Het flapuiterig-jongensachtige komt ook treffend uit--al bereikt het

daar, insteê van een hoogte van kluchtigheid, een laagte van gemeenheid

--in zijn beschuldiging, dat ik "in hetzelfde artikel" (cursiveering

van v. V.) waarin ik Scharten verweet, dat hij "de Telegraaf" "in 't

gevlei kwam", Querido "kritiekloos had opgehemeld", Querido, "die

redacteur van Stad en Land is". Welnu, de lezer oordeele: na mij zoo

ongeveer een ongeluk te hebben gezocht, heb ik in genoemd artikel dit

zinnetje gevonden (iets anders over Q. stáát er eenvoudig niet, dàt moet

't dus zijn): "Ge (de Zionisten) verdedigdet slechts twee menschen--van

wel zeer ongelijke beteekenis, maar beiden slechts menschen." Waarmede

ik dus onder meer zeggen wilde, dat ik Querido boven mij zelf plaatste.

Er prijs op stellend--wie zou zich na zoo'n afstraffing [p.182] niet

beteren!--zoo "eerlijk als een scheerspiegel" te zijn, zeg ik, ofschoon

nu mijzelf "ophemelend", even onverstoorbaar en koel als waarmee ik al

't andere zeg, nu dìt: als criticus en stylist beschouw ik mij

geenszins als de mindere van Is. Querido, máár: hoeveel keer zou ik wel

aan "granaatschok" moeten hebben geleden, om zóó stapeldol te worden,

dat ik niet zou inzien, als menschenschepper en episch verbeelder

zoo oneindig ver beneden hem te staan, dat zelfs dit te verklàren reeds

belachelijk ware, omdat eenvoudig èlke vergelijking onmogelijk blijkt?

En wanneer ik dan deze "ophemeling" op zoo weinig ophemelende wijze

"debiteer", als ik in 't boven geciteerde zinnetje heb gedaan, dan komt

dit ongegeneerde bengeltje en vergelijkt mij met Scharten, die bij zijn

allereerste optreden in De Telegraaf dat blad "het geweten van

Holland" noemde--èn ziet dus (o wonder!) trots zijn eigen kleinheid

dit groote feit òver 't hoofd, dat: Scharten pas tot de ontdekking van

der Telegraaf voortreffelijkheid kwam, op den eigen oogenblik, dat hij

medewerker werd aan dat blad, en ik daarentegen tot de ontdekking van

Querido's hooge waarde als scheppend kunstenaar was gekomen èn die had

kenbaar gemaakt, lange, lange jaren vóór zelfs van het bestaan van

Stad en Land sprake was. Komaan, vrienden, een stukje

literatuurgeschiedenis en 'n paar data voor de variatie. Querido heeft

over mij zijn eerste critiek in 1908 geschreven--men kan haar herdrukt

vinden in zijn tweeden bundel Letterkundig Leven--. Daarna nog twee,

niet gebundelde, over mijn latere boeken. Alle drie verschenen in het

Handelsblad. En alle drie behooren tot het innigst-liefdevolle, het

zoetst-lyrische, en het waarachtigst-bewonderende dat hij ooit

geschreven heeft, terwijl vooral de eerste--over mijn eersten

critischen bundel--altijd voor mij één schittering van synthetische

mensch-doorgronding en -herschepping, èn scherp-ontledend--bijv.

invloedend-aanwijzend--critisch oordeel is gebleven. Onnoodig te

zeggen, dat hij in geen enkel opzicht van mij afhankelijk was!! Onnoodig

reeds, omdat voor ieder, die innerlijk zien en hooren kan, deze stukken

stràlen en luiden van echtheid. Dit wat hèm betreft; nu wat mìj aangaat.

