denken. Ook hier, één verhaal uitgezonderd, een reeks van
"liefdedrama's", ook hier, zoo ik mij niet vergis, een eersteling, en
ook hier van een schrijfster. Maar er is tevens een stevig onderscheid,
en wel een, dat zich reeds in de titels der werken toont. Het luchtige
en een beetje gewild-humoristische der "Amoureuze Perikelen" is in
"Donker Geluk" niet te vinden, en de diepe toon van den laatsten titel
allerminst in den eersten. En zoo het meest essentieele geluk, dat door
het lezen van een boek in ons kan worden gewekt, bestaat in het
beluisteren van de schoone "stem", het individueele-rhythme van den
auteur, dan geeft de lezing van dit boek inderdaad wel een donker geluk.
Want het geluid dezer schrijfster is van een diep-sonoor en warm
clair-obscur, 't welk dat van Emmy van Lokhorst mist. En in de gaafheid
van den schoonen stijl, in het wel-overwogene van het juist-gegrepen
woord, treedt een ernstige psyche aan den dag, als slechts zelden zich
zóó in eerste werk vermag te uiten. Sommige verhoudingen mogen in deze
kleine schetsen--en dit "kleine" behelst tevens de verontschuldiging van
het gebrek!--wat onduidelijk zijn, en door hun vaagheid de stoornis van
het zich-niet-geheel-bevredigd-voelen doen opkomen; aan den anderen
kant, en kijk eens hoe opmerkelijk dit is, openbaren zich hier een
voldragen hartstocht-in-'t-doorleven en een trillende nervositeit, die
aan De Meester doen denken, zonder dat zij als bij deze den stijl laten
beven en trappelen op zijn fijne rasbeenen en ge diens sehichtende oogen
en opgestoken ooren [p.146] de dreiging en de weelde van een wereld van
gewaarwordingen ziet ondergaan. Deze overeenkomst bij dit verschil is
vooral in Vreugde te bemerken....--Ik heb dan ook een diepe bewondering,
zoowel voor de psychologie als voor het beschrijvende deel van dit werk.
Dat alles is zeer gaaf en rijp. De dialoog kon hier en daar wat beter
zijn. Geen sprake is er echter van, dat zich hier een lacune in het
klaarblijkelijk zéér groote talent dezer schrijfster zou vertoonen. Een
onbewust te sterk styleeren is er slechts oorzaak van. Men zou wellicht
deze auteur in overweging moeten geven niet tè zeer naar bevrediging van
dien styleeringsdrang te streven. Bij verder doorgevoerden wasdom van
haar kunstenaarsvermogen zou de beeldings-nauwkeurigheid, die nu nog
ongerept-evenwichtig werkt, in precieusheid kunnen ontaarden, 't geen
jammer voor den schoonen eenvoud en de stille wijsheid ware, die nu zoo
teer ook de natuurbeschrijvingen doorschuchteren. "Heel even maar ...
toen was het stiller dan daar voren, of er snaren strakker gespannen
werden, of de teederheid rondom angstvalliger werd." "Zoo vroom, zóó
stil was rondom de mijmering, dat hij onwillekeurig alleen maar
luisterde[1]. Ook nu hij het hoofd wat neeg en naar den grond bleef
zien, voelde hij de goedheid dichtbij--hoorde hij in de stilte de
innigheidsstem. Ongezien was tòch de teederheid der sfeer hem duidelijk.
