Als ge 't mij op den man af vraagt, dan, schoon de bekentenis mijn

wansmaak aan het licht brenge: ik heb immer veel meer van namaak- dan

van echt-"antiek" gehouden. Een renaissance-, een Queen Anne-, een

empire-ameublement ... mijn ziel, bezwangerd van vage heugenissen aan

vroegere incarnaties, voelt zich nauwelijks èrgens zoo bekoord als te

midden van zulk een tot tastbaar heden geworden verleden-droom; máár,

let wel: slechts dàn, zoo mijn lichaam niet haar genot met zijn fellen

weerzin tegen duffigheden en wormstekigheden kunne storen. En

derhalve--ik geef de voorkeur aan namaak, mits onberispelijk, boven

echte antiquiteiten. O hout, dacht ik, hierover peinzend, wel in

mij-zelven: toen ge in het blijde leven uw eigen droom, in vaderlandsche

of exotische bosschen droomdet, waart gij zuiver en geurig; waarom dan

zoudt ge duf en besmet zijn, nu een toovenaar-artist u tot het

weven-om-mij-heen eens menschelijk-maatschappelijken droom heeft

gedwongen. Neen, uwe stoer-eiken en uw hoffelijk-mahonie gelaten wensch

ik in mijn vertrekken niet ontsierd door de putjes der wormstekige

pokdaligheid te zien.--En zoo, ge zult het gereedelijk aanvaarden, zou

ook Ellen, nu zij mij in haar Grieksch salonnetje, voor dit Ariadne-en

Dionysos-beeldje noodde, mij allicht luiden bijval hebben ontlokt,

indien dat salonnetje maar van Pander en niet van Scheltema en Holkema,

en haar antieke groepje [p.134] van hout of steen en niet van woorden

ware! Want nu dit laatste het geval is, heeft immers mijn vrees voor de

dufheid of vervallenheid van het echt-antieke en derhalve ook mijn

voorkeur voor den namaak hier geen zin! Want de heldenzetels van Homeros

zijn niet wormstekig geworden, de wandtapijten van Sophocles en

Aischylos rieken niet duf. Tegen hen vermocht zelfs de philologische

conjectuur-worm niets! Wáártoe dan deze namaak? vraag en vroeg ik mij

sinds jaren af. En: hoe overbodig en wat belachelijk-precieuse

knutselarijtjes zijn toch dergelijke dingen, denk ik er nog bovenop!--O,

zeker, indien daar een Shelley, of ook een Kloos, of een Gorter voor mij

leeft, en hij droomt zijn groot-dichterlijk visioen, en de schimmen van

het verleden zien dien schoonen held, en lokken hem in heete en

overweldigende liefde zich te eenen met hen, gelijk de gestorven

geliefde haar lief in Goethe's Die Braut von Korinth, dan, ja dan....

