Men zou, hing dat uitsluitend van de waarde van dit werkje-zelf af, met

vrij groote zekerheid hebben kunnen voorspellen, dat met de publicatie

daarvan een nieuwe aera in onze vaderlandsche journalistiek zal

aanbreken--een aera, waarin geestigheid, distinctie en populariteit

elkander nièt dooden. Maar helaas, wij weten 't nu allen wel, dat er

deeg is, waartegen èlke gist onmachtig blijkt. En fijngemalen

slaapbollen zijn in dit opzicht ietwat nòg onoverwinnelijker dan zelfs

Posthuma's rijstemeel. Bovendien: in dit land van commodelaadjes,

vakjes, etiquetjes, secten en specialiteiten, druischt het ongetwijfeld

tegen de eerbiedwaardigste separatistische tradities in, dat een

bijzonder geestig journalist tevens een distinctievol stylist is.

Moresco, dien ik mij als de schrijver van "Rustpunten" in De Nieuwe

Courant herinner, was, vóór Kleerekoper, de eenige, die dien gruwel van

overdaad bedreef, en zelfs Barbarossa, gelukkig bezitter van een

natuurlijk-wellende en rijke geestigheid, is dan ook zoo bescheiden niet

de geringste nuance van stylistische schoonheid of distinctie te

vertoonen. En zoo zullen wij maar goed doen met alle gedachten aan een

Kleerekoperiaansch journalistiek tijdvak uit ons te bannen, en

integendeel te verklaren: dit werk is niet alleen een unicum in zijn

vereeniging van spiritueele losheid met compositorische hechtheid en

distinctievollen stijl, maar helaas, het zal dit ook blijven. En: een

unicum niet slechts in de journalistiek, maar ook in de literatuur. Het

ware dan ook 't schromelijk [p.195] onrecht doen, indien ik, ter oorzake

van het feit, dat zijn inhoud voor 't eerst als vluchtig dagbladwerk

verscheen, er de hoogere literaire qualiteiten in zou miskennen. Ai,

welk een fanatiek sektariër zou ik zelf dan moeten zijn! Veeleer dient

met nadruk gezegd, dat de allerbeste uit deze selectie van in Het Volk

verschenen Oproerige Krabbels een nieuw soort prazagedichtjes vormen:

prozagedichtjes van satyriek vernuft en niet zelden ook van meer

liefde-doordrenkte sentimenten. Acht ge, met van Deyssel, die

eigenaardige, van vreugde om de eigen vermogens schitterende, psychische

zekerheid, een onmiskenbaar blijk van de aanwezigheid van literaire

kunst, welnu, doorlees dan maar het heele werkje, en erken, dat ge maar

uiterst weinig hebt kunnen vinden, waarin die zekerheid en vreugde

niet waren. Of vraagt ge naar scheppende verbeelding, bewonder dan

eens Klokkepraat--zie eens in wat luttelen omvang, hier een aan zin en

beeld rijk sociaal sprookje werd neergeschreven. Wenscht ge

compositie--ach, spreekt het niet van zelf, dat bij dezen "man van de

pointe", zooals ik hem onlangs te dezer plaatse noemde[1]; bij dezen

man, die zijn stralendst-openvonkelende uitmuntendheden tot éen

verrassing in de laatste regels bewaart, de compositie meestal volmaakt

is? Let eens goed op dat onvolprezen Vóór de tent van Wiessing, of op

het prachtige Steven-Mulders-buurtje: hoe dat in elkaar zit; hoe ge

dat alles uit des auteurs geest ziét opgroeien en in bloei staan,

snel, zeker, en rijp, als het wonderplantje van een Indischen fakir.

Maar kijk, daar hebt ge 't nu al--ik màg mij feitelijk niet laten

verleiden, enkele stukjes te noemen; want hoe vele, niet minder

uitmuntend dan deze, sla ik dan over en wek daardoor den schijn, als

waren de genoemde min of meer uitzondering. En daar is geen kwestie van!