Zuiverheid en goedheid, anders was er niet." In dergelijke
beschrijvingen van uiterlijk-innerlijkheid leeft een psychische
schoonheid, die wel waard is zoo nauwlettend mogelijk voor elke
ontluistering te worden behoed.--De beelding der sexueele liefde en haar
eigenaardige egocentrische één-tonigheid--er is geen andere liefde, die
het individu, onder den schijn van het zich aan een ander te doen geven,
zóó aan de bekommering der zelf-contemplatie houdt geboeid!--moge op mij
ook in dit werk, de reeds meermalen hier ter plaatse door mij
gekenschetste uitwerking niet hebben gemist, laat mij erkennen hoezeer
dit tevens voor de juistheid der beelding pleit en er ook de
opmerkzaamheid op vestigen, dat in het laatste [p.147] verhaal,
Afscheid, die liefde wordt getoond als aan zichzelve ontgroeid en van
hooger natuur geworden, terwijl de uitbeelding toch even uitmuntend
blijft.--Ook in de herschepping der manlijke psyche is onze schrijfster
zeer gelukkig. Iets van het gulle, het robust-levensvolle van een Ina
Boudier-Bakker leeft in haar arbeid dan. En herinnert het schetsje
Maanavond in zijn fraaie uitbeelding van kinderleven, dus op weer andere
wijze, niet tevens aan deze voortreffelijke kunstenares? Er openbaren
zich vele gaven in dit werk, en vele perspectieven opent het. En denk ik
ook nu weer aan Emmy van Lokhorst, dan voel ik mij geneigd tweeërlei te
gelóóven. Het eerste: dat Jo de Wit--want wie zou ook bij eene
beoordeeling als deze, van eerste werk immers, met volle gewisheid
durven spreken--de meest- en ernstigst-begaafde van beiden is. Het
tweede: dat in het paradijs der jongste novellistiek alleen Eva schijnt
overgebleven. Adam schijnt er te--onnoozel onschuldig voor! Que veux-tu?
Zoo zijn de moderne paradijzen: die niet uit volle begeerte van den boom
des onderscheids van goed en kwaad eet, die nièt zèlf er naar greep, diè
wordt eruit gedreven. Ook de engelen worden zuìverder-critisch. Wat geen
wonder is. Sinds Scharten in den hoogsten hemel der Christelijke Liefde
werd opgenomen, kan men elken Zondagmorgen een heele school Seraphim en
Cherubim aan zijn voeten zien gevlijd, om de heilige woorden van het
juiste critisehe inzicht op te vangen. En de lange gestalte van den
Grooten Leeraar steekt--geen gering paedagogisch voordeel!--nog zelfs
boven de zeshonderd el metende Seraphijnen uit. Het is, bij heldere
lucht, een schoon en treffend gezicht.
Oct. '18.
Noot:
[1] Cursiveering van de schrijfster.
* * * * *
[p.148] AUGUSTA PEAUX: GEDICHTEN
Toen ik dezen bundel verzen had gelezen, bevond ik 't noodzakelijk bij
mij-zelf een gelofte af te leggen. En nu ik aanvang erover te schrijven,
acht ik 't niet minder noodzakelijk, haar in 't openbaar te herhalen.
Want de mensch, en vooral de bekóórde mensch, is zwak. En zoo moge ik de
kracht om mijne gelofte te houden, versterken met de vrees voor de
schande, die mij, zoo ik haar publiekelijk brak, zou treffen. En wèl
gelukkig is 't dan ook, dat ik slechts een literator ben! Ai mij, zoo ik
eens staatsman ware; wàt middel had ik dan wel tot zelf steun moeten
aangrijpen....--Maar ziehier dus wat ik mijzelf plechtig beloofde: ik
citeer geen enkel vers. Want ze zelf u te tóónen, en er dàn een nog door
het citaat verkleind kroniekje over te verredekavelen, neen, voor zoo
gering een bejegening zijn deze gedichten te edel en groot. Want vòl
zijn zij zoowel van den ernst van een deemoedig en schoon menschenleven
als van dien eener kunst, die mij van de jeugd af de liefste is geweest:
de verzinnelijkt-geestelijke der tachtigers .... Een deemoedig en schoon
menschenleven, zei ik, en waarlijk: als iemand, gelijk deze vrouwelijke
de Hérédia-in-gewetensvol-geduld, zijn werk een menschenleeftijd
bewaart, slechts schaars er iets van in de tijdschriften publiceert, om
't dan ten slotte in een uiterst-pretentieloos uitgegeven bundeltje te
doen verschijnen, èn een dergelijke arbeid blijkt zulk een schoonheid
als deze te bevatten, dan mag dat niet alleen, maar mòet dat door zijn
beoordeelaar worden gezegd. Hier niet het eerzuchtig bejag eener ijdele
en pralerige kunstenaarsnatuur. Hier het zuiver dienen, de stille en
roerlooze wachting--het wachten, [p.149] niet op roem en eer, die het
talent eens wellicht moge brengen, maar op zijn gerijpte kracht. Hier de
klare en edele, innerlijke rust. O, had ik nu mijn gelofte niet gedaan!