Als de heilige Noodwendigheid, èn op den troonwagen zulker verzen

gezeten, verschijnt, wie kan dan denken aan overbodigheid; wie, mijn

God! aan knutselwerk; wien maakt dan de ontroering niet tot verheerlijkt

aanbidder, die zijn ik, met al diens willetjes en oordeeltjes en

kleinheid, neerwèrpt, het wit gelaat ter aarde, voor die noodlotsraderen

in hun wielewenteling van licht! Maar als--ach vergeef mij, Mevrouw

Ellen, het is eigenlijk ùw schuld niet, maar ook evenmin de mijne, dat

ik U in zulk een vergelijking moet betrekken--als Ellen, niet gezocht en

overweldigd door verliefde Grieksche schimmen, maar integendeel hen

zoekend; in verdienstelijke verzen, die ik hièr prijzen en dáár laken

kan, maar waardoor ik nìmmer wordt verrùkt, haar eeuwig-menschelijk

voelen van verlaten, smachtende en bevredigde liefde, een

antiek-schimmig maskertje voorbindt, och ja, dan vind ik wel wáárlijk

heel wat moois in wat mij aldus te aanschouwen wordt gegeven, en ik zie

ook wel de diepe oogen en de bloeiende tint der echte menschelijkheid

flonkeren achter de wazige tulle, maar ... maar ... omdat het heele

geval mij toch geen oogenblik heeft kunnen doen vergeten, dat ik een

nuchter, twintigste-eeuwsch Amsterdammer ben, kan ik mij helaas ook niet

weerhouden te zeggen: Mevrouw [p.135] Ellen, wist gij met uw ontluikend

talent nu waarlijk in deze emotievolle tijden niets anders te doen, dan

als op een bal-masqué in een pantervel gehuld en den Thyrsus-staf in de

hand langs 's Heeren literatuur-straten te loopen? Dáár! op m'n wóórd:

ik had U wel zoo lief in 'n moderne liberty-blouse gezien....

Juli '18.

* * * * *

[p.136] A. VAN COLLEM: LIEDEREN DER GEMEENSCHAP

Een kostbaar boek deze bundel; kostbaar en zwaar van het wijdst-omvamend

sentiment, dat de ziel beleven kan: het sentiment der pantheïstische

levensdoorvoeling. Zij is het die dezen dichter boordevol glans heeft

gemaakt; zij heeft zijn individualistisch-begrensde wezenheid brandende

uitgehold en die niet meer dan zóóveel klaar-doorzichtige en

ijl-tintelende beperkte-eigenheid gelaten, als noodig was om de

vlies-dunne, hel-gestrakte lichtkelk om háár vlam te zijn. Dat is wel

het schoonste, zóó op de grens tusschen het Al- en persoonlijk-bestaan

te leven, en niet te breken, niet te vervloeien; nog een wijle te

duren....--Zóó teer, zóó broos geworden te zijn, en dan, triomphante

lucht- en water-bel, bevracht met der wereld kleurenschatten, op de

oneindige luchtzee èven nog als een aandoenlijke verwonderlijkheid te

zweven....--Dat is wel het schoonste, zoo'n grauw en onaanzienlijk

wolkje te zijn en dan door de Zon tot Zijn drank te worden verkoren.

Zie: daar buigt de Drinker zich reeds over Zijn dronk, en de Zijn

goddelijkheid ontstroomende glansen maken het grauw tot een vloeiing van

levende lichten en kleuren: tot het aan-Zijn-lippen-geheiligde, datgene

wat Hij drinken kan.... En dàn.... maken zij het: Hem zelf....--Het

wordt wel tijd te zeggen, dat hier een zeer bijzonder dichter is

opgestaan; het wordt wel tijd om hier over wat schaarsche technische

gebrekjes heen te zien, en zich blijde op de feestelijk-zonnige stroom

der zich tot bewondering verbreedende waardeering te laten wegdrijven.

Want hoe is deze man [p.137] gegroeid, trots weinig erkenning en

genegenheid, en het laatdunkend-beschermerige van sommige critiek ten

spijt; hoe is hij geworden wat ook ik niet dacht te mogen verwachten.

Lees een monumentaal gedicht als De Man met de Spade, voel hoe zuiver en

rag-teer hiermee een mystieke sensatie werd verwoord, zònder het beeld

der lagere werkelijkheid te doen vervagen, èn: hoe dat

voor-eeuwig-Millet'sche beeld, hìer in die visionnaire sfeer werd

geheven waar zichtbaar is, dat ook een het meest door slaven- en

zwoeg-leven afgetobde en verstompte geest niet buiten het reiken der

weer wekkende en reddende vervoeringen is verworpen....--Welk een

verschil met het bundeltje, een van zijn eerste of wellicht het eerste,

dat ik indertijd in Het Jonge Leven besprak!... Nergens borg het meer

dan een belofte, en hoe vaak gaf het er géén. Wat tusschen dat werk en

het thans besprokene ligt, ik moet helaas biechten het niet te kennen.