Mijn eerste studie over hem [p.183] verscheen in 1911 in De Ploeg. Zij

werd mij in de pen gegeven, zoowel door een heftige verontwaardiging,

over de wijze waarop deze man in De Telegraaf was verguisd, als door

een diepe bewondering voor zijn gaven als criticus, in welke

hoedanigheid hij immers juist was aangevallen. Er leek toen toch

waarlijk weinig voordeel aan, om zijn verdediging op te nemen! Wie

stortte toen niet zijn gallige "geestigheid" over hem uit.--Daarna

schreef ik over hem in De Gids, over een critischen bundel; in De

Boekzaal over "De Jordaan".--Tijd en plaats hebben nimmer mijn

critisch oordeel beïnvloed. Ook mijn bewòndering heb ik niet

getemperd, omdat ik in dìt blad schreef, zoo min als mijn afkeuring, in

een ander; en ook het omgekeerde heb ik niet gedaan. Het boek en het

boek alleen, ònafhankelijk van de plaats mijner critiek, bepaalde

mijne afkeuring en bewondering, èn hunne mate. En het zou mij al zéér

makkelijk vallen dit te bewijzen, zoowel met mijn Querido-besprekingen

in "Stad en Land" als met die daarbuiten.--Genoeg. Het is duidelijk na

dit alles, niet waar, dat ik in. 1911 Is. Querido "ophemelde", omdat

ik in 19<b>17</b> medewerker werd van Stad en Land. En het is even

duidelijk, dat dit hetzelfde is als toen Scharten in Maart 1916 "De

Telegraaf" "het geweten van Holland" noemde, terwijl hij in ...

Maart 1916 medewerker werd van dat blad! Schààm U, meneer van

Vriesland, om dèze clowneske zotheid vooral, als ge het schamen nog niet

hebt verleerd. Gij moogt dan nog wel den geest van een knaap bezitten:

als ge den leeftijd hebt van een jongen man, stelt men U in het

maatschappelijk leven verantwoordelijk als een man....--Maar mijn God

... hòe kon ik dàt zeggen ... ik ellendeling! Hij ìs immers niet meer

verantwoordelijk nà dat ongeluk met die bom.... Al wat ik daar schreef,

is immers maar een verhandeling over het jongensachtige, dat wàs....