Want daar is één gedicht in dezen bundel--het héét ook Rust--waarin deze
schoone ziel ten volle, juist in haar onverwrikbare, als oud-Indische
wijsheid stil glimlachende afgewendheid van het ijdele en vergankelijke
aan den dag treedt....--En toch--ik heb het wel goed ingezien: hoe
weinig zou het citeeren van dat eene dichtje mij dan weer hebben
bevredigd, en welk een verkeerd want eenzijdig-belicht beeld zou de
lezer allicht daardoor van dezen levensarbeid hebben ontvangen. Ziehier
trouwens hoe ik mij troost: ik neem mij stellig voor, dezen bundel
elders, binnen eenige maanden, op uitvoerig didactische wijze te
behandelen. Er is reden te over toe, want--en dit moge hier reeds, zij
't dan zonder iets te bewijzen, worden gezegd--al het schoone, al het
edel-rijke, dat reeds onze verrukte jeugd in den stijl en het tijdperk
zag leven, dat wij kortweg Nieuwe-Gids noemden, dat is ook hier in eene,
wat ik zou willen noemen nederige en essentieele bijna-volledigheid
aanwezig. In verschillende van de deze volledigheid samenstellende
elementen hebben de groote tijdgenooten van onze dichteres, de een in
dit, de aer weer in een ander, ongetwijfeld hooger schittering ontstoken
en oneindig hartstochtelijker werkdadigheid ontplooid--geen echter heeft
in zoo luttelen omvang zoo veel vereend. Bij haar zijn èn de gedachte èn
het gevoel in de hoogere eenheid der ver-beelding saamgesmolten. Bij
haar is er--schoon veel schaarser: ik zou daarvan slechts een paar
voorbeelden kunnen noemen--ook de neuriënde muziek van het woord, een
liedje, lief en puur simpel. Als een zéér fraai voorbeeld van een uit
gedachte en gevoel ontstaan verbeelden, dat tevens muzikaal doorzongen
is, mag wel het krachtige en zuivere Nieuwe Stad worden genoemd. Bij
haar zijn er de rijke prachten der van geestelijkheid doorgloeide en
verreinde sensualiteit en ook dier schemerdiepten van een 'n geheimvol
leven omhullende wazigheid. Bij haar dan ook de gloeden van Oostersche
visies, als in 't goudelend nacht-donker van Van Looy. En bij haar de
fijne wendingen, subtiel, kort [p.150] en vluchtig, als, op een ander
plan, in critisch proza van Van Deyssel. En gelukkig! háár ook, trots
haar "tachtiger"-aard, heeft ten leste ook het maatschappij-leven niet
onbewogen gelaten: sommige harer beste verzen zijn tijdzangen en uit de
smart van den oorlog geboren. En voor wie haar werk zou willen
vergelijken met dat van sommige dichters van de láátste jaren, moet het
al zeer onderrichtend zijn, een impressie als Werkpaarden naast
"instantanés" te houden, zooals men ze tegenwoordig in weekbladen en
tijdschriften tegen het gewiekste lijf loopt, handelsreizigers in
dichterlijkheid meteen kraakstem en vlugge kneed- en vouwgebaartjes van