Onthoud dat maar, want straks doe ik 't natuurlijk tòch weer!...--Doch

wat de geestigheid betreft, die kostbare, gansch-natuurlijke,

overal-bloeiende, ja dáárvan is waarachtig "het eind niet te zien";

dáárbij zou het pure dwaasheid zijn iets anders dan héél het werk als

voorbeeld te [p. 196] noemen. Wònderen van geest heb ik in de Krabbels

gevonden. Hier is datzelfde, zij 't op zooveel nederiger plan, dat

Julius Campe in Heine opmerkte: het bliksemvlug omscheppen van een

waargenomen ding tot een spiritueel-kleurige fonkeling van de eigen

ziel; het vooral slagvaardig, maar ook liefdevurig reageeren, op het

leven, op àl het gebeuren om hem heen. Hier uitte zich dan ook een

geest, die nauw verwant is aan Heine, en voor wien deze geen voorbeeld

ter min of meer onoorspronkelijke navolging, maar wèl zeer duidelijk een

soort van fontaine de jouvence blijkt te zijn, waaraan hij, diep

teugend, zich telkenmale mag verjongen. En ook de stem van dien anderen

verwant, van Multatuli, maar in een andere sfeer dan die der satyre,

meent ge nu en dan te hooren. Er is meer dan een stukje--bijv. ook dat

fraaie De opdracht van den H. Antonius--waarin, tot vaagheid

verruischend in de wegduisterend-diepe gangen van stemmingen en gevoel,

ge een stembuiging van den verteller van het zeeziekte-verhaal in de

Ideeën gelooft te herkennen. Want waarlijk, niet slechts waar de

satyre het grondsentiment zijner stukjes vormt, munt de Krabbelaar

uit. En zou al de dagelijksche lezer van zijn werk in Het Volk niet

zonder grond kunnen beweren, dat hij over het algemeen veel beter slaagt

in zijn hekelend werk dan in dat, waarin hij sentimenten van bewondering

en liefde heeft te verwoorden--dan immers wordt hij wel eens, door het

te bewust aanzetten en opschroeven van het gevoel, zoetelijk en raakt

"ernaast"--er is één sfeer, waar hij ook diè sentimenten feilloos in hun

ongesmukte waarachtigheid en derhalve waarachtige schoonheid weet te

uiten. Dat is de sfeer van het kind. Waar en hoe ook het kind in zijn

werk verschijnt, wordt dat laatste verinnigd en geheiligd.