Wel had ik met groote bewondering en liefde eenige zijner Gids-gedichten

gelezen--waarvan trouwens in dezen bundel zijn opgenomen--maar dat was

al. En nu!--als ge de vermenschelijking van den god Pallieter wilt

aanschouwen, zie dan dèzen mensch....--Zeker, ook van Collem zou voelen,

door het eten van "Gods fruit" Hem te verheerlijken, ook hij zou den

oven opensluiten als waar' die een heiligdom, en het eten van een

beschuitje met honig zou hij, even juichend, als slot dichten aan een

psalm. Maar--voelt van Collem als Pallieter het "bruur boom", Pallieter

voelt niet als van Collem het "broer mensch". Voelt van Collem zich

gelijk Pallieter door de vreugde van het eenheidsbewustzijn doordringen,

Pallieter voelt niet gelijk van Collem de smart, ook die der

gescheidenheid. De een staat in de durende zegepraal, nu ja, daarvoor is

hij een god; de ander staat in den strijd, maar vóórvoelt zoo sterk en

hel het heil der overwinning, dat het hem is alsof hij reeds daarin

leefde--en ik zoude hieraan toevoegen: "daarvoor is hij mensch", indien

daartoe niet méér dan het gewone menschzijn wierd vereischt, indien men

daarvoor niet een zeer bijzondere en zeer schóóne mensch moest

zijn.--Het is opmerkelijk, dat een van de zwakkere gedichten in dezen

bundel--[p.138] de oude Adam leeft óók nog steeds in van Collem: de nog

soms onbeheerschte, die, als de poëzie-Eva hem een appel biedt, waarin

hij nièt mag bijten, wel even tegenstribbelt, maar toch eindigt met

toehappen--het is opmerkelijk, dat een van de zeer weinige zwakkere

gedichten: De Aarde, juist een treurzang, om dezen volkerenverdervenden

tijd, is. Vergelijk ik dit vers met soortgelijke van de Haan dan voel ik

de laatste als véél zwaarder en magistraler van toon. Dit is droog van

klank en aarzelend-tastend van gang. En ik denk: zou ook hierin niet

weer schuchter schemeren, wat in Pallieter aan den laaien dag treedt:

dat het menschelijk-onvolgroeide pantheïstische geluksgevoel de overgave

aan de smàrt uitsluit?...--Ten slotte: laat ik niet vergeten te zeggen,

dat menige invloed dit werk doorspeelt, maar er tevens in één adem aan

toevoegen, dat, moge dan ook Gorter zijn zonnelach op dit water zien

tintelen en Henriette Roland Holst's mild halflicht uit de diepte

donkeren, de stroom-zelf die van des dichters eigen rijke, innige en

melodieuse ziel is; een stroom, waarop de verzengenieter zich váák zal

voelen: Gezelle's "bladtjen op het water"....

Aug. '18

* * * * *

[p.139] C.S. ADAMA VAN SCHELTEMA: ZINGENDE STEMMEN

Werkelijk, wat mij betreft vind ik, dat, om je het ware gevoel voor 'n

zingende stem te làten, het, 1° geen zomer moet zijn en je niet daardoor

genoodzaakt, op je werkkamer met wijd-open raam te zitten; 2° je geen

kroniekje moet hebben te schrijven. Want helaas, nu dit alles wèl het

geval is, en mijn geest bijkans bedolven raakt onder de gulle muziekale

gaven, die Zatermiddags-vroolijke dienstmeisjes en nasaal-galmende

gramophonen, bij beurte of wel alle tezamen, over hem uitstorten--nù

voel ik veel meer voor de stem der stilte dan voor die des gezangs. Er

is--ik begrijp het plots in de exaltatie der wanhoop--slechts één

redmiddel voor mij: door een moedig-geniale daad de hindernis en het

gevaar in een hulpmiddel om te tooveren. Zooals ongetwijfeld Buffalo

Bill van een op hem aanstormenden wilden buffel zou gebruik maken, om,

door verwondelijk-behendig op diens rug te springen, des te spoediger

zijn "hacienda" te bereiken, zoo zàl en mòet de Pegasus van die

melodieuse schoonmaakster daar in 't tuintje tegenover me, mij in 't

berghart van Adama v. Scheltema's Parnassus voeren....--En ziedaar!