emballeurshandigheid. Zie dáárnaast de edele gestalten dèzer verzen, hun
hoog gedrag; beluister hun diep-weerklinkende stem. Zeker, men vindt ook
hier sòms het cerebrale in ongunstigen zin: het gezochte. Somwijlen
slaagt haar rijp technisch meesterschap erin, dat bijna te verhelen,
maar een enkel maal heeft het tè opvallend de gaafheid der beelden
aangetast, dan dat niet een ieder het merken zou. En ook mist men
hier--hetgeen toch een kenmerkende "tachtiger"-eigenschap is--het
uitlaaien der passie; máár het bloeiende leven dezer kleine wereld doet
u toch wel begrijpen dat het binnengrondsche vuur er is. En--hebben wij
dan ook niet aan de onstentenis van dat vulkanisch-tragische natuurdécor
te danken, dat hier tevens een enkel keer de bloemen der koelere
gronden, de schalkheid en de humor bloeien èn er niet misstaan?...--Bij
haar is ook die vol-doortinteldheid van het vers, dat zich-voortvlechten
van schoonheid in schoonheid, als schakel in schakel, tot het als een
gouden band, bezet met meest donker-flonkerende steenen, zich om den
klòppenden pols uwer feestelijke vreugde samensluit; een eigenschap, dit
zich voort vlechten, die, in verband met den indruk, welken hare
gedachten-zwaarte wekt, somwijlen, eventjes en van verre, aan de schoone
ketenachtige verwikkeldheid van het Shakespeariaansch vers doet denken,
en die overigens wel vermoedelijk, in diepsten zielsgrond, verband zal
houden met de vasthoudendheid, waarmede deze geest lang een zelfde
motief bewaart, en daaraan droomig voortspint. Een enkel maal is dit
verschijnsel duidelijk aanwijsbaar. [p.151] Het motief van: het
logenachtige of veinzerige van een stillen vijver, komt voor 't eerst in
In 't Bosch voor, duikt dan, gelijk een stroompje in den grond, neer in
't onderbewuste, vloeit daar klaarblijkelijk voort, om plots in Een
Vijver weer zichtbaar te worden. Hij die, als ik, ook deze eigenschap
een uitvloeisel acht van de stille en trouwe rust, de onbaatzuchtige en
onvertroebelde neiging tot nederig wachten, die deze kunstenares zoozeer
adelen--hij zal allicht, evenzeer als ik, haar geestelijke figuur zien
als een dier beminnelijke vrouwen, op wie, in het dadenrijk en
aanzienlijk gezin, waartoe zij behooren, weinigen aanvankelijk achtten,
maar die, na het voortgegleden zijn der jaren, als het luide leven der
beroemde broers tot zwijgen neigt, stil van toon en met heur kalmen
glimlach nu iets van haar leven en ziel, in heel dien verren en wijden
tijd, openbaart, èn daarmede een tot dan tè achteloos voorbijgeziene
schoonheid, nog door stillen deemoed verzoet....--Ik heb zelden zóózeer
gehoopt, dat mijn woord eenigen invloed moge hebben en velen tot lezen
zal bewegen, als ditmaal.--
Nov. '18.