* * * * *

Het jongensachtige dat wàs, en nog zoo echt wild en onbesuisd aan den

dag trad: ook in de bestrijding van den lof, dien ik den vertaler van

Le Feu toekende. In dat

de-klok-hooren-luiden-en-niet-weten-waar-de-klepel-hangt. In dat

dooreenhaspelen van verschillend-soortige [p.184] waarden en het

verwarren van ten eenenmale verschillende plans van beschouwing met

elkaar. Een boek kan linguistisch-accuraat vertaald zijn en de vertaling

kan, aesthetisch-critisch gesproken, een prul zijn. En omgekeerd: een

boek kan linguistisch niet zéér nauwkeurig zijn overgezet, en de

vertaling kan een meesterstuk wezen. Mij, kunst-critisch beoordeelaar,

raakt de linguistische juistheid der overzetting precies in die mate,

niet minder maar ook niet meer, als zij de kunst-waarde beïnvloed

heeft. Heeft zij die kunstwaarde benadeeld, dan laak ik haar; is dat

niet het geval, dan laat zij mij volmaakt onverschillig. Ik ontken ten

nadrukkelijkste, dat de door van Vriesland aangewezen onnauwkeurigheden

de kunstwaarde van de Rosa's vertaling hebben geschaad. En ik blijf

als mijn meening handhaven, dat hij zijn kunstenaarsaanleg en

meesterschap-als-vertaler prachtig heeft getoond door: zijn

voortreffelijke transpositie uit het Fransch, van stemmingen en het

dialogistisch leven; door: het geven ook, telkens en telkens weer, van

aequivalenten in onze taal, juist voor die scherp-beeldende woorden--ik

heb een enkel voorbeeld in mijn critiek gegeven--in het vinden waarvan

Barbusse zoo heeft uitgemunt. Dat ik overigens met mijne bepaling van de

betrekkelijke waarde der linguistische accuratesse niet alleen sta,

wordt wel door niets beter dan door de houding van de Meester jegens

deze overzetting, bewezen. Hij zegt: "Wij voor ons hebben den vertaler

bewonderd". Hij noemt de Roza "een uitmuntend kenner ook van het

spreek-Fransch". En terwijl toch volkomen uitgesloten is, dat hìj,

ongetwijfeld een van de beste Franschkenners in ons land, die

onnauwkeurigheden niet zou hebben bemerkt. Maar ook hij,

kunstbeoordeelaar evenals ik, zal die foutjes volmaakt onbelangrijk

voor de bepaling van de kunstwaarde der vertaling hebben geacht, en die

derhalve, alweer als ik--zooals van zelf spreekt: hun bestaan daarmee

volstrekt niet ontkennend--aan de als linguisten poseerende

vlooienzoekers ter apige vondst en oppeuzeling hebben overgelaten.--En

nu ... zou ik mij nu, na zooveel zelfbedwang te hebben getoond, nog boos

maken, omdat onze overigens zoo lòslippige kwant ook 'ns voor de

verandering de lippen [p.185] stìjf op elkaar hield geklemd toen-ie ze

had behooren te openen om te vertellen, dat ik niet slechts op de

voordeelen maar tevens op de nadeelen van "het gebruik van 't

vocabulaire der Burks" heb gewezen? Ja ... gij lezers houdt wel van zoo

iets, maar gij hebt makkelijk praten ... gòtbewareme.... En als 'k 'm

nou in m'n drift 'ns 'n ongelukkige slag gaf? Wat dan?... Dan zou ik

immers m'n heele leven 't gevoel houden, dat Herodes na den kindermoord

van Bethlehem moet hebben gehad....

* * * * *

En nu het pathologische? vraagt ge. Jawel, dat komt. Maar ik had nu toch

wel veel liever een medisch hoogleeraar in plaats van een schrijver

willen wezen. Dan had ik den ongelukkige, vóor ik mijn college aanving,

met een verpleger de zaal uitgestuurd. Want àls-ie nou 'ns begrijpt wat

ik zeg, dan moet dat toch averechts op zijn--hoewel trouwens

onwaarschijnlijke--genezing inwerken. Maar in Godes naam, vooruit maar,

het belang der gemeenschap gaat nu eenmaal boven dat van het individu.

Daar zijn wij 't, bij uitzondering, in dèzen tijd toch wel allemaal over

eens, niet waar....--Onze patiënt dan heeft het volgende zinnetje

neergeschreven: "Ik bedoel van Campen (die, o jammer, in dit beschaafd

gezelschapsspelletje zijn kunstproza opgaf om kritieken te leveren".)

Nou ... wie doet je wat!... Het "beschaafd gezelschapsspelletje" waarvan

hier sprake is, dat is Stad en Land, en daarin--zoo meent onze

patiënt--heb ik dus mijn kunstproza opgegeven, om kritieken te leveren!

Welnu, luister: ik schrijf niet pas kritieken, sinds ik medewerker werd

aan Stad en Land, ik schrijf er sinds 1903! En ik heb het schrijven

van mijn "kunstproza" niet opgegeven in 1917 maar in 1908...! En ziehier

nu, kort en bondig, de bladen en tijdschriften, waarin ik gedurende al

die jaren critische opstellen en essais heb gepubliceerd: De Kroniek

(van Tak), De Amsterdammer, Het Volk, De Boekzaal, De Ploeg, De Gids

en De Nieuwe Gids. Dat zijn, niet waar, nu niet bepaald obscure

blaadjes? En ofschoon heel het literair ontwikkeld publiek dus moet

weten, dat ik sedert jaren aan critiek-schrijven doe, deze dichter,

prozaist en [p.186] collega in de critiek weet het dus niet. Let wel:

hij weet 't niet. Maar ach, maar ach, hij wist 't natuurlijk wel.