Fééstelijk wordt het bijna immer, ook al is het treurig; blond wordt 't,

al is het donker; er is dan niets, dat niet zacht-warm is--de zon is

opgegaan! Tot zelfs het koud-flitsende staal van zijn scherpsten spot

geeft dan een af schijn als ware 't blond en warm goud; o zeker, het is

ook dan nog wel een degen, maar het is tot een kostbaren spèldegen, een

sièrdegentje gemaakt, om 't z'n jongen prinsjes aan den gordelriem te

gespen. Want niets is goed genoeg voor hen. [p.197] Dàn is deze

schrijver het aller-àllerechtst; het kind is de goede genius van zijn

menschelijkheid en scheppende kracht en het gevoel voor hèn is de bron

van zijn innigste en meest ware leven. Bijna altijd voert het hem naar

een climax zijner vermogens, nu van dit, straks van een ander. Sòms is

het zijn psychische zekerheid en zelfgevoel, welke door dat

sentiment hun climax bereiken: lees Den Boozen Schook, waarin, na die

voortreffelijke mengeling van beheerscht-joligen spot en vreugdige

kinderliefde, hij in een verrassend-geestige wending eindigt met: "und

nennt man die besten Namen, So wird auch der Meine genannt." Een ander

maal maakt het hem tot een gemarteld ziener en beelder van obsedeerende

verschrikking: De Eeuw van het Kind. Dan weer--De Zonden der

Ouders--doet het zijn vonkend-donkere teederheid tot het witte licht

van het hartstochtelijk-innige openstralen. De Jiddische innigheid,

die de Hebreeuwsch-strenge ijveraars-ziel der Joden in het lijden der

diaspora won; die zoeter straling der oogen, die glans van meegevoel op

het beeld-strenge oude heldengelaat--ook in zìjn schriftuur leeft zij

naast het vaak Bijbelsch-statige. Maar genoeg--'schoon ik u over nog

zooveel moois zou kunnen spreken, laat dit voldoende zijn. Want de

vriend des schrijvers, die voor de keuze dezer stukjes op 'n paar

uitzonderingen na verantwoordelijk is en dat kiezen uit zooveel schoonen

overvloed een boeiend en prettig werk vond, meent zich thans zeker niet

te mogen onttrekken aan het minder prettige van het ondergaan eener

metamorphose in: "den vriend die feilen toont", en heeft de thans nog

beschikbare ruimte daarvoor noodig. Gelukkig intusschen, dat het maar

één feil is! Beste Oproerling, zoo zou ik hem dan kort en bondig willen

zeggen, wees zoo oproerig als je wilt, maar: betreed niet, de

Opperhoogheid van Ons, Literaire Critici, aanrandend, Ons Gebied! Je

oordeel, dat je Marcellus Emants, dien "Meester van de Hollandsche

psychologische roman", gelijk, herinner ik mij wel, Scharten hem noemde,

èn méér dan dat: dien baanbreker nog vóór de tachtigers, deed

plaatsen--in De tent van Wiessing--onder een

mediocriteiten-allegaartje, dat oordeel getuigt meer van vrijmoedigheid

dan van juisten blik. En nu lòs [p.198] van dit geval gesproken--want

als literair-critische faux pas staat 't wèl in je bundel, maar niet in

je Het Volk-krabbels alleen--: als je in een kunstenaar den politieken

tegenstander bestrijd, blijf dan van zijn kunstenaarsschap àf. De

literaire critiek is een schoone zaak, en de politiek eveneens, maar het

gebeurde thans waarlijk niet voor de eerste maal, dat de verbinding van

twee schóóne zaken één léélijke te voorschijn bracht.--

Jan. '19.

Noot:

[1] Zie blz. 141.

* * * * *

JOOST MENDES: HET GESLACHT DER SANTELJANO'S [p.199]