nauwelijks heb ik dit wilskrachtig gedacht, of het is mij alsof 't

storende element in haar zang reeds is vervluchtigd, en haar stem en

wezen, in een mysterieuse vereenzelviging met die van Scheltema, mij hèm

des te beter doen verstaan. O, lieve schoonmaakster, gij, die, zoo ge

niet zingt, de buren vàn en tòt elkaar scheldt, hoezeer verheldert gij

nu plots het inzicht, dat ik tot heden in sommige prozauitingen van

onzen dichter had. Ook hij als gij, maar ach, maar ach, hoeveel schooner

is [p.140]hij ... 'n verheven Vesuvius, die, zoo hij geen

vlammenliederen zingt, enquête-antwoorden bráákt. Hij ook als gij:

zingend, en "niet met 'n boekje in 'n hoekje", of decadent-vrindloos

onder "De Windroos", maar boven de schuimende waschtobbe des levens. Hij

als gij: altijd fel op en zeker van de "pointe", èn bij het schelden èn

bij het zingen, en vóóral dáárdoor populair! Ja dit laatste--intusschen,

o mijn schoonmaaksterlijke Pegasus, gij hebt mij gebracht waar ik wezen

moest, laat mij thans met mijn dichter alleen--dit laatste: dat namelijk

bijna elk zijner dichtjes, de zéér schoone en de minder schoone, een

"pointe" heeft, welke de naar een plaats-van-eenheid, naar harmonie en

zekerheid dorstende lezersgevoelens bevredigt: dàt doet het volk hem

zoozeer beminnen; en niet slechts en zelfs niet voornamelijk het volk,

dat men in sociaal-economischen zin zoo heet, maar datgene 't welk men

ter onderscheiding van de geestelijk-superieuren zóó pleegt te noemen.

Neen, niet voor dat "volk", maar voor die van-geest-superieuren slechts,

de weelde en het raffinement der òngewisheid; de weelde, zeg ik, èn het

raffinement; want deze ongewisheid draagt als wellicht diepste en

oorzakelijke kern in zich: den wil, om de zekerheid niet te vroeg, niet

te makkelijk te overmeesteren; zij draagt in zich het genotsbewustzijn

van het uitstellen van het hóógste genot. Aristocratische kat, die de

muis weer loslaat, en zich afwendt, doende alsof ze niet weet dat ze

haar heeft gevangen; en haar dan weer wellustig besluipt....--Voor de

zéér-superieuren, het proeven van die weelde en dat raffinement in het

ijl-lichte van de dwaal-ster Boutens, in de wankelingen en mijmeringen

van Henriette Roland Holst--al hebben die beiden-zelf en vooral de

dichteres, dat alles niet als weelde en raffinement gevoeld--, maar voor

het volk, voor het "volk": de zekerheid, het gevatte, het rake, de

"pointe" van Scheltema! Maar men versta nu toch geenszins als mijn

bedoeling, dat deze eigenschappen zijne verzen, vergeleken bij die van

de zooeven genoemde dichters, noodzakelijk tot iets minderwaardigs

zouden moeten neerdrukken. Volstrekt niet. Daar zijn er in dit

bundeltje, welke ik onder de beste reken, die ik ooit gelezen heb: het

[p.141] schoone Golven, het prachtige De Uitdragers, het fijne Bede en

't Goethe-stille, eenvoudige, en toch in de eerste strophe subtiele,

Herfstbosch. En daarvan hebben de beide middelste toch zeker zoo iets

als een "pointe", en het eerste en laatste een hèldere gewisheid.

Merkwaardig is echter dat een enkel maal het persoonlijk-rhythme niet in

staat is het vers, hoewel steunend op "pointe" èn zekerheid, ten einde

toe te dragen; dan zinkt dit, zooals Moe, tot een poover niemendalletje

in elkaar. Dit Moe heeft mij trouwens doen rillen van ontzetting; zoo

iets desesperant-onsocialistisch,

verwijfd-lettré-decadent-individualistisch en daarbij ook zoo heelemaal

anti-Grondslagenistisch.... Jonge, jonge, waar gaat dat heen....--'n

Aardig half-Goethiaantje-half-Heiniaantje is Le Retour des Hirondelles.