Alleen: de granaatschok heeft klaarblijkelijk zijn geheugen vrijwel

volkomen vernietigd. Gij zult het mij wel willen toestemmen: deze

omstandigheid maakt hem reeds tot een interessant psychiatrisch geval,

maar als een psychiatrisch unicum schat gij hem pas zoodra ge 't

volgende verneemt. Onze patiënt had tot vriend en leeraar een reeds

ietwat bedaagd en hoogst eerbiedwaardig geleerde en kunstenaar. Nu

geviel het eene keer, dat deze man een boek schreef en ik dat vrij

uitvoerig recenseerde. En toen nu mijne kritieken weer eens werden

gebundeld, nam ik ook die erin op. Onze patiënt--die, gelijk ik U reeds

zei, in zijn helderen tijd een aardige jongen was--bracht, naar ik later

vernam, mijn bundel naar zijn geliefden leeraar en vriend, en deze, die

mijn critiek op zijn werk nooit gelezen had, was daar toen buitengemeen

mede verheugd, en hoogstaand man als hij is, aanvaardde hij naast mijn

lof ook mijn in de critiek vervatte, niet geringe blaam en noemde mij

den besten criticus des tijds én: een man van hooge eerlijkheid. En

dat nu dìt gebeuren, waarin hij zelf een rol speelde, en dat op zijn

jeugdig gemoed toch een diepen indruk moet hebben gemaakt, thans zóó

spóórloos uit het brein van dezen beklagenswaardigen lijder blijkt

vervluchtigd, zoodat hij 1° niet meer wist, hoe ik reeds lang geleden

critieken heb geschreven, en 2° trots de hem bekende meening zijns

geliefden leeraars, mijn eerlijkheid heeft aangerand, dàt, nietwaar,

stempelt zijn geval tot een, waarvan men hoogstens de weerga in dat van

die geleerde Russische dame kan vinden, die op een morgen ontwakend, tot

zelfs haar moedertaal vergeten was, en die men voortaan als ware ze een

kind, in alles behulpzaam moest zijn. Helaas, ook in dit laatste ziet

gij maar al te wel de treffende overeenkomst der symptomen. Heb ik ook

dezen jongen man reeds thans niet meer dan eens op het kinderstoeltje

gezet?...--

* * * * *

Maar "pathologisch" of "jongensachtig", dat zijn maar de

onderscheidingen der analyse. Stijgt nu langs het pad van mijn

geestelijk [p.187] gehoor en gezicht tot de hoogte der stralende

synthese op. Onderken in zijn wezen de ééne zielshouding, in zijn

uiting de ééne zielskreet.... Toen hij geknield lag voor den

Mosgroenen Troon.... Beluister wat hij toen zeide: "O, opperst en

onvolprezen Heer der Nieuwe Groene, ik heb mij ganschelijk U gegeven. Ik

heb mij vernederd tot er niets meer aan mij te vernederen was. Ik heb

mij ijlings tot Uw dienst gespoed, en eens de gelegenheid mij door Uwe

genade gegeven, Uw heiligen dienaar Scharten de voeten gezalfd, maar van

Campen, den booze, vernietigd. Neem dit in welbehagen aan. Het is waar:

ik heb het verbod van het afleggen van valsch getuigenis overtreden,

toen ik het voorstelde, alsof deze verworpene zijn arbeid uit kliekgeest

had verricht, want van de honderden regels, waaruit dat opstel bestaat,

spreken slechts een tiental over den vertaler, maar nochtans bedenk wel,

o Heer der Groene Scharen, de nietigheid van dit verbod: is het niet

slechts uitgegaan van den God der "Joodsche querulanten"?... Ja, ik heb

mij zoo gebogen in 't stof en gedompeld in 't slijk, dat ik, mijn zij 't

kort verledentje als een verrotte en leege huls achter mij werpend, in

een hetzerig zinnetje het heb doen voorkomen, alsof deze "kliek"

slechts uit een natúúrlijk "het Uilenburgsch idioom" sprekend kringetje

Ghettojoden bestond. Mocht Gij dan ook Uwe ooren niet sluiten, mijn God,

voor mijn Haarlemmerdijksch-antisemietische grap en vergeet haar

verdienste niet: Jozep Loopuit heb ik hem genoemd... bah! zoo'n

Jiddische naam ... Jozep, "Uilenburgsch"-dik, heb ik 'm nagesmoust

uit m'n kelder ... Heer, ik heb mij zelf gebròken in Uw dienst; nu kan

ik niet meer, laat het genoeg zijn. Mag Uw knecht thans ingaan tot uw

vrede?"...

En zìe, zìe nù ook, hoe zich het troostend wonder voltrok. De

duister-dreigende, ondoorvorschbare nacht-gewelven boven den troon

--herziet ge 't wel?--werden van uchtendlicht doorschoten. Als een

bloemige dageraad verscheen de borst des gods, en gelijk het aanschijn

eens halsketens, gelijk het aanschijn van Charivari daaraan hangende,

beukelaar helm en zwaard en inktkoker en vergrootglas, straalde het in

vurige gedaanten, en de verschijning des Charivari's, dreigend [p.188]

