouwen2) [1) Met volkomen betrouwen op 2) Onze Lieve Vrouwe]
Ende wille mijn kinder beide gader
Bevelen Gode onsen Vader:
Hi salse wel bewaeren."
Doe toeeh si ute1) al sonder sparen2) [1) Toen trok zij uit 2) dralen]
Haer cleder, daer sise met decte1) [1) waarmee zij hen dekte]
Liselike1) dat sise niet en wede. [1) Zachtjes]
Si cussesse1) beide aen2) haren2) mont; [1) kuste hen 2) 2) op hun]
Si seide: "Kinder, blijft ghesont:
Op den troest van onser vrouwen1) [1) Mij verlatend op onze Lieve Vrouwe]
Latic1) U hier in goeder trouwen; [1) Laat ik]
En hadde si mi niet verbeden,1) [1) Hadde zij het mij niet zoo overredend bevolen]
Ic en hadde u niet begheven1) [1) niet verlaten]
Om al tgoet1) dat Rome heeft1) binnen."2) [1) den rijkdom 2) bezit].
De dichter, zien wij dus, is er in geslaagd, op zijne eenvoudige en
naïeve wijze, de moederliefde, in beeld en handeling, zoowel te
midden van leed en vernedering, als te midden der overweldigende glans
eener goddelijke en miraculeuse redding, voor ons te doen leven. Zijn
opge-togenheid over de gòddelijke liefde heeft hem de smartelijke
vreugde noch den adeldom van de mènschelijke doen vergeten. Er is geen
grooter lof voor een dichter noch een mensch....--
[p.257] De volgende maal zullen wij de behandeling dezer Beatrijs ten
einde brengen--er volgt nog veel schoons--laat mij thans nog even
beproeven te doen wat ik straks beloofde. Ik zei: er is een religieuse
denksfeer in de hoogst-veredelde godsdiensten, waar de begrippen
"zonde", "straf" en "belooning" vale uiterlijkheden worden, een vergane
kleedij. En ik zou pogen U tot dit alles iets nader te brengen.--Welnu:
beproeft eens alles wat bestaat als uw gelijken te zien; poogt eens
U-zelf, gedurende weinige oogenblikken, van uw eerbied voor uwe
leiders en geestelijk-meerderen te ontdoen; poogt U-zelf van uwe
geringschatting voor uw minderen te ontdoen; denk aan niets, niets
anders, dan dat zij leven als gij, onderhevig aan ziekte zijn als
gij, speelballen van het lot zijn als gij; zie dan buiten den
geweldigen ring der menschheid naar de nog talrijker wezens, de dieren
en de planten die haar, òpstijgend en zich rekkend naar de levenszon,
omringen: weer ziet ge hetzelfde, zij leven als gij, zij sterven als
gij. Wat ziet ge dus als datgene, waarin zij alle samenkomen? Het
leven, de dood en de afhankelijkheid, niet waar? En wat ziet gij
als hunne onderlinge verschillen? Een, grovere of fijnere,
gradueering van hunne vermogens niet waar? Den een--bepalen we ons nu
tot de menschheid--noemt gij dwaas; den ander verstandig; een derde
wijs. Maar allen bij elkaar, de machtigen en de geringen, trots al hunne
onderlinge verschillen, ziet ge nu toch niet anders dan als heel kleine
kinderen, in de armen van dien éénen, oneindigen God-Vader, het Leven.
Denkt U nu eens, dat dit Goddelijke Leven de altijd door werkende
evolutionnaire tendenz heeft: van den dwaas een verstandige, van den
verstandige een wijze te maken; dat het Leven daartoe allerlei middelen
aanwendt, die òns aangenaam of omaangenaam aandoen; ja dat het
Leven-zelf met dat doel héél ons actief-zijn en heel ons
passief-zijn onverwrikbaar predestineert. En dan ziet ge plots en
duidelijk, dat wat wij "straf" noemden, slechts een van die òns
onaangename middelen ter opvoeding, ter verhooging, en nièts
ànders, is, en wat wij "belooning" noemden: een van die òns aangename
middelen, evenzeer ter opvoeding en verhooging en tot nièts ànders. En
hieruit begrijpt ge tevens [p.258] dat de termen "straf" en "belooning",
voor zoover men ze niet afgescheiden van het begrip "vergelden" kan
denken, hier ònjuiste termen zijn: het Leven vergeldt niet, dat doet
slechts de wraakgierige, of gevleide, of dankbare mensch. Het Leven
kent ook geen "zonden" en "deugden." Het kènt niet anders dan graden
van ontwikkeling, die in hoogere graden moeten overgaan; het wil
niet anders dan: groei.
Ongetwijfeld, ge bemerkt 't allicht nu reeds: hier rijzen tallooze
vragen, hier doemen tallooze moeielijkheden op. Welnu, ik wensch U,
moogt gij spoedig zoozeer groeien, dat gij U met hart en ziel aan het
vinden van een antwoord-voor-Uzelf wijden wilt.--Allicht zult ge nu
intusschen hebben begrepen--wat kan ik voor U zijn, als ge mij niet
kent?--dat wanneer ik, een aanhanger van deze religieuse en wijsgeerige
denkwijze, mij in de verhoudingen van: "straf", "belooning", "zonde" en
"genade" verdiep, ik dat alleen doe, om het wezen van een ander te
begrijpen, zooals hier dat van onzen middeleeuwschen dichter, maar dat
voor mij deze begrippen hebben afgedaan.
* * * * *
IIIb