* * * * *
JAN FEITH: ONZE MEDE-DIEREN
Indien de begaafde auteur van dit boek, die, alhoewel in onze
Forensische woon[1] lid der Overheid en hóóg boven mij geplaatst, in
stad, in die aardige Het-Jonge-Leven-buurt, mijn buur en gelijke is,
wel eens daar over de schutting, die onze tuintjes scheidt, in het mijne
heeft getuurd, dan zal hij weten allicht, dat daar een boom staat, een
boom, dien ik indertijd heb--opgezet over: De Dieren in de
Literatuur.... Maar of hij dien kent al dan niet--ik durf nauwelijks op
zooveel belangstelling hopen--mìj kwam die boom op voor mij-zelf zéér
ontstellende wijze in de gedachte, toen ik met de lectuur van dit mijns
buurmans boek tot op blz. 33 gevorderd was.... Want die gedachte was
niet meer of minder dan moorddadig.... Zij had ongeveer dezen
Heiniaanschen inhoud: het eenige wat er nog aan mijn tuintje ontbreekt
is: dat er iemand aan dien boom bengelt ... en met keek ik beulachtig
naar den hals van--m'n buurman....--Ge schrikt, lezer, en begrijpt
niet, dat ik, onschadelijke, zóó iets dacht.... Welnu, laat mij u dan de
psychologische verklaring geven, en met des te meer vrijmoedigheid,
omdat, al verder lezend, mijn moordlust plaats maakte voor zoo Warme
Waardeering, dat ik, zóó als ge me hier ziet, reeds ònder dien zelfden
boom, waaráán ik hem eerst wilde ...---ik dùrf 't woord niet uit te
spreken!--hem een gezellig zitje heb bereid. Mijn moordlust werd dan
door deze overwegingen gewekt: Wat de antieke fabeldichters en wat de
schrijvers van het [p.153] middeleeuwsch dier-epos betreft--er is voor
het feit, dat zij het dier slechts als spiegel der menschheid schenen te
zien, en nauwelijks óóit het dier-zelf, een, dunkt mij, afdoende
verontschuldiging aan te voeren: zooals hun geheele natuurbeschouwing
geocentrisch was, zoo was hun levensbeschouwing in haar diepste wezen
van anthropocentrischen aard; maar wat, in Godes naam, moet ik met een
modern dierbeschrijver beginnen--een làter-tijdgenoot nog wel van
bijv. een London, die het dier-zelf en om zijns zelfs wil uitmuntend
heeft gebeeld--voor wien dat dier louter als spotspiegel van
menschelijke eigenschappen waarde schijnt te hebben, en die mij zelfs
nog al vrij goedkoope aardigheden op een zieke en stervende giraffe niet
spaart. 't Is waar: hij wìst 't wel, en hij zèi 't zelf wel: "Ik mag
niet opnieuw vervallen in mijn onhebbelijke fout van professie, om elk
beest door een menschelijk lorgnet te willen bekijken", maar mijn
beulsgeest antwoordde: "Tenzij ge uw leven blijkt te hebben gebeterd,
aanvaard ik uwe bekentenis als verzachtende omstandigheid niet ... ge
ziet dien boom ... en ik verberg u 't touw niet ... ge weet er alles
van....--En kijk: het bléék zoo waar, tot mijn vreugde, gebeterd!
Aanvankelijk blijft hij nog wel in zijn anthropocentrisch denken geheel
bevangen, maar het wordt van edeler natuur: de giraffen-idylle
verhoudt zich tot dat andere stuk over de stervende giraffe, zooals de
beminnelijke glimlach van den man, die een diep-erbarmingsvol en
teer gevoel wil verbergen, zich verhoudt tot de grijns van het
gebrek-aan-meegevoel. Maar dan plots stijgt onze schrijver--en
gelukkig, op hoe andere wijze dan ik hem eerst had toegedacht!--tot een
veel hooger niveau: hij vergèèt den mensch, zijn onderwerp
absorbeert hem, en dààr leeft hij in weg. Welk een buitengemeen
bekoorlijk en sterk-beeldende kracht bezittend stuk is Verliefde
Visschen daardoor geworden: die hartstocht-vaart der verliefde zalmen,
de zee uit, de rivieren op, omhoog naar de Alpen-beken, herinnerde mij,
zij 't van verre, niet alleen door 't onderwerp, maar wel degelijk ook