gebliksemd hebbende, verwisselde hare gestaltenis, veranderend

genaderijk in gouden engelenkopjes, liefde-hartjes en strikjes. Tóen

sprak een Stem van boven de stralingen: "Nademaal, Mijn Zoon, gij U om

mijnentwil zoozeer bevuild hebt, wasch Ik U af. Nademaal gij U-zelf hebt

verworpen, richt Ik U op. Gìj hebt veel geleden, Mìjn vertroosting zal

rijkelijk zijn. Zie, Ik geef U naam en macht in Mijn Huis. Elke twéé

maanden zult gij op het Perkament der Zaligen één héél stukkie mogen

schrijven van 3/4 kolom, en het zal velen tot gerief en uitkomst in hun

meest benauwde oogenblikken verstrekken, en de zegeningen van Psalm 150,

dewelke ook genaamd wordt Koef-Noen, zullen uw loon zijn. Maar weet,

Mijn zoon, en verkondig het alomme, het einde der dagen van De Nieuwe

Groene is nabij, ja het is haastiglijk te komen. En het zal te dien

tijde geschieden als Mijne vijanden den mond wijd zullen opensperren en

uitbreken in gejuich, dat Ik een nieuwe Tent-van-Wiessing maken zal,

hoedanig geen Kleerekoper ooit heeft aanschouwd noch een Hahn geteekend.

En Ik zal de Salon-Bolsjewieken roepen, mitsgaders de

"Bleeke-Broeder-Fransje's" en zij zullen Stad en Land omkeeren te vuur

en te zwaard en ook van de paleizen der van Hamels en van Eedens geen

steen op den anderen laten. En Ik zal roepen tot den lande Blaricum,

Mijn Woon, en het graf zal de Heilige Aestheten teruggeven, die daar

hebben geleefd en gewerkt; zij die de nimmer gekamde haren tot over den

van extase-vuur gebruinden nek hebben gedragen; en zij die met bloote

beenen liepen vanwege de dreiging des gaten-vallens in de kousen, bij

den zevenvuldigen knieval voor Mijner Muzen troon, en om de moeiten des

stoppens; en zij die van wege hun bezworen onthouding in vijf en twintig

jaar geen druppel water op hun lijf hebben gehad. En ik zal ook tot mij

vergaderen de verfijnden, hen die met welriekende geuren zijn overdauwd,

die in de Lichtstad hebben gewoond, en daar tot de Zuivere Inzichten

zijnde gekomen, voor eeuwig de Onvergankelijke Waarheid hebben

bevestigd, dat niet, gelijk de Vijand de Rosa lasterde, een cocotte

een ketel is, maar dat cocottes (lieve) kippetjes zijn. En zie, ik

zal de Salon-Bolsjewieken doen neerzitten bij de

"Bleeke-Broeder-Fransje's", maar de Ongewasschen Stinkers zal ik

scheiden van de Geurenden, opdat niet hunne neuzen hun een verderf der

zaligheid zullen zijn. Edoch, gezamenlijk zullen zij juichen voor Mijn

Aangezicht. En gij, mijn Knecht, gij nu-droevig-in-uw-hemd-staande, hul

U thans in de lichtglanzen van dit Mijn heerlijk woord: In deze

Nieuwe-Tent-van-Wiessing zult gij een der ópperste onsterfelijken en

zaligen zijn...."--

-- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- --

Mijne vrienden, het doet mij leed, U zoo te hebben moeten teleurstellen,

gij hadt natuurlijk op zoo'n ouwerwetsch "scherp" polemiekje van mij

gehoopt. Het spijt mij, ik kón niet hard zijn tegen mijn gevoel in. Bant

mij deswege niet uit deez' knusse kliek. Een andermaal beter, ik belóóf

't: als 't gaat tegen een geestelijk-volwassene, èn die bij zijn volle

verstand is.

30 Nov.--1 Dec. '18.

Noot:

[1] Polemiek naar aanleiding van een in De Nieuwe Amsterdammer

gepubliceerden aanval op de critische eerlijkheid van mijn opstel: Het

Helden- en Leerdicht van den Wereldoorlog.--

* * * * *

CARRY VAN BRUGGEN: OM DE KINDEREN [p.190]

Jodin in de diepste gronden van haar wezen--'t geen allerminst zeggen

wil: in haar bewustzijn--; een kind van het ras, dat, zeker in zijn

eigen taal en bloeitijdperk, geen bladzijde literaire kunst heeft

geschapen, welke niet leeraarde of vermaande, niet aanviel of

verdedigde; een ras van lyrici bovenal--is Mevr. van Bruggen een van de

meest-begaafde en zielvolste schrijfsters van ons land gebleken, èn

kon zij er nochtans niet in slagen, een roman te maken, welke met het

beste werk harer kunstzusters op één lijn kan worden gesteld. Een geest

tè rijk, een hart tè groot, omdat zijn zelfbeheersching te gering is.