Eerste deel: De Verweerde Jaren

Ziehier nu eens een werk, waaraan, in elk geval, de gerechtvaardigheid

van Scharten's uiting: dat hij den genialen Querido geen enkelen

niet-genialen navolger toewenschte, ware te toetsen. Want het moge een

van den voorafgeganen storm onafhankelijk windje uit denzelfden hoek

zijn, dan wel het na-zuchten van den storm; het moge niet dan het gevolg

van een zelfde milieu, engere verwantschap, of wel degelijk ondergane

invloed wezen--zeker is, dat ge hier op menige plaats veel van Querido's

eigenaardigheden zonder Querido's grootheid ontmoet. Deze eigenschap

maakt het boek niet ongenietelijk, noch zelfs stemt zij den lezer

kregel, maar ze wekt een gevoel van spijtigheid in hem. Spijtigheid om

het feit, dat het den auteur, die zich klaarblijkelijk van wat hier

dreigde wèl bewust was, toch niet mocht gelukken, zijn zelf-controle zóó

streng, zijn handhaven van het ònverwant, of ònbeïnvloed-individueele

zóó krachtig te maken, dat mocht het al onvermijdelijk zijn, dat ge hier

telkens een Echo hoort, ge toch evenzeer merkt, dat de Narcis der

zelfstandige schoonheid haar versmaadt! Het gevolg dier verwantschap of

van dien invloed--ìk geloof: bèide zijn oorzaak,--toont zich vooral in

de taal. Hier een overmaat en vooral een heftigheid, schoon volstrekt

niet in die mate dan toch van [p.200] dezelfde soort, als in de

vroegere werken van Querido, maar zonder dat, gelijk daar, de

natuurlijke noodzakelijkheid ons duidelijk wordt. Het lijkt mij hier, op

sommige momenten, meer een laten glippen uit zwakte, dan een opstapelen

uit kracht, en ik zou dan ook nù het verschijnsel geenszins op dezelfde

wijze kunnen verklaren als ik het destijds, over Querido schrijvend, heb

gedaan[1], noch in dezen schrijver zekere loslippigheden mogen

verontschuldigen, die men een grooten, nu eenmaal door zijn

scheppingsdrang respijtloos voortgedreven menschenschepper vergeeft.

Bovendien: in die vroegere werken, waarvan ik zooeven sprak, heeft zeer

zeker Querido muren, duistere, blinde muren van woorden opgestapeld,

zoodat ge u wel eens weg-verloren afvroegt: Wat voor 'n bouwsel is dat?