door den élan, aan niets minder dan Omeya's De Kameelruiter![2] En dan
dat liefdesfestijn [p.154] der haringen.... Waarlijk, er leeft hier in
de beschrijving-zelve iets van de blanke teerheid van die zilverwolk,
afschijning tot bòven de zee van die parende, verheerlijkt-stralende
wezentjes, zooals ze, opeengedromd, door roofgedierte en visschers
worden gedood ... de stille lichtschijn der liefde, te boven stijgend al
bewogenheid en zelfs de tragiek van den dood....--
Het is, zooals de schrandere lezer allicht reeds heeft begrepen, niet
anders dan natuurlijk, dat juist de aanschouwing van het visschen-leven
den schrijver aan hem-zelf onttoog: dat wat het minst op ons lijkt,
het minst aan ons is verwant, doet ons het vaakst en het
makkelijkst ons-zelf en onze verwantschap vergeten, en boeit op 't
sterkst, zij 't vluchtig, onze aandacht aan zich. En hoe waar dit is,
kunt ge alweer aan het fraaie stuk Plastiek, eene uitmuntende beelding
van reptielenleven, merken. Want zie maar: datgene wat den blik van
onzen geest ons geheele leven fascineert, omdat het ons, bewegelijken,
driftigen, haastigen, zóó vreemd is; dàtzelfde, nu verstoffelijkt,
boeit, thans ook onze lichamelijke oogen, bij den aanblik dèzer dieren
opnieuw: de roerlooze wacht van het Noodlot, de onverbiddelijke
greep van het Noodlot, het ijzige geduld der Eeuwigheid. Maar
vond zoowel mijn wijsgeerig als artistiek denk-voelen in stukken als de
laatstgenoemde alles te prijzen, gelijk in één hierboven genoemd alles
te laken, men denke daarom geenszins, dat ook mijn artistiek besef
nimmer de anthropocentrische dierbeschrijving zou kunnen waardeeren.
Zèker kan het dat: als de schrijver maar, hoewel door zijn
menschelijkheid nog steeds bevangen, zich-zelf ten grootsten
deele--zijn lager-persoonlijke bewuste bedoelingen vooral--maar
vergeet! Hoezeer bewonder ik dan ook de allergeestigste typeering van
Mijn Maraboe en het ongedwongen-aardige van "Pak de Leuning". De
zaak is, dat de zich den schrijver opdringende jeugdherinneringen hem
in dèze stukjes dwongen anthropocentrisch te schrijven en dit
geenszins het gevolg was van den bewusten wil om geestig of aardig te
zijn. Het is de overgave, die alles bepaalt, of het de overgave aan
eene herinnering of wàt anders ook zij. Ik zou mij nog zeer lang met dit
gevoelig werk [p.155] kunnen en willen bezighouden, en zoowel nog op
zeer vele schoonheden de aandacht vestigen--zooals dat
innig-ontfermingsvolle 't Skryverke in Stad--als bijv. aantoonen, dat
het te-lang-gerekte van sommige overigens voortreffelijke geestigheden
in niets dan het aanvankelijk feuilletonnistiseh verschijnen van dezen
arbeid zijn oorsprong vindt.
Eén ding moet mij nog van het hart: het boek toont één verwonderlijke
leemte, te verwonderlijker, waar de auteur het vischleven zoo schoon
beschreef: wáár in Godes naam is zijn appreciatie van de collectie
bakvisch en haar mannelijk complement gebleven, de schoonste en
rijkste collectie, die Artis bezit? Die vrij héétbloedige vischjes,
die coquette, die flirtende, die vrijende, die lieve.... Meneer Feith,
meneer Feith, ge bleeft toch maar een vreemdeling in Jeruzalem, èn: uw
deskundige "leiders waren misleiders", zij hebben u het schóónste niet
getoond.... Had mìj maar geinterviewd. Niet dat ik....
godbeware-me!... Maar ik ken iemand die véél studie van die collectie
heeft gemaakt.... Vorbei ... vorbei.... ein trübes Wort.... Ik doel
hier betreurend, het zij ten overvloede gezegd, op het voorbije der
gelegenheid mij te interviewen ... niet op iets anders!...
