En vrienden, laat mij 't maar bekennen: er zit in deze scherts meer

ernst dan een scherts wellicht te herbergen betaamt. Ik háát het

leelijke en àls ik het naar voren breng, geschiedt dat waarlijk niet ter

verzachting der geringschatting, die het verdient, maar om die des te

scherper te doen treffen....--Als men buitenlanders onze letterkunde wel

eens met de hunne hoort vergelijken, dan blijkt wel dìt hun grootste

bezwaar tegen ònze literatuur, dat het in hàre werken gebeelde leven zoo

weinig-beteekenend, zoo grauw-alledaagsch, zoo klein-burgerlijk, zoo

weinig-bewogen is. Ik herinner mij levendig, dat eenige jaren geleden

een mij onbekende Russische taalleeraar en journalist mij om een

onderhoud verzocht. Hij noodigde mij uit hem eenige Hollandsche romans

en novellenbundels te noemen, die hij met gegronde hoop op succes in 't

Russisch zou kunnen vertalen. Ik noemde hem wat ik te noemen wist. Maar

hij kende dat alles reeds, vond het echter allemaal, te pueriel, te

zeurderig, te alledaagsch en vooral te klein. Er is daar iets van aan.

Maar hoe zou het anders? Hoe kan uit een klein en burgerlijk

maatschappijtje als het onze, een heroïsche literatuur, vooral van

maatschappelijk-hoogeren aard, ontstaan?[3] Slechts met Querido, zei

mijn Rus weer, met dien ware voor zijn doel iets te beginnen, maar och,

dat kon ook niet, want die was weer te locaal!...--Er is daar iets van

aan, zei ik zooeven, jawel, maar van iets anders is nog veel meer aan:

onze letterkunde moge in onze samenleving slechts een armen

voedingsbodem bezitten, zij wist en weet te woekeren met dat [p.212]

armelijk bezit. Onze hedendaagsche literatuur streeft, in 't algemeen

genomen, in verfijning en nauwkeurigheid van beeldende

woordaanwending de buitenlandsche op zij en meestal te boven.--Neem nu

dit boek van een in zijn soort toch eersterangs schrijver als Jack

London. In dit Eerste Deel, alleen reeds op de 3 eerste bladzijden:

"Donkere pijnboomen grijnsden aan weerszijden van de bevroren rivier."

Een "grijnzenden afgrond" is al een ondeugdelijk en ongevoeld

spraakbeeld, maar het is oud en versleten en juist omdat deze

uitdrukking oud en versleten is van het overmatig gebruik, glijdt onze

geest er zoo makkelijk In en neemt genoegen met het gatige vod, zooals

een slecht zittende oude jas ons veelal nog behagelijker is dan een

prachtig getailleerde nieuwe. Maar wat nou zoo iets kersversch als "een

grijnzend pijnwoud" voor een ding is, in dàt begrip daar komt onze

geest, althans de mijne, nièt in en zal er wel evenmin ooit in

komen....--"Maar niettemin waren zij mannen, die dit land van

eenzaamheid en stilte doortrokken, nietige avonturiers op kolossaal

avontuur uit, hun krachten metend met een wereld even verwijderd en

vreemd en levenloos als de eeuwige ruimte." Is het mij al een raadsel,

hoe men iets materieels "verwijderd" kan noemen, terwijl men erin

is, al evenmin werd mij geopenbaard, hoe men, "zijn krachten kan meten

met een wereld die levenloos is." Immers "zijn krachten meten met"

beteekent altijd: "een strijd aangaan met" en nu is er misschien wel

niets in de heele wereld, waarvan men niet zeggen kan, dat men er een

strijd mee wil aangaan, behalve juist het levenlooze! Want iemand, die

zegt tegen iets te strijden, moet zich noodzakelijk dat iets als

levend in eenigen letterlijken of overdrachtelijken zin hebben

voorgesteld, en niet als levenloos. Aan het levenlooze kan men

slechts "zijn krachten beproeven", dat wil zeggen door eenige erop te

verrichten handeling, niet: door strijd ertegen. Natuurlijk, wij

begrijpen wel wat hier wordt bedoeld. "Verwijderd" is hier onzin

geworden, alleen doordat er elke nadere bepaling aan ontbreekt, bijv.:

"verwijderd van de bewoonde wereld," en als ge door "levenloos" heen

"passief" leest, dan is de zaak in orde al is de volzin dan vreeselijk

leelijk en wordt het beeld van die "eeuwige ruimte" nog [p.213]

beroerder dan het nu is. En bovendien: "àls dìt" en "àls dàt," jawel!

maar literatuur behoort geen ruimte te laten voor dergelijke "alsen."