Waar sta, waarheen ga ik in dit donker? Tòt--daar bloeide plots een

lamplicht, hoog en vast aan ijzeren arm uit den steen zich heffend en

warm goudelend over het duister vlak: één beeldend woord zóó licht, dat

het de zwartheid der anderen verblondde. Maar helaas, waar hièr de muur

er is--het is gelukkig allerminst een Chineesche, die heel het rijk

omsluit--daar is ze ook lantarenlóós. Het dunkt mij vreemd, dat deze

schrijver dit niet heeft kunnen vermijden; hij lijkt mij toch allerminst

een geniaal-voortgestootene, doch veeleer een zich beheerschend

talentvolle en bezonnene van nature te zijn, die de dingen omendeom

bekijkt, en dan, hij moge verrukt zijn of afkeerig, waarlijk wel

zelfbeheersching genoeg heeft, en zich in voldoende mate haasteloos

voelt, om ze zonder harden smak op hun plaats te zetten. Reeds in den

aanvang van dit boekje voelt men diè natuur. Hoe systematisch--de

compositie mede is voortreffelijk door die systematiek--is De Stad

bekeken. Tot daar plots het geluid-van-dat-geordend-sobere op blz. 16

breekt: "Maar kakelend roddelen konde ze", enz. De àndere Mendes maakt

reeds even zijn opwachting.--Het verheuglijke en voortreffelijke echter

in het boek is, dat juist daar waar het òverwant- en

ònbeïnvloed-individueele aan den dag treedt, het zoo goed blijkt. Dat

bewijst [p. 201] onloochenbaar een sterke en vaste kern van eigen

aanleg. Toonen de talrijke psychologische fijnheden van een zeldzame

doordringingskracht dit aan, ook in vele beschrijvingen, en vooral in

de uitmuntende dialogisatie komt het uit, terwijl ook wel degelijk tot

dien eigen ònbeïnvloede kern het zeer concis en scherp op 't leven

betrappend beelden van houdingen en bewegingen behoort: hoe

voortreffelijk is mede daardoor het hoofdstuk Het Hooge Feest

geworden, hoe uitstekend de ruzie-scène in De Kelder met die figuren

van Jonas, de grootmoeder-heerscheres, Mordechai, Sam Piza. En dan

daarneven het stille, bijna-onbewuste, als in poppig-glazige

zwak-verwonderde staring doorgebrachte leven van het moedertje Lea! Hoe

uitmuntend is dat alles voelbaar en zichtbaar gemaakt. Een

uitmuntendheid, waarin allicht ook de figuren van Daan, Ko en Lot zouden

hebben gedeeld, indien zich niet vaak dáár een eigenaardige zoetelijke

woordenstreeling, een knuffelende vertroeteling door den auteur, in de

plaats van een "objectief"-scherpe beelding hadde gesteld. Zoo werd dan

dit eerste deeltje van een klaarblijkelijk nogal uitgebreiden arbeid

belangrijk, niet slechts door wat het belooft, maar reeds aan rijpe

kunst ons schenkt. En het zou wijs van auteur en uitgever beiden zijn

geweest, indien zij, indachtig aan het feit, dat men onvermijdelijk door

heel de geaardheid van het werk-zelf tot een vergelijking met Querido's

machtig genie zou worden gedwongen, daarnevens niet nog den lezer, als

't ware met alle geweld, tot een vergelijking met een buitenlandschen

groote op den koop toe hadden genoodzaakt! De geheele wijze van uitgeven

toch, in acht "deelen",--dit aan het adres van den uitgever die tevens

de uitgever van "Jean-Christophe" is--maar bovenal de "dichterlijke" en

allegorische titels--dit aan het adres van den auteur--waarbij ons zelfs

een duidelijke vingerwijzing naar "La Révolte": "De Revolte dagen",

(welk een opzettelijk want overigens onmogelijk jargon!) niet werd

gespaard, kunnen slechts een herinnering aan Rolland's meesterwerk, ook

en vooral aan de eerste prachtige deelen, wakker roepen, die dit boekje

ten eenenmale doet vergrauwen. Hetgeen men moet betreuren, want de

groote deugden [p.202] welke het in zijn soort eigen zijn, geven

aanleiding tot een aesthetisch genot en een warme waardeering, waarvan

het jammer is, dat zij door althans gansch onnoodig veroorzaakt

vergelijken en herinneren worden gedrukt.[2]

Maart '19.

Noten:

[1] Schetsen en Critische Opstellen, blz. 178.

[2] Nadat het werk, hetzij grootendeels, hetzij geheel, zal zijn

verschenen, hoop ik er uitvoeriger op terug te komen.

* * * * *

II DIDACTISCH [0]

* * * * *

PIT-TAH, DE GRIJZE WOLF [1] [p.205]

I

Inleiding

Niets is wellicht beter in staat ons van het bestaan van een feilen,

schoon vaak onbewusten hoogmoed in ons menschen te overtuigen, dan na te

gaan hoe in den loop der eeuwen de menschheid de dieren heeft gezien en

vooral hoe die visie op de dierenwereld zich in literaire kunst heeft

geuit. Van het Pancatantra, het oeroud Indisch Sanskrit-werk af, tot,

over den Griek Aesopus--die zelf, naar de geleerden zeggen, een fabel

is!--, de verschillende oude behandelingen van de Reinaert-sage--waarbij

zich sedert kort de voortreffelijke bewerking door Streuvels heeft

gevoegd--, tot ook, eenige eeuwen later den genialen en gracieusen

Franschman La Fontaine, om nu maar de allerberoemdsten, werken en

schrijvers, te noemen, is de dierenwereld nimmer om zich-zelfs-wil in

literaire kunst gebeeld. Zeer zeker ging al dezen schrijvers het

eigenaardige van het dier-leven niet onopgemerkt voorbij, maar dat leven

zagen zij niet als een schoon en stroom, machtig, diep en hunner

aandacht ten volle waardig, ook al hadden zij er nooit de spiegeling

van der menschheid gelaat in gezien, maar zij achtten dien integendeel

juist dáárom alléén hunne bestudeering waard, [p. 206] òmdat zij tot de

menschen konden zeggen: Buig u over dezen stroom en ge zult er àl uwe

bewegingen, uw gelaat en al zijn wisselingen in weerkaatst zien: de

oogenglans uwer vreugde, de wringing en de hette uwer hartstochten; de

deemoedige plooi uwer huichelachtigheid; het brandend staren uwer

wanhoop; ja zelfs een enkel maal de vervoering uwer ziel, uw adeldom.