April '18.
Noten:
[1] De Forens: Het "Weekblad voor Stad en Land".
[2] Zie: Van Vloten: Oostersche schetsen en verhalen.--
* * * * *
[p.156]
HET HELDEN- EN LEERDICHT VAN DEN WERELDOORLOG. [1]
I.
Sinds de groote Florentijn zijn hel- en hemelvaart had voleindigd, en de
koortsende droomen van demonen-vrees en godsliefde der middeleeuwsche
wereld in den greep van zijn onverwrikbaren wil getemd en tot in
schoonheid geordende tafereelen had omgeschapen; sinds hij ze had
volgezongen met zijn ziel--beelden, gemaakt van geluid, en muziek uit
aanschouwing geboren--; sinds dien heeft hij het lieflijke maar vooral
het gruwelijke der wereld met zijn naam en macht overheerscht.
Dantesk, bovenal, was het gruwzame duister, van de schicht-naderende
dreigingen doorrossigd der dood- en lijdens-verbeeldingen; Dantesk was
al wat 'schoon zinnelijk, de vermoede afgrijselijke majesteit der
demonische bòvenzinnelijkheid droeg; Dantesk waren die statige vaste
rhythmen der groote, als wonderen van smeedkunst dooreengestrengelde en
bebloemde poëmen, die het geluid-geworden begrip: wereldheerschappij
zijn; en Dantesk was wel ook het lieflijke, doch mits het door een
goddelijk-hooge tragiek was omstormd en als lekend nevellicht van de
bleeke gelaten der Francesca's en Paolo's afscheen. Maar wàt hem ook
benàderde, in literatuur of in leven, bereiken deed het hem niet. Eens
had de menschheid zich de ontzettende fantasmen van een satanisch
hiernamaals gedroomd, [p.157] een wereld door een demon instede van een
God geregeerd: een hel die oneindig was, pijn die respijtloos duurde en
martelde tot in eeuwigheid, zonden voor immer zonder vergeven, boete
zonder hoop. Toen had hij dat menschelijk-tasten, dat deel van
Menschheids droom aan haar zelve geopenbaard--voor zoover zìj kon
begrijpen. En, de bestemming volgend der half-bewusten, gedreven door
den duisteren drang, haar droomen te kennen, ze te zien leven in den
werkelijken dag, ze te verwerkelijken; gedreven door de donkere
krachten van haar onderbewustzijn in hun stuwing naar het licht; stortte
zij zich in de extatische zelfmartelingen der gekloosterde asketen;
wierp zij zich in den wellust der paring, vereend met dien van moord en
foltering; ja, slaagde zij er zelfs in een de Retz te scheppen, dat
onsterfelijk erotisch monster; en niettemin: nòg bereikte zij de diepte
van haar droom en Dante's beeldingen niet. Zij bracht haar
Conquistadores voort, die, uitmoordend de volkeren, de beenderen der
oude beschavingen verbrijzelden, en, in hun extasen van tot dan
onvermoede weeldegenietingen en machtswellust, van bloed en goud de
glanzende worgring wisten te gieten, die glorie heet. Zij verzon de
inquisitie, met haar brandstapels, haar rad, haar pijnbanken; zij bouwde
de slachtplaatsen der industrie, waar zelfs het kinderlichaam door den
arbeid werd verteerd, de kinderziel vertrapt: de fabrieken waar haar
wàre roem en lieflijkste bloem werden ontluisterd. En toch: zij
bereikte de diepte van haar droom en Dante's beeldingen niet. Zij was
als een groot schepper, als de Goethe van den Werther, die schrijft,
om een geestelijke ziekte die hij in zich draagt, buiten zich, van zich
àf te werpen; die schrijft om zijn eigen onzuiver ik vóór zich te kunnen
zien, om het te kunnen genezen. Maar hàre letters waren dàden, letters
van bloed en vuur, op de gemartelde maar onvernietigbare bladzijden der
jaren, in de zich openende en langzaam ïn hun dreun-zware kanteling weer
sluitende boeken der eeuwen. En toch, zij mocht kreunen van angst en van
verlangen, en rusten van haar vreeselijk werk dag noch nacht,--haar doel
bereikte zij niet, zij bereikte 't niet. Dat was haar droom nog niet.