Zij juist moet weten te zeggen, precies te zeggen wàt zij

bedoelt.--"....toen een flauwe, verre kreet zich in de stille lucht

verhief.... Hij had een kermende, verdoemde geest kunnen geweest

zijn...."--Een kreet, die een geest had kunnen geweest zijn? Arme

Satan, wat een nieuwe last bij al z'n oude moeiten: ik zie hem al alle

kreten, die zijn heetgestookten hel ontstijgen, wantrouwend

achternaloopen: of ze geen ontsnappende zielen zijn; een gevallen

aartsengel tot een smokkelaarsspeurenden grenswachter geworden....

Ajai!--Maar komaan, genoeg hiervan, ge denkt nu al, dat ik "vlooien

zoek" en--ge hebt gelijk, máár: het zijn vlooien van de springerigste

soort en juist omdat ze zoo klein zijn, de gevaarlijkste dragers van de

taalverknoeiïngspest. Ik vang ze, om jullie voor die barre ziekte te

bewaren. En dus, bedillers!...

Laat mij intusschen dit stukje niet beëindigen, zonder nog dit te hebben

gezegd: ik ben er vrij zeker van, al las ik het oorspronkelijke werk

niet, dat men deze en dergelijke slordigheden niet der vertaling mag

verwijten. Een Hollandsche vertaalster, die zoo voortreffelijk

dialoog en stemming weet te geven, wie dus klaarblijkelijk de hoogere

gevoeligheid niet ontbreekt, diè, dunkt mij, zal toch ook wel niet

geheel gesloten zijn gebleven voor de lessen der hervormers van '80.

Maar integendeel, zoo mogen wij zonder al te groote vrijmoedigheid

vermoeden, zijn 't fouten van het origineel-zelf, want juist zulke

fouten als een man van veel-produceerende genialiteit gelijk London ze

maakt. Het valt zoo licht te begrijpen: de scheppingsdrang drijft hem

voort, hij ziet visioen na visioen ... hij heeft zoo geen tijd ... in

Amerika zal hij er zelden om op de vingers getikt zijn ... en zoo

gebeuren dan die dingsigheden. Het is trouwens een verschijnsel, dat men

bij veel grooten--en veel-grooteren dan London!--kan waarnemen en uit

gedeeltelijk dezelfde oorzaak verklaren: het hevige voortstuwen van den

scheppingsdrang. En--nu genoeg van het leelijke, keeren we ons tot de

schoonheid.--

[p.214] Zie eens allereerst dit:

Vóór de honden zwoegde een man op sneeuwschoenen. Achter de slede

hijgde een tweede man. Op de slede, in de kist, lag een derde man,

wiens werktijd voorbij was--een man dien de wildernis had

overwonnen en neergeveld, tot hij zich nooit meer kon bewegen of

verzetten. De wildernis houdt[4] niet van beweging. Leven

beleedigt haar, want leven is beweging; en de wildernis tracht

iedere beweging te dooden. Zij doet het water bevriezen om het te

beletten naar de zee te loopen. Zij jaagt het sap uit de boomen tot

zij in hun krachtig merg zijn bevroren. En woester en vreeselijker

dan alle vervolgt en bedwingt zij den mensch--den mensch, die het

meest rustelooze in het leven is, die zich altijd verzet tegen de

bewering, dat alle beweging ten slotte moet komen tot ophouden[5]

van beweging.

De schoonheid is hier niet alleen aanwezig als schoon van treffende

bespiegeling, zij is het ook--en hier gemoeten wij de eigenlijke

kunst-schoonheid--als zekere levendigheid van den geest, die er, op

bijzondere wijze, in geslaagd is, de begrippen dier treffende

bespiegeling te vertastbaren en aanschouwelijk te maken. Op

bijzondere wijze: louter, door contrasteering; door bij middel van

het bewegelijke der beschrijving des te feller het

aan-beweging-vijandige van het beschrevene te doen gevoelen, en door

de levendigheid der beelding de doodschheid van het gebeelde.