Het dier had dus alleen belang voor hen, voor zoover het als acteur te

gebruiken viel, wien een menschelijke rol kon worden toebedeeld. Hun

dier-psychologie, zoo er al een enkel maal sprake is van iets, dat

dien naam verdient, zou men met den naam van handboeken-psychologie

kunnen bestempelen, d.w.z. een psychologie van algemeen-vaststaande en

aangenomen normen, waaraan elk waarlijk levend inzicht van den

individueelen kunstenaar ontbreekt, waarin bijvoorbeeld de leeuw nu

eenmaal voor goed de moedige en toch ietwat dupeachtige koning en de vos

de onverbeterlijke en buitengewoon sluwe misdadiger is. De dieren van

het dierenepos en den dierenfabel zijn dan ook, voor zoover tenminste

nog die handboeken-psychologie in toepassing is gebracht, te vergelijken

met de figuren van het schaakspel: zooals die figuren hunne eens en voor

altijd onwrikbaar vaststaande krachten en eigenschappen hebben, die

hunne handelingen bepalen: de koning slechts één pas naar alle

richtingen mag gaan, het paard den driesprong maakt en de wijsheid des

raadsheers hem voor eeuwig overtuigd heeft, dat schuinsmarcheeren het

beste voor hem is,--zóó ook hebben al die dieren, en vooral de

hoofdpersonen, 'n paar ruw getraceerde en als 't ware wisselinglooze en

versteende eigenschappen, die van zulk een aard zijn, dat zij hen

geschikt maken, symbolen van het menschelijke te zijn.

En evenzeer nu als door het samen- en tegenspel der schaakstukken

geheelen van schoonheid kunnen ontstaan, die noch overtroffen worden

door de schoonste gewrochten der schilderkunst noch door die der muziek

of der literatuur, zoo zijn ook door spel en tegenspel dezer als 't ware

psychologisch-kunstmatige en niet naar de doorgronde-werkelijkheid

gebeelde dierfiguren, tafereelen van tot schoonheid gestegen schalkheid,

satyre, wijsgeerig en mensch-kundig [p.207] inzicht ontstaan, die voor

geen andere werken van letterkunde onder hebben te doen. Maar toch kan

men, althans ik, bij het beschouwen van zulken arbeid het gevoel niet

onderdrukken, alsof hier een of andere tekortkoming schuilt, eenig

onrecht is geschied, eenig misbruik is gemaakt. Want heeft men bij het

schaakspel met niets anders dan doodhouten klossen te doen, die geen

enkele geestelijke eigenschap uit zich-zelf bezitten, en in de handen

van den speler slechts tot symbolen van schoonheid kunnen worden,

doordat eens de uitvinder van het spel hun zekere eigenschappen heeft

toegedacht--bij het dier-epos en den fabel heeft men met levende

wezens te doen, die als elk natuurwezen krachten en eigenschappen van

zich-zelf bezitten welke een zooveel mogelijk objectieve en getrouwe

afbeelding overwaard zijn; wezens die het allerminst verdienen slechts

als kapstok van de menschelijke deugden en ondeugden te worden

gebruikt! En iets anders hebben de bovengenoemde schrijvers, gelijk ik

reeds zooeven deed opmerken, toch feitelijk niet gedaan. Het was reeds

mooi, als ze van zulk een handboeken-psychologie gebruik maakten.

Meestal schijnen ze de dieren als 'n soort van ledepoppen te hebben

beschouwd, wien men geheel willekeurig elken stand kon laten aannemen,

elke beweging kon laten maken, die men verkoos, zoodat ze dan ook fabels

dichtten, waarin van het dier waarlijk niets anders dan de naam

aanwezig is.[2] Ongetwijfeld is echter in de fabelen van La Fontaine

de liefde tot de natuur en het dier-zelf in veel grootere mate aanwezig

dan in de zooeven genoemde. Het wemelt in zijn werk van ware juweelen.