Iets was nog daarachter, een opperste [p.158] ontzetting, ver en diep
verholen, die zich verwerkelijken moest. Tòt het uur volliep, en ze in
geweldigste inspanning en verscheurende weeën den wereldoorlog baarde.
Tén ... uit de verste afgronden van haar wezen rezen de verholen
droom-schimmen op, verschijningen van afschuw en verbijsterende
ontzetting, en verwerkelijkten zich en traden onder het wijkend licht.
En terwijl hun torenhooge, afgrijselijke vlamgestalten als in een
hemelverbloeding de zon verduisteren, de aarde schreeuwt onder hun gaan,
en de ontwaakte Menschheid zich schijnt gereed te maken den arbeid aan
hare vergoddelijking bewust te beginnen en voort te schrijden op haar
evolutionnaire baan--wenkte de Noodwendigheid, de onfeilbare, die niets
vergeet, die het kleine én het groote als het eene kent; die het
gewicht van den dood eens worms en van dien van armeeën even nauwlettend
weegt, om der wille van hun beider majesteit van noodzakelijkheden; en
uit de verbijstering en den nood, uit het walgelijk knekelhuis der
loopgraven, in de volle nederigheid van zijn groote en reine ziel,
bereid tot overgave aan Menschheids dienst; vàst staand in zijn
wezenheid, toegerust met macht om zijn verheven werk te doen; onder zijn
lompen en achter 't verwoest gelaat veilig en in rust de vruchtbare
rijkdom van zijn geest geborgen, die straks naar buiten zou lichten--zóó
trad een man.... En gelijk eens Dante was geroepen om de infernale
verschrikkingen en hemelsche glanzen van den droom te openbaren, in
beelden blijvend voor altijd, zóó was deze verkoren, om dit de gruwbare
ontzetting en heilbrengende beduidenis van het van-droom-tot
werkelijkheid-gegroeide te doen. Verreweg kleiner dichter dan zijn
feilloos-geweldige voorganger--hetgeen hier niet schaadt, daar de
dichter der werkelijkheid niet de gaven van dien des drooms behoeft[2]
--maar van een welhaast onvergelijkelijk hooge en zuivere
menschelijkheid, een ziel als een spiegelend meer van liefde waarin het
menschbeeld naast dat der sterren straalt, heeft hij zijn werk
verricht. En terwijl [p.159] wij vol wederliefde in hem zien en al de
schoone en fijne bewegingen van zijn geest met onze innigheid bestreden,
beseffen wij slechts geleidelijk wàt zijn woord ons heeft gedaan. Het
heeft het onrein vat van onzen geest met brandenden toorn en afschuw vol
gegoten. En nadat dit éénigermate was gezuiverd van de stofvergoding,
van de ikzucht, van het huichelachtig meegevoel, van het
ijdel-phraseerend denken, waarmee ons leven het de jaren lang had
gevuld, deed hij wat droppels, die waren als een balsem én een dauw er
in leken. Want gelijk de eerste, heelend het geschroeide en gebetene,
voèlde ze onze geest, en gelijk de laatste fònkelen ze hem tegen met in
hun rondingen het licht van een nieuwen dag.... Deze zuivere en schoone
mensch, deze hooge en begaafde broeder van den dichter der Hel, dat is
Henri Barbusse; en zijn werk, het beeld van de verwerkelijking van
den Helle-droom heet: Het Vuur.
* * * * *