Deze beschrijvingsmethode is ongetwijfeld niet die van bijv. den

objectieven naturalist, want onvermijdelijk dringt zij den auteur-zelf

min of meer op het tooneel zijner schepping, en in plaats dat de lezer,

gelijk in naturalistisch werk, slechts de dingen-zelf, zooals zij door

den kunstenaar werden gezien, te aanschouwen krijgt, worden hem hier, in

de allereerste plaats, de overwegingen getoond, die door de dingen

in den auteursgeest werden gaande gemaakt, en als 't ware door die

overwegingen heen aanschouwt hij pas de dingen-zelf. Het valt niet zoo

makkelijk te zeggen als het lijkt, welke van de twee richtingen de

voorkeur verdient--de "objectieve" of de

binnen-zekere-grenzen-subjectieve. Dat de laatste vooral door het

knoeiwerk van tallooze beunhazen in onverdiend discrediet is gebracht,

en men mede daardoor [p.215] de, nog wel verkeerd want al te volstrekt

opgevatte, "objectiviteits"-leer der naturalisten ten onrechte als de

alleen-zaligmakende heeft aanvaard, lijkt mij onbetwistbaar, al moet men

toegeven, dat de meer subjectieve beschrijvingsmethode--zooals ook een

London ze, naar zijn aard gevariëerd, toepast--uiteraard en dus ook in

haar allerbeste applicaties, hare nadeelen heeft. Als de voornaamste

daarvan kan men noemen: 1° de geringere sterkte van sommige in den lezer

gewekte stemmingsaandoeningen, die door het aanschouwen der louter in

en met hun eigen atmosfeer gebeelde dingen veel eerder ontstaan en

stoorloozer zich ontwikkelen en beklijven dan door het zien dier dingen,

wanneer zij door de min of meer stormige luchten van eens schrijvers

geestig of gevoelig spreken staan ombuid. 2° De onvermijdelijke

splitsing van 's lezers aandacht. Heen en weer geslingerd tusschen het

aanschouwen der dingen en het aanhooren van den auteur, wordt hij een

onrust gewaar, die hij weliswaar, mits zijn temperament hem daartoe in

staat stelt, eerder prikkelend en amusant dan vervelend zal vinden, maar

die hij toch, al naar mate zijn geest evenwichtiger is--een deugd!--wel

degelijk ten slotte als onrust, d.i. iets onaangenaams zal voelen.

Maar aan den anderen kant: de niet geringe voordeelen zijn allicht: een

geestig kunstenaar te hooren tegelijkertijd beeldend- èn

bespiegelend-spreken en vooral: als 't ware den schepper in zijn

werkplaats te zien. Vast staat in elk geval, dat de Engelsche

Grootmeester Charles Dickens met deze subjectief-realistische methode,

wonderen van kunst-heerlijkheid heeft gewrocht. En al reikt London

ongetwijfeld niet tot diens knieën, het valt op, dat de Amerikaan zijn

rasverwantschap zoowel met den grooten Engelschen romancier als met

andere Engelsche schrijvers toont in het bezit van die soort

specifiek-Engelsche geestigheid, die men wellicht als een mengsel van

"drogen" èn gevoeligen humor zou kunnen kenschetsen, waaraan zich dan

helaas soms bij eenige auteurs een min of meer blufferige gewikstheid

paart, die voor een groot deel niets anders dan het grove prat-gaan is

op diezelfde koele zelfbeheersching, welke, in zuiveren staat, wellicht

het meest sympathieke bestanddeel van den Britschen humor [p.216] vormt.

Dìckens hàd dien zuiveren "drogen" en gevoeligen--schoon soms ietwat

sentimenteelen--humor, en dan nog onvergelijkelijk rijk omgloeid door

verrukkelijke stemmingsatmosfeeren van goudelende duisternissen, een

clairobscur van sterrig vonkelenden avondhemel. Kipling heeft, hoewel

oneindig zwakker, dien humor eveneens, máár--met een dosis en een soort

van pocherige gewikstheid in sommige zijner producten, welke die voor

een niet-imperialistischen en niet-chauvinistischen lezer al te zwaar

verteerbaar maakt; in G.K. Chesterton heeft diezelfde humor, zich

verfijnend, zijn hoogtepunt bereikt in het vuurwerk-knetterend en

vonkenspattend paradoxale, en onze London eindelijk heeft iets van

alle drie: het blufferig-gewikste uit zich bij hem langs een omweg op

eene beminnelijke, kinderlijk-naïeve manier, waarover ik in het

volgende artikel zal spreken; de naar het paradoxale neigende

geestigheid doet zich kond, zoowel in een drang om zijn beeldingen een

woord-puntig en met het gebeelde contrasteerend karakter te geven,

als ook wellicht in een schoone, zuiver-artistieke "voorliefde voor het

verduidelijken zijner voorstellingen door inconventioneele, of althans

zelf-hérvonden, en in den nieuwen samenhang inconventioneel wòrdende

vergelijkingen; en den "drogen" humor, uit de koele Engelsche

zelfbeheersching geboren, toont hij vooral in den toon zijner

dialogen.