Zijn gracieuse verzen in een heerlijk Fransch, zijn fijne feestigheid

ook, hebben in niet weinig gevallen den oorspronkelijken fabel, aan

Aesopus en andere bronnen ontleend, verfraaid en tot ééne ongerepte

zuiverheid en flonkering van beminnelijke en dikwijls allergeestigste,

dan weer diepgevoelde wijsheid gemaakt, maar het zijn natuurlijk fabelen

en leerdichten [p.208] gebleven--het dierleven is er uitsluitend als

spiegel der menschheid. En ook met het dierenepos, met de Reinaertsage

is het niet anders. En als Dr. Doorenbos dan ook zegt: "Bij de gewone

fabel is de les, die men uit de dierenwereld trekken kan, de hoofdzaak;

zij is een bijzondere vorm van de didactische poëzie. In de Germaansche

dieren-sage is het verhaal zelve de hoofdzaak. De sprookjes zelve zijn

vermakelijk, de dieren spelen er de eerste rol in, de menschen staan er

op den achtergrond. Wil men er lessen uit trekken, wil men er een satire

in vinden, dat is het voornaamste niet. Het gedicht moet om den inhoud

zelven belang inboezemen",--dan kan ik wel toegeven, dat dit alles naar

den letter juist is, maar ik moet daarbij voegen: naar den geest

allerminst. Want: de dieren spelen er wel de eerste rol in, maar die

dieren denken en handelen met menschelijk verstand, die dieren zijn

verkapte menschen, zijn menschen in een dierenhuid gestoken, gelijk

in Rostand's Chantecler--Zoo was het dan aan onzen tijd voorbehouden,

een dierenepos, een dierenroman als dit voortreffelijk Pittah voort te

brengen, waarin waarlijk het dier met liefde om zijns-zelfswil wordt

beschouwd; een dierenverhaal, dat ons den schrijver doet zien, zóó

verzonken in de contemplatie van het dierleven, dat dit op het

allereerste plan van het werk staat, en de menschen er slechts in

optreden voor zoover zij invloed hebben op geest of lichaam van het

dier.--Zich zekerheid te verschaffen omtrent de oorzaken van het feit,

dat dergelijk werk niet vóór onze dagen geboren werd, ware dunkt mij

moeilijk. Was het wellicht juist de reïncarnatie- en evolutieleer van

het oude Indië, die trots den daaruit voortspruitenden eerbied voor het

leven van het dier, dit toch beschouwde als een in 'n te laag stadium

van ontwikkeling verkeerend wezen, dan dat het om zijns zelfs wil der

volle kunstenaarsaandacht waardig kon zijn? Maakte ook in het Westen, en

nog wel op veel minder edele wijze, de religieuse wereldbeschouwing den

afstand tusschen mensch en dier daartoe te groot? Of was het aan den

anderen kant wellicht de desolate toestand van de huidige maatschappij,

die den klaarblijkelijk kinderlijk-naïeven, reinen en uiterst gevoeligen

geest van 'n Jack London zich deed keeren [p.209] naar het dier? Wie zal

op dit alles een zèker antwoord kunnen geven.... Mij zij het voldoende

hier het feit te hebben geconstateerd en op zijn belangrijkheid te

hebben gewezen. Want als wij hier vaststellen dat met een werk als dat

van Jack London een nieuwe aera in het dier-epos aanbrak, dan stellen

wij tevens dit belangrijke feit vast: dat voor den mensch een nieuwe

mogelijkheid van zeer verrijkend geestelijk genieten, een nieuwe

mogelijkheid ook van groei van het heilig eenheidsgevoel werd

geboren.--

* * * * *

II

Als oud globe-trotter in de literatuurwereld geloof ik, dat het beste

wat ge nu kunt doen, vóór ge dit zéér vreemde hoogland gaat bereizen,

is, schoon ge niet zonder gids zult zijn, U een weinigje op de kaart te

oriënteeren: laat mij U iets van den inhoud van ons boek vertellen. In

Alaska, in den wintertijd, een noordpoolwereld vol van de

verschrikkingen van ijs, sneeuwstormen en duisternis, zijn twee mannen