Een ziel te hartstochtelijk, om zich onder discipline te bukken, en die

daarom ook zienderoogen verarmde, afkoelend-inkromp, zich niet meer

geven kon in àl haar schoonheid, toen eens gelouterder kunstbegrip en

vaster wil, zich in haar openbarend, haar die discipline opdrongen. Een

menigte van begaafdheden is 't in haar; begaafdheden die, in 't

elkaar-verdringen voor de poorten van het woord, elkander verminken. Het

rusteloos betoogen der essayiste gunt vaak der romancière de

bezinningsstilte voor het beelden niet. De haat en de liefde van de

opstandige rooft telkens de epische auteur de rust, die boven opstand èn

berusting beide is. Dàn gaat de geesteshouding van den epicus in die van

de opstandige, van den apostel teloor. De eerste leeft mede met zijn

schepselen, de laatsten worden geleefd mèt hunne mede-creaturen.

Dàn, in zùlk strijdrumoer, door zùlke vlagen van den strijdbaren,

dóórdrijvenden wil, worden de deuren der diepste onbewustheid als door

een storm dichtgeslagen: het schoonste woord [p.191] blijft ongezegd, de

schoonste verschijning in 't ongekende donker gevangen. Dit haar boek is

zeer wel in twee gedeelten te splitsen. Het eene: waarin het

persoonlijk-rhythme van den vrede en harmonie heerscht: het is dat deel

waar de figuren verblijven, die de schrijfster liefheeft; of waarin de

natuur wordt gebeeld, ja zelfs waarin al datgene leeft, waarvoor zij

noch persoonlijke liefde noch afkeer heeft. Dat deel is schoon en zoet

En om even het wellicht allerbeste daaruit te noemen: Emilie's

droom--dat bezit een voortreffelijkheid, waarvoor ik de diepste

bewondering heb. Maar dan is daar helaas ook dat andere deel: het bagno

der gehaten, waarin het persoonlijk-rhythme van den innerlijken onvrede

en der disharmonie overheerscht--daar wordt het werk een ruzie-, een

kijf- en een roddel-boek. Het is het noodlot--maar het zeer wel

ontkoombare--van de joodsche profeten- of apostelen-natuur, die een

roman schrijft. Want: het is het noodlot van hem, die van het

onpersoonlijke toornen tegen ideeën, zeden, en volkeren tot het

boos-zijn op individuen vervalt. En de romanschrijver lokt den

profeet en apostel voortdurend in dien strik, want het is de levenstaak

van den romanschrijver zich met het scheppen van individuen en der

zich vervlechtende kleine, individueele lotgevallen bezig te houden.