Ik wees reeds vroeger op zoo'n beetje Heiniaanschen invloed bij onzen

dichter, en ik vind de aanwezigheid daarvan nu toch wel een tikje

jammer, want ten slotte was Heine toch een Joodsch kunstenaar,

zooals--Scheltema er "voor geen geld!" een zou willen zijn! En, 't

blijft toch, dunkt me, ook voor hem behartenswaardig, wat de

voortreffelijk-geestige Oproerige Krabbelaar--ook 'n man van de

"pointe"--in Het Volk eens zei--ik citeer uit 't hoofd--: "Mij had men

in m'n jeugd geleerd, dat je niet lastert van de menschen bij wie je

eet, en niet eet bij de menschen, van wie je lastert".... Maar dit is

tenslotte een zaak van ethiek, en een kniesoor is de aestheticus, die

zich daaraan stoort. Laat mij dan ook maar òngerept blij zijn, omdat dit

zoo'n mooie bundel is, en omdat de dichter op z'n poëziehuis 'n wel

onbehouwen--maar dat hindert niets--doch dik-stoomen-kunnenden

proza-schoorsteen heeft staan, want heer-in-den-hemel, als eens al die

walm en stank, die nou daar door heen een uitweg vindt, in de

verzenkamers ware blijven hangen.... En trouwens: wat zou ik zonder dien

schoorsteen moeten beginnen, als ik, bisschoplooze want joodsche

zwarte-Piet, eens "onzen" Scheltema met een gard verrassen wil?...--

Aug. '18.

* * * * *

[p.142] HERMAN POORT: GERBRAND ADRIAENSZOON BREDERO

Indien gij over eenig onderwerp slechts zeer weinig zelfgevoelds, in

zeker opzicht, hebt te zeggen, en gij doet dit op nagenoeg

ònpersoonlijke en luchtig-rhetorische wijze--zóó als menig ander dat

vóór u heeft gedaan--dan is er veel kans, dat dit rhetorische, bij

tegenstelling, het zelfgevoelde van dat weinige des te beter zal doen

merken. Maar doet gij het integendeel met groot vertoon van eigen

vinding in stijl en woorden, dàn zal er juist veel kans zijn, dat dit

vertoon--dat immers iets kostbaars en gewichtigs doet verwachten--des te

heviger het weinig-zijn van het zelfgevoelde zal doen opvallen. De

gevolgen van het een als van het ander kent men: men applaudisseert in

een variété bij wat men zou uitfluiten op een concert. Het dunkt mij

goed dit hier te zeggen, wijl het mij waarschijnlijk lijkt, dat het deze

in zijn onderbewustzijn aanwezige waarheid was, waardoor de fijne

literatuur-keurder die Poort is, zich bij het schrijven zijner

evenwichtige, wèl-gecomponeerde en smaakvolle essai heeft laten leiden.

Omdat namelijk zijn aanleg niet voornamelijk in de richting van het

menschenscheppen ligt, had hij voor zoover het een levende en

dramatisch-bewogen voorstelling der Bredero-figuur betreft, slechts

weinig aan te bieden. Daar waar hij den persoon Bredero dus poogt

aanschouwelijk te maken--waar hij hem optreden laat--in zijn

taveerne-leven, op bezoek in het Roemer Visscher-huis, koos hij eene

thans rhetorisch-geworden wijze van voorstellen--eene, zooals men

bijvoorbeeld bij den ouden Thijm vindt--. En gelukkig: deze

bescheidenheid, dit zich [p.43] niet als anders of meer willen voordoen

dan hij is, bracht hier--zeldzaam staaltje van beloonde deugd en van

paarden, die hun verdiende haver krijgen--onmiddellijk het passend loon

mee. Als gij den u overbekenden toon hebt gehoord van zinnetjes als (ik

cursiveer): "Zie daar de guiten in" "De Graaf van Meurs" of in de "