Ziehier een staaltje van zijn "beeldvorming," zijn scheppen van

vergelijkingen:

Zij trokken voort zonder spreken, hun adem sparend voor het werk

hunner lichamen. Aan alle kanten drukte de stilte op hen als een

tastbare tegenwoordigheid. Zij werkte op hun geest, zooals de vele

atmosfeeren in diep water drukken op het lichaam van den duiker.

Zij verpletterde hen onder het gewicht van haar oneindige

uitgestrektheid en onveranderlijke eenvormigheid. Zij verpletterde

hen tot in de diepste diepten van hun gemoed, en perste uit

hen--als sap uit de druiven--al het vuur en de opgewondenheid,

al de zelfoverschatting der menschelijke ziel, tot zij begrepen hoe

oneindig klein en onbeteekenend zij waren, stippen en atomen, zich

met weinig sluwheid en gering verstand bewegend, temidden van het

spel der groote, blinde elementen en natuurkrachten.

[p.217] Hier bevinden zich na elkaar in één klein stukje een

inconventioneel en een vrijwel "afgezaagd" beeld. Het inconventioneele

en zéér treffende beeld is dat van de "vele atmosfeeren"; het afgezaagde

dat van "als sap uit de druiven." Van den wijn uit dié druiven geperst,

is Noach al dronken geworden! Maar oud als de vergelijking is, vinden

wij haar toch schoon, omdat zij--zie het derde cursief--in eene

lentekleurigheid van frissche gedachten uitrankt, want inderdaad: zulk

een vergelijking is wel als een heel oude stam, maar tevens als zulk een

waaraan de scheppende ziel van een nieuwe lente groenende knoppen doet

botten. Met een echt-rethorisch beeld is dat nóóit het geval; daar

bloesemt niets uit; dat is maar het droge hout, dat een auteur zelf

levert, om er de doodkist voor zijn werk van te timmeren....--

Ten slotte nu een kort voorbeeld van den "drogen"-humorrijken dialoog.

(Nadat in vorige nachten reeds een paar honden door een wolvin zijn

weggelokt, heeft Bill ze nu zoodanig aan stokken en riemen vastgelegd,

dat ze niet kunnen wegloopen, en daarbij met nadruk verzekerd, dat hij

den volgenden dag geen koffie zou drinken, zoo er toch een verdwenen zou

zijn.)

's Morgens porde Henri het vuur op en maakte het ontbijt gereed,

begeleid door het gesnurk van zijn kameraad.

"Je sliep zoo lekker," vertelde Henri hem, toen hij hem wekte voor

het ontbijt. "Ik had niet den moed je te roepen."

Bill begon slaperig te eten. Hij zag dat zijn kopje leeg was en

stak zijn arm uit naar de koffiekan. Maar de kan stond buiten zijn

bereik naast Henri.

"Zeg Henri," zei hij vriendelijk, "heb je niet iets vergeten?"

Henri keek met de grootste aandacht om zich heen en schudde het

hoofd. Bill hield zijn leeg kopje in de hoogte.

"Je krijgt geen koffie, Bill."

"Heb je niet meer?" vroeg Bill haastig.

"Ja."

"Ben je bang dat ze niet goed is voor mijn spijsvertering?"

"Neen."

Een kleur van drift kwam in Bills gezicht.

"Dan zou ik wel eens willen weten...."

"Spanker is weg."

[p.218] Mij dunkt, zelfs in dit kleine stukje zult ge hebben gemerkt,

wat ik bedoelde met dien drogen humor in den toon van den dialoog. En nu

eindigen wij meteen voor dezen keer. De volgende maal over: het

compositorisch-zonderlinge van het Eerste Deel in het geheel van het

werk en de oorzaak daarvan, in verband met zekere karaktertrekken van

London's schrijversfiguur.--

* * * * *

III

Het compositorisch-zonderlinge van het "Eerste Deel", in verband met

zekere karaktertrekken van London's schrijversfiguur.

Over literatuur Critisch en didactisch, tweede bundel · 第 16 / 22 段