op reis in een hondenslede. Zij vervoeren een reeds gekist lijk van een

overleden kameraad naar Fort M'Gurry. Door de wolven achtervolgd, zien

zij den eenen trekhond na den anderen, door een wolvin verlokt,

verdwijnen, of liever: zij zien des morgens, dat hij 's nachts verdwenen

is. Ten einde raad besluit een der mannen, op het oogenblik, dat hij

weer een hond, nu nog wel bij dag, door de wolvin ziet weglokken naar de

hongerige wolventroep, gewapend met zijn geweer de slede te verlaten, om

den hond, die niet naar zijn roep hoort, terug te halen. Maar het is te

laat: die is reeds door de wolven omringd, en hij zelf, als hij, in een

uiterste poging om het dier te bevrijden, zich onder de uitgevaste bende

waagt, wordt, nadat hij zijn munitie heeft verschoten, door het

roofgedierte verslonden. De andere man blijft nu in een hopeloozen

toestand, ten slotte van al zijn honden beroofd, alleen achter. Maar

ziedaar: op het punt van zich nu maar moedeloos gewonnen te geven--hij

kan zich onmogelijk langer op de been houden van [p.210] de slaap--met

niets dan een smeulend en uitgaand vuur tusschen de wolven en zich zelf,

wordt hij door een over de bevroren rivier naderend reisgezelschap

ontdekt en bevrijd. Het was waarlijk hoog tijd: het laatste wat hij zag,

vóór hij in slaap viel, was de wolvin, die, vlak bij hem, hem

droefgeestig met een van honger kwijlende bek begeerig zat te bestaren,

als ware hij een brok voedsel, dat wel van haar hoorde, maar dat zij om

de eene of andere reden toch nog niet kon gaan eten!--Dit is de--zeer

verkort weergegeven--inhoud van het Eerste Deel. Die der volgende

wordt gevormd door het verhaal, hoe de nu met de troepgenooten

weggevluchte wolvin, die, eigenlijk evenzeer hond als wolvin van

afstamming, een uit 'n Indianenkamp weggeloopen trekdier is, wordt

bevrucht, en Pittah den wolf-hondelijken held van het boek ter wereld

brengt; hoe diens leven, vol van wreede avonturen, verloopt en hij ten

slotte, na door bestiale woestelingen tot een duivel van haat en

ontembare wildheid te zijn gemaakt, onder den invloed van een edelen

meester allengskens een wezen van hartstochtelijke liefde en

onwankelbare trouw wordt.--De lezer zal allicht hebben opgemerkt, dat ik

den inhoud van het eerste boek, hoe verkort ook, toch veel uitvoeriger

heb weergegeven dan die van het geheele overige werk. Ik deed dit, omdat

ik die eerste hoofdstukken natuurlijk het eerst zal behandelen èn er nog

al veel over te vertellen valt....--Of ge nù al de hééle kaart afkijkt

en U al de détails van heel de te doortrekken streek in het hoofd prent,

dat geeft niets, ge zoudt het dan toch later nog eens willen overdoen.

Zoodat ... nu steek ik de kaart weer in mijn zak en word de

oppermachtige berggids!... Vrienden, reikt mij dan het koord van uw

aandacht, laat mij jelui aan mij vastbinden ....--

* * * * *

Leelijkheid en Schoonheid in het "Eerste Deel"

Er zijn van die critici, die, evenals de vrijgrage jongelui op 'n bal,

alleen de schoonheden ten enthousiasten dans voeren en de leelijkerds

maar laten zitten achteraf, maar ik behoor niet tot hen: ik vraag de

[p.211] muurbloemen ook! Uit 'n soort van vrienden-welwillendheid of

zuiver-menschelijk medelijden, denkt ge? Helaas, helaas, hoe kent ge

mij, boosaardig monster, dan slecht! Ik vraag ze, ik vráág ze, deze

leelijkerds op de feestbals der literatuur--maar ik durf het bijna niet

te biechten!--uit de geniepige overweging: Jullie zijt zoo zot geweest

hier te komen, welnu, dan ook vooruit met je onder het volle licht der

kronen!...--

Over literatuur Critisch en didactisch, tweede bundel · 第 15 / 22 段