Maar dat, in 't algemeen gesproken, aan dit noodlot, aan dien strik, te

ontkomen valt, is buiten kijf. Te vaak is dit ook door werk in onze taal

bewezen, dan dat hieraan zelfs een schijn van twijfel zou kunnen

bestaan. En zoo nu Mevr. van Bruggen er nièt aan ontkomt, dan mag dat

wel allerminst een reden zijn om het vèle en zèer schoone in haar arbeid

te miskennen, maar het mag ons zeker wèl aanleiding geven een opmerking

te maken, die er zich nochtans, in het bewustzijn dat prikkels een

sterke áántrekkingskracht voor verzenen hebben, wel voor wenscht te

hoeden een raad te zijn. Het is deze: het geven van veel meditatie der

figuren--en welke eindelóóze meditaties geeft deze schrijfster!--en van

psychologische ontleding, versterkt natuurlijk de analytische

vermogens, en dat zijn in hun diepste wezen de middelen van strijd en de

krachten van ontbinding; het plasticeerend-beelden der figuren

daarentegen versterkt de synthetiseerende [p.192] vermogens, en dat

zijn de krachten van het vredige, het harmonische en het

in-stand-houdende. Het zou derhalve voor de hand liggen, dat een

schrijfster als mevr. v. B., wier werk lijdt onder een tekort van de

laatste en een te veel van de eerste, en die bovendien zulk een

prachtigen aanleg voor het plasticeerend beelden heeft, zou pogen aan

dièn aanleg héél haar psychisch wezen tot vrediger sfeer en

zuiver-stille aandacht omhoog te heffen.... Nochtans, hoever is zij

daarvan in dit werk verwijderd! Onder den drang van haar hekellust,

wordt zij soms op het moment-zelf dat zij dien aanleg gehoorzaamt, hem

reeds ontrouw. Dezelfde kunstenares, die buitengemeen-fraaie

natuurbeschrijvingen geeft; die de liefdevolle beelding van een Ard

Hettema vormde, schrijft in hetzelfde boek dit

stuiversblad-novellezinnetje: "een bejaard, kort heertje, bestaande

uit[1] zomersch lichtgrijs ruitjespak, grijzend puntbaardje en

glanzende bruine schoenen". En niettemin zoudt ge u vergissen, als ge

hier ook den "humor" van het stuiversblad achter vermoedde--deze

schrijfster is er verre van, dergelijke geestelooze flauwiteiten neer te

kladden--neen, het is niet anders dan de haat tegen, de hekellust ten

opzichte van het haar antipathieke type: meneer Scheffelaar, dien zij

hier uitviert. Indièn die drang en zijn gevolgen eens kwamen te

vervallen, wel, laat mij ook dit er van zeggen, we zouden er misschièn

ook iets bij verliezen. Allereerst: zeer geestige spot; dan: zekere

uitmuntend-venijnige analysen in figuren-meditaties en daarbuiten. Maar

toch, néén, we zouden immers dit alles niet hoèven te missen, het zou

hoogstwaarschijnlijk niet verdwijnen maar wel van een hooger en fijner

natuur worden. Nu zijn toch, in de analysen en meditaties, de

heel-subtiele, de opperst-fijne plaatsen zeldzaam--ik kon er slechts

een vier of vijftal noteeren--nù is de schrijfster zelfs nog niet allen

vreemden invloed te boven: er zijn bijna-"sensitivistische" gedeelten in

de beschrijving van Frans' wandeling, die mij duidelijk op van Deyssel

geïnspireerd lijken en ook iets van zijn eigenaardige geserreerdheid

vertoonen. [p.193] Dàn echter, in die stiller en zuiverder atmosfeer,

zou dat heel-subtiele, dat opperst-fijne vaker openbloeien; dàn, in die

rustige en zielsdiepe bezinning geen vreemde invloed ongezien meer

kunnen binnensluipen; en dan zou het ook, bij deze rijk-scheppende

natuur, allicht wemelen gaan van waarachtig-dichterlijke schoonheden als

deze: "sleepte hij zijn stok bij den greep achter zich aan, een spoor

van zijïge ritselingen, als volgden hem vogels op den voet." En hoeveel

beter zou de beelding van het kinderleven ook worden, een genre,

waarvoor onze schrijfster reeks zoo menigmaal aanleg heeft getoond--het

kinderleven dat in dit boek niet in de schàduw zelfs, van bijv. Ina

Boudier's scheppingen kan staan. Want waar het beelding is, levend

bewegen, is 't meestal zóó "humor"-rijk, zóó

vettig-van-'n-traan-en-'n-lach.... "De twee kleine meisjes

protesteerden tegen dit stellen van een premie op valsch zingen".

Foei, foei, Mevrouw, U die hier in de sfeer van het kinderleven

behoorde te zijn. U die hier in hun ziel moest leven, en daaruit

spreken, ù schrijft hièr van: "protesteeren" en "het stellen van een

premie"? Zoo zouden wij, niet-scheppenden, dat zacht-grappig

vertellen, wij, die deze sfeer van buiten-af liefjes waardeeren of

beminnen....--En hoeveel te eer zouden dan ook de toevalligheden in de

compositie verdwijnen.... Komaan, hopen wij dat, in de toekomst, de

opstandelinge niet meer der romancière dien innerlijken vrede en

harmonische rust zal rooven, waarzònder het werk der laatste, trotsch al

hare gaven, toch immer slechts tweederangs blijven zou.--

Dec. '18.

* * * * *

A.B. KLEEREKOPER: OPROERIGE KRABBELS

Over literatuur Critisch en didactisch, tweede bundel · 第 14 / 22 段