"Handboog-Doelen" .... "Ei zie, hoe hoofsch en vlug in 't nauwe keurs,

zij gracielijk door d'over-volte zwenkt en elk zijn deel geeft, niet

slechts van 't koele bier, maar ook van lachjes, groetjes, vriendelijke

woorden".... "Wie is het, die bij haar gezicht zijn hart het hoogst

voelt kloppen en zoo raadselachtig snel? Wie tracht er weer, in het

donker bij de trog, het "soete soch" den arm om 't lijf te slaan?" of

van die paar lichtelijk-onhandige, imitatieve dialoogbrokjes bij de

ontvangst in den Roemer Visscherkring--als gij, zeg ik, den zoetelijken

toon van zulke antieke-inboedel-phrasetjes hebt beluisterd, dàn

waardeert gij des te meer het zelfgevoeld-nuchtere, fijn-opgemerkte en

doordachte van eene uiting als deze, die Bredero's half onbewusten drang

naar een rijk huwelijk psychologisch verklaart: "Van Adriaen's (des

dichters vader, v.C.) beleid en werkkracht tot opwaartsgaan in

geld-bezit en in maatschappelijk aanzien, had Gerbrand (ik cursiveer

alweer, v.C.) de vage drang geërfd; ze kwam te voorschijn in zijn keuze

van geliefden, de ernstig beminden, met wie hij trouwen wilde en wier

namen tot ons kwamen".--Daar echter waar onze essayist zijne

beschouwingen en oordeel over het werk, over den geestelijken inhoud van

de dichterziel uiteenzet--in dàt opzicht dus, waarin zich reeds zoo

menigmaal zijn voortreffelijke aanleg openbaarde--daar laat hij dan ook

zijn archaïstischen stijl geheel los, en schrijft in den

onvergelijkelijk directer den kern der dingen rakenden modernen. En

omdat hij dan als uitstekend literatuur-keurder veel zelf-gevoelds te

zeggen heeft, doet ook hier de vorm--nù: de niet-rhetorische, de

individueele!--den inhoud op zijn best verschijnen. Aanmerk maar eens,

hoe dan--in het door mij gecursiveerde--het zèlfgevoelde in een

verrassend-fijne wending zijn adaequate uiting vindt: "Het zijn de beste

kunstenaars niet die slechts het welgelijkend portret van hunnen

medemensch ons geven; [p.144]--wie méér vermag, daalt diep in eigen ziel

en herschept van daaruit de waargenomen werkelijkheid tot iets anders,

dat gansch "nieuw en onherkenbaar is;--zóó deed ook Bredero, en wil men

dus toch gaarne weten waar Jerolimo in waarheid leefde, dan zal het dáár

zijn, waar geen archieven-snuffelaar nog zocht: in Gerbrands eigen

hart". Zoo vervlocht zich dan in deze studie het modern- met het

archaïstisch-gestyleerde tot een schoone eenheid. Want hoe menigmaal

leeft in dit opstel niet de zij het oppervlakkige maar geacheveerde

fijnheid van een precieus-antiek miniatuurtje, zacht maar als

onverwrikbaar zijn voornamen aard van reliquie uit ver-voorbije dagen

toonend en handhavend onder het modern-scherpe licht. Het is de

zelfkennis van den auteur, die voor zijn in kracht zéér verschillende

vermogens de aan elk geëvenredigde uitingswijze wist te vinden; het is

de harmonieuse stemming van wijs berusten bij 't erkennen van de grens

van zijn aanleg, welke de sfeer schiepen, waar, in zacht-glimlachende

stilte, het beklijvend-beeldje aan den wand antwoordt op de tinteling

van het licht....--

Oct. '18.

* * * * *

[p.145] JO DE WIT: DONKER GELUK

Over literatuur Critisch en didactisch, tweede bundel · 第 10 